De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS (13)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS (13)

J. VAN SLIEDREGT

8 minuten leestijd

IN ADAM VERLOREN.

Vraag en antwoord 6.

Vr. Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen?

A. Neen Hij; maar God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

God schiep de mens in ware rechtvaardigheid en heiligheid - zegt de catechismus —, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

Dat laatste „opdat...." wijst op het doel van de schepping van de mens. Het spreekt van een bepaalde opdracht. Hoewel het niet met zoveel woorden gezegd wordt, moeten we hierin toch een heenwijzing lezen naar de drie ambten van profeet, priester en koning. God bekleedde de mens met een drievoudig ambt. Het is nodig daarop nog even nader in te gaan.

Zoals we reeds zagen is er verband tussen schepping en herschepping. Nu komen we de drie ambten van profeet, priester en koning tegen bij Christus en bij de christen, (vr. 31 en 32). De vraag rijst daarom, of hier van iets totaal nieuws sprake is, dan wel of hier in herstel is van wat in de schepping oorspronkelijk was. Het laatste is het geval. De ambten van Christus verschijnen wel in een bijzonder licht en hebben een eigen zin in verband met Zijn Middelaarsschap, maar deze ambten als zodanig zijn toch de mens niet vreemd. De mens was er van de beginne af mee bekleed. Daarom zien we ze ook weer verschijnen in de staat der genade en zullen ze eenmaal vol functioneren in de staat der heerlijkheid. Dat wij in Adam met dit drievoudig ambt bekleed waren, laat ons des te scherper onze diepe val zien, waardoor we al deze heerlijkheid verloren.

De mens stond in de staat der rechtheid als profeet en was tot profeteren geroepen.

Nu moeten we ons daarbij niet voor de geest halen het bijzondere ambt der oud-testamentische profeten, want dat was gestempeld door de bijzondere openbaring. Doch de mens bezat in de staat der rechtheid — zoals besproken is — een ware Gods-, zelf- en wereldkennis. In zijn ziel straalde het licht van de Zich openbarende God, en hij was daardoor zelf licht. Zo mocht hij blikken in Gods Raad en zich daarin verlustigen, als God die hem openbaarde. In de werken Gods las hij als in een boek de naam van zijn God. Als hij opblikte naar de hemel en rondblikte op de aarde en de rijkdommen in de scheppinig ontdekte, dan werd zijn oog maar niet geboeid door de schoonheid ervan op zichzelf, maar dan klom hij op tot God zijn Schepper. Hem aanschouwde bij in Zijn werken. Hem, aan Wiens Vaderhart hij zich wist gelegd.

Dat blikken nu in Gods Raad en werken tot zalige zielsverlustiging was profetisch. Als bij wandelde door Eden, tintelde in zijn ziel het leven der kennis Gods. Aan de wind des daags beluisterde hij de stem van zijn Vader. In de schepping bewonderde hij de harmonie als het werk van zijn God, en als hij tot zichzelf inkeerde ontmoette hij God in het vredeleven vol harmonie in het diepst van zijn ziel.

Maar de mens ontving niet alleen als profeet, hij gaf ook. Adams bewustzijn werd vervuld met levenswijsheid, met wijsheid Gods, die hem uit de volheid Gods werd geopenbaard. Hij was echter geen eerrover. De eerste mensen gaven terug wat ze ontvingen. Wat ze hoorden en zagen, wat hun gemoed vervulde, brachten ze tot hun God terug in de verkondiging Zijner deugden. En daarin waren ze zalig. Zo was er een gestadige wisselwerking tussen God en mens. Indien deze niet verbroken was zou God Zich in voortgang steeds rijker hebben geopenbaard en zou de mens steeds rijkere kennis hebben ontvangen en de lof van zijn God steeds groter hebben gemaakt. En dat namens de ganse schepping, wier mond hij was.

Hoe anders is allles geworden door de zonde. Alles is verscheurd en bezoedeld. Geen vredesharmonie voert heerschappij, maar onrust en hartstocht. We zijn niet ontvankelijk voor Gods openbaring en Hij wordt niet gekend. We gaan niet meer op in de verheerlijking Gods. We kunnen er zelfs niet meer in­ komen, wat het profeet-zijn eigenlijk was. Hier wordt onze ellende-staat ontdekt. Hoe ver zijn wij verwijderd van die zalige omgang met God. Als we staren in de diepten van de hemel en rondblikken in Gods werken, staan we niet een gesloten mond. We hebben de schepping van haar mond beroofd, en zij klaagt ons aan.

Het ontdekkend licht van Woord en Geest zet ons in de verbanden, waarin ons leven gezet werd in de morgenstond der schepping, en heimwee grijpt de ziel aan naar dat door eigen zonde verloren profetische ambt, totdat.... het in Christus terug wordt ontvangen.

Wij waren in Adam ook priester. We moeten nu niet terstond denken aan het brengen van bloedige offers. Want dat bijzonder karakter heeft het priesterschap pas na de zondeval gekregen tot verzoening der zonde. Maar het oorspronkelijke priesterschap bestaat in het zich geven in de liefde.

God is niet alleen een kennend, maar ook een liefhebbend Wezen. Zo openbaarde God Zich in Zijn liefde in het hart van Zijn mens ; en Adam ontving deze liefde, doch mocht ze ook weergeven. De liefde van de Schepper werd door het schepsel weerkaatst. Zo waren de uitgangen van het hart tot God. Wij gaven ons in Adam in liefde over aan onze Schepper ; wij schonken ons aan Hem weg, zonder iets voor onszelf buiten God te eisen. Wij zochten God in de liefde en stelden ons in die liefde tot een Gode welbehagelijke offerande. Met hart en ziel klommen we op tot God in liefdesaanbidding. De liefde stroomde uit de open hemel en een stroom van liefde keerde terug tot de Oorsprong van ons leven.

Zo ontmoeten we ook hier een ontvangen en een geven. Er was geen stilstand in het verkeer tussen God en mens. De mens verzonk niet in een stilte, maar gelijk God altijd weldadig is in Zijn uitlatende liefde, was de mens werldadig in zijn liefde-overgave met hart en ziel. Zo mocht de mens kennende liefhebben en liefhebbende kennen.

Blikken we nu in deze spiegel, dan moeten we de hand op de mond leggen. Want we vinden de haat in onze boezem, en Gods liefde kennen we niet. We zijn niet maar een valse profeet geworden, maar ook een afgodspriester. Wij dienen onze afgoden, en vooral ons ik.

Ontdekkend licht vervult dan ook de zondaar met afschuw van zichzelf. God ziet hem toch tegen de achtergrond van het volmaakte priesterschap, waarmee Hij hem eenmaal heeft bekleed. En zo ziet bij ook zichzelf.

In Christus zal hij alleen Gode welbehagelijk zijn en weer priester mogen zijn.

Wij waren in Adam ook koning. Dat is het derde ambt. God had de mens de koningskroon op het hoofd gezet, opdat hij koninklijk heersen zou op de aarde. Zich stellende onder de heerschappij van zijn God, zou de mens koninklijk in Diens naam regeren over de schatten der aarde. Van dwang was geen sprake, maar enkel van vrijwilligheid.

Van de roeping tot dit koninklijk regeren lezen we in de opdracht van God aan de mens om de hof te bouwen en te bewaren. De mens werd geroepen door vlijtige arbeid de vruchten aan de aarde te onttrekken, maar koninklijk, en niet „in het zweet des aanschijns". De aarde bracht nog geen doornen en distelen voort.

Dat koninklijke licht ook op in de naamgeving der dieren. De mens zwaaide ook zijn schepter over het gedierte des velds. Hij kon ze op Gods bevel tot zich laten komen. De zonde had de harmonie tussen mens en dier nog niet verstoord.

Zo legde de Heere de macht op de mens om heerschappij over de aarde te hebben. Ook had hij de hof te bewaren tegen de boze invloeden van buiten, n.l. de gevallen engelen.

Dat alles ging in ongestoorde vredesharmonie. In dit regeren stelde zich de mens terstond onder God zijn Koning. Het was zijn leven en zaligheid om met God mee te regeren en te leven.

Wat zijn we door de zonde dan toch diep weggezonken. De kroon hebben we ons van het hoofd gerukt en de slavernij van zonde en duivel verkozen boven het volle koninklijke leven met God. Een spotkoning zijn we geworden. Alle harmonie tussen God en mens, mens en mens, mens en dier, hebben we verstoord. In zware strijd zijn de rijkdommen der aarde alleen te onderwepen. Van een vrije harmonieuze heerschappij is geen sprake meer na de zondeval.

Zo ligt ook het koninklijk ambt verscheurd. Alleen in en door Christus is het weer opgericht en wordt het ook weer opgericht, door het geloof in Hem.

Als catecheet moeten we de lijnen doortrekken van vr. 6 naar vr-. 31 en 32 en zoeken voor onze catechisanten het verband doorzichtig te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS (13)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's