UIT DE PERS
Als we zo de persoverzichten in de diverse kerkelijke bladen nagaan, dan is er, met name in de geref. kerkelijke bladen, nog al veel aandacht besteed aan 't oecumenisch jongerencongres op 28 sept. te Utrecht. Vooral het cabaretliedje van Seth Gaaikema, waarin de christelijke school het moest ontgelden, heeft veel beroering teweeg gebracht.
Ik zou bepaald vervelend worden als ik ook in ons persoverzicht nog eens de diverse scribenten uitvoerig aan het woord zou laten. Alleen maar twee opmerkingen. Ten eerste heb ik wel eens horen zeggen dat aIs de dames en heren studenten aan de V.U. een cabaretvoorstelling geven, het nou ook niet altijd bepaald aan elkaar gebreide preekschetsen zijn. En vervolgens is het wat eigenaardig dat men dit „hoogtepunt" van het cougres nog eens extra over de radio uitgezonden heeft, uitgerekend op zondagavond ; en let wèl, de N. C. R. V. voelde zich daartoe geroepen.
Waar ik wel even op zou wilen wijzen, is, dat ook dit congres mee kan werken om een inzicht te geven in de denkwereld die bij velen toch zit achter hun oecumenisch streven. In dit verband zou ik enkele dingen willen doorgeven uit hetgeen prof. Herman Ridderbos, zelf voorstander van aansluiting bij de wereldraad, schrijft naar aanleiding van verschillende reacties in de gereformeerde pers op dit congres. We citeren uit de rubriek van week tot week in het gereformeerde weekblad (Kok) :
Eigenlijk gaat het mij ook niet om dit congres als zodanig, maar om iets, dat zich toch wel aan en rondom een dergelijke manifestatie laat demonstreren, nl. de toenemende onhelderheid en onduidelijkheid t.a.v. hetgeen men zich bij het woord oecumenisch en oecumene blijkbaar denkt. Als ds. Oomkes dan ook schrijft, dat 't de hoogste tijd wordt, dat onze Synode zich uitspreekt voor of tegen de Wereldraad van Kerken, of, zoals ds. Schippers zegt, dat het voor ons een levensbelang is, dat wij gemeenschappelijk tot een beslissing komen, zou daarom mijn bescheid zijn: als onder een uitspraak ten gunste van de Wereldraad van Kerken verstaan zou moeten worden, dat wij dus voortaan van hoog tot laag overal "bij" zijn en aan alles meedoen wat zich met de naam van oecumenische actie dekt, hoop ik oprecht, dat wij er dan voorlopig maar buiten blijven.
In hetzelfde artikel gaat prof. R. ook nog in op een besdhouwinig van ds. Ruitenberg over genoemd congres. Het gaat dan over het instorten van 'allerlei (kerk)muren op het schallen van de trompetten van Jericiho die de jongeren hier aan de mond gezet hebben. Prof. R. schrijft:
Wat in het hele betoog treft, is, dat eigenlijk niet serieus wordt genomen, dat niet bereid is zich a priori op te geven en als muur te laten slechten. Ook al zou men met bepaalde steekhoudende dogmatische redeneringen zich tegen een dergelijke bulldozerij willen verzetten, het „maakt geen indruk" zegt ds. Ruitenberg. Want het kloppen van dogmatische redeneringen wordt niet (meer) als godsdienstige deugd ervaren. Hiermee moet dan tevens het niet of nauwelijks verdedigbare van de Geref. Kerk als afzonderlijk instituut worden aangetoond. Natuurlijk zijn de gereformeerden niet de enigen, die niet zonder meer voor de bijl of voor de bazuin willen. Men moet in het algemeen „de stroming aan de top in de gaten houden, die — zeker geestelijk denkt, maar — noodzakelijkerwijze toch de kerkelijke instituten voor ogen moet houden".
Het zou allemaal nog wel te verteren zijn — want het zich a priorisch buiten schot achten is in mijn ogen even onoecumenisch, als het zich a priori voor de smeltkroes beschikbaar stellen — als men uit het hele verhaal ergens één aanwijzing vond van wat de ene, heilige, katholieke kerk van Christus dan wèl is; en wanneer het goed duidelijk werd gemaakt, dat men in naam van die kerk en van die Heer óók moet zeggen: laat die en die scheidsmuur staan! Want alleen binnen die muren wordt de kerk verenigd.
We hebben hier weer een voorbeeld van de botsing tussen de denkwereld van de oecumenische beweging en de dogmatische redeneringen die er in de gereformeerde kerken (nog) leven. We hebben de indruk dat deze twee onverzoenlijk tegenover elkaar staan en dat we het niet zullen beleven dat de oecumenische beweging bereid zal zijn ook maar iets te gaan in de richting van de gereformeerde visie. Dat heeft afgedaan en is ouderwets ; en waarlijk niet alleen in de ogen van de jongeren. Niet zonder zorg slaan we de gang van zaken in de gereformeerde kerken gade. Zou hier gekozen worden voor de „antithese", dan dient men er mee te rekenen, dat men daarmee de toejuichingen van actueel, modern, progressief enz., zal moeten inruilen voor de geselslagen van de tegengestelden daarvan. Een mens loopt nu eenmaal liever te zingen en te trompetten onder een wapperend vaandel, dan te zuchten onder een schrijnend kruis.
Ook de besprekinig op de synode van de gereformeerde kerken te Groningen van de uitspraken van de synode van Assen 1926 inzake Genesis 3 heeft nog al de aandacht getrokken in de kerkelijke pers. Ds. Groenewoud wijdt er een artikel aan in het Hervormd Weekblad. Hij schrijft o.a. :
Men meende dus, het gezag der Schrift te handhaven. Geelkerken c.s. zagen het anders. Thans zien ook vele gereformeerden die in de kerk bleven, het anders. Thans ziet zelfs de synode het anders. Een enkele uitlating wijst er op, dat ook ter synode wel is gevoeld, dat de gehele schriftbeschouwing met deze zaak samenhangt. Men zou kunnen zeggen, dat Geelkerken de synode een eind vooruit is geweest. Hij werd als een ketter veroordeeld. En nu, na zoveel jaren komt de synode achter hem aan. Het is een kwestie geworden van achterop zijn. Eigenlijk geldt dit ook van Karl Barth, de grote ketter volgens vele gereformeerden, niet in de laatste plaats om zijn schriftbeschouwing. Welnu, wat geeft men zelf voor deze ketterij in de plaats, dat beter, en dieper is, dat meer op de hoogte is van al de problemen die hiermee samenhangen?
Ik vind het wat schraal, dat de synode is blijven hangen in de vraag naar de wenselijkheid om de binding aan de Asser uitspraak op te heffen, en deze gehele zaak niet heeft gezien in een veel wijder verband. Men heeft de vragen aangaande de leer der Schrift niet nadrukkelijk aan de orde gesteld. Om dit laatste is het me in dit artikel te doen.
Wat is nu handhaving der belijdenis? Hebben de gereformeerde kerken de belijdenis aangaande de Heilige Schrift gehandhaafd door de Asser uitspraken bindend te verklaren? Of is het eigenlijk een slag in de lucht geweest. Of heeft men, erger, deze belijdenis in de weg gestaan, en voor handhaving van het gezag der Schrift iets gehouden wat het in de grond der zaak niet was? En wat maakt men er nu van?
We kunnen niet nalaten in dit verband nog een stukje geschiedenis rondom Assen 1926 door te geven. We nemen het over uit de persschouw van Waarheid en Eenheid, die het vond in een artikel van ds. Boerkool in De Bazuin :
Schokkende taferelen hebben we toen beleefd. Het leek wel, of er een lijstje ernstig verdachten, half verdachten, en dominees, van wie men niet wist of men hom of kuit aan hen had, bestond, dat afgewerkt moest worden. Ook was er een predikant, die tot zijn eigen verwondering in het bankje der aangeklaagden werd getrokken. Ds. W. E. van Duin, nog niet zolang in Haarlemmermeer-Oostzijde werkzaam, was voor zichzelf met de uitspraken van Assen niet in het reine. Hij hoopte op nader licht en begaf zich daartoe naar een genabuurde collega, een fervent voorstander van Assen. Hij verzeilde in het hol van de leeuw. Want die collega gaf onmiddellijk een seintje aan de kerkeraad van Oostzijde; deze kwam onmiddellijk zonder voorkennis en in afwezigheid van de praeses bijeen; en bot legde hij aan zijn dominee een aantal vragen ter beantwoording voor. Toen liep het van kwaad tot erger. De arme dominee, totaal overbluft door deze gang van zaken, raakte al meer verschrikt. Hij werd er overspannen van. Hij wilde rust hebben. Maar de broeders gunden hem die rust niet. Op een vergadering van de Classis deelde een van zijn ouderlingen, een potige hereboer mee, dat hij geen toegang in de pastorie kreeg. Hij had toen eenvoudig de deur ingetrapt. Dat was geen huisvredebreuk, want de pastorie behoorde aan de gemeente! En nog zie ik mijn buurman aan de classicale tafel voor me, een gemoedelijke man, die doordat hij in het buitenland had gewerkt, met de toestanden hier niet zo op de hoogte was, maar werkelijk niet aan de zijde van Geelkerken stond. Hij smeet zijn potlood over de vloer en riep: je zou hier waarachtig Geelkerkiaan worden! Een ander zei: wie twijfelt er nog aan het bestaan van de slang? Het dier kruipt hier onder ons rond!
Daarop volgden de procedures. Ds. van den Brink van Zantvoort, een voorganger van ongerepte gereformeerde belijdenis, uit het ambt ontzet. De reeds gebroken ds. Van Duin onwaardig om langer het ambt te bekleden. En toen het beëindigd was, alsof het nog niet vreselijk genoeg was, drong een der predikanten er op aan, dat nu de stemmers tegen de afzettingen aan de tand gevoeld zouden worden. Professor dr. H. H. Kuyper, die op een der vergaderingen een college had gegeven van het nieuwe Kerkrecht, stak daar evenwel een stokje voor.
We hadden het al over de dogmatische onverschilligheid en ongeïnteresseerdheid als verschijnsel van deze tijd. Een symptoom daarvan is ook, dacht ik, dat men lustig naast elkaar laat staan en aan elkander verbindt dingen waarvan men terstond — als men ze serieus neemt — moet zeggen : deze twee sluiten elkaar uit, we zullen moeten kiezen tussen het één of het ander.
In de oecumene werkt men samen met de Grieks-Katholieke, de Oosters-Orthodoxe, de Anglicaanse en - als het lukken wil straks ook nog met de Roomse Kerk. We treffen daar ambtsopvattingen aan die voor ons besef veel te vergaan, waarbij we denken aan de eis van ambtelijke successie, ambtelijke wijding en wat dies meer zij. Het heeft er wel eens de schijn van dat men, terwille van de eenwording, het dan maar aan wil sturen op het angilicanisme als compromis tussen de verschillende opvattingen en inzichten. Want we moeten naar de eenheid toe en daartoe moeten we het er voor over hebben dat er allerlei Jericho-muren vallen. Om die reden worden reeds allerlei zaken op oecumenisch niveau behandeld. Een merkwaardige uitzondering daarop vormt de kwestie van de Vrouw in het Ambt. Van alle kanten wordt deze zaak weer naar de voorgrond gedrongen, maar er is geen sprake van een bezien van deze dingen op oecumenisch niveau. We moeten zelfs nog verder gaan. Als dit punt ter sprake komt, ziet men zelfs gebeuren dat men er ongeveer helemaal geen ambtsopvatting meer op na houdt, zodat men zich soms bijna verplaatst waant in de atmosfeer van de sekten en de geestdrijvers.
Tot deze gedachte kwamen we bij het lezen van het artikel van dr. H. M. Bolkestein in Woord en Dienst, getiteld: De vrouw zwijge in de gemeente. Met het nieuwe testament wil hij aantonen, dat we ons niet langer mogen verzetten tegen de vrouwelijke predikant, want in het nieuwe testament komen we heel wat vrouwen tegen die gepreekt hebben. Als we namelijk lezen van verschillende vrouwen, dat zij gearbeid hebben in het evangelie en in de Heere, dan zijn dat uitdrukkingen die Paulus ook gebruikt van zijn eigen dienst als evangelie-prediker. We lezen dit van Tryphena en Tryphosa, Maria en Persis o.a. Dr. Bolkestein is nu heel gauw klaar met zijn conclusie; „Deze vrouwen hebben dus deelgenomen aan de prediking van het evangelie".
Maar ook als een vrouw optreedt als gastvrouw voor de gemeente is de zaak zonder meer duidelijk. Lydia en Chloë bv. hebben de gemeente in hun huis ontvangen. Dr. B. concludeert: „Zij zullen aan die huisgemeenten niet alleen gastvrijheid gegeven hebben, maar ook leiding". Vervolgens wijst hij op het „preken" van Maria en Elisabeth in hun lofzangen en op de vrouwen op Paasmorgen.
Als we deze dingen allemaal lezen, mogen we toch niet langer de vrouw van het predik-ambt weren. En wat de zogenaamde zwijgteksten betreft (1 Cor. 14 : 34, 35 en 1 Tim. 2 : 12), daar merkt dr. B. het volgende over op:
Het gaat over getrouwde vrouwen, niet over vrouwen in het algemeen. In vers 35 is duidelijk sprake van „haar mannen". Paulus wijst aan getrouwde vrouwen in het huwelijk een plaats van ondergeschiktheid aan hun mannen aan. En hij meent, dat daaraan tekort gedaan wordt, wanneer getrouwde vrouwen in de samenkomsten der gemeente „spreken". Paulus beroept zich daarvoor op „de wet" (vs. 34). Over welk spreken gaat het nu? Het woord dat hier in het Grieks staat, is een algemeen kleurloos woord. Het is niet de technische term voor de prediking van het evangelie. Die wordt dus niet aan de bedoelde vrouwen ver verboden... Maar waarschijnlijker is het te danken aan de discussie, die in de gemeentelijke samenkomsten plaats vond. Daar werden vragen gesteld, daar werden de geesten der profeten getoetst. Het deelnemen aan deze discussie wordt de (gehuwde) vrouwen ontzegd. Waarom? Omdat dit het decorum van de vrouw schaadt, zegt Paulus (vs. 35), het strookt niet met de ondergeschiktheid, die hen past tegenover hun mannen (vs. 34).
We willen alleen maar opmerken, dat deze „vlotte" exegetische vondsten de dogmatisdhe onverschilligheid onderstrepen; en we vragen ons af of het in uitzicht gestelde rapport over Het Ambt daar nog verandering in zal vermogen aan te brengen. Wel wordt het ons weer eens te meer duidelijk dat zo'n dogmatische en exegetische studie over het Ambt waarlijk geen overbodige luxe is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's