DE RAAD GODS
PROF. DR. J. SEVERIJN
Alvorens over de kerk te handelen, zoals uit de leer der verkiezing volgt, nog een enkele opmerking over de Raad Gods, zij het ook om te motiveren, dat we over dit stuk des geloofs heel sober zullen zijn. Er zijn theologen, die over de Raad Gods geschreven hebben, alsof zij in het boven alle menselijk denken verheven cabinet van de Drieënige God hadden geschouwd. Ook Barth, blijkbaar terwille van zijn venkiezinigsleer, weet, dat God in Zijn Raad heeft uitgemaakt, wat Hij niet wil, en de supra- en infra-lapsariërs hebben zich aangematigd over de volgorde van de besluiten Gods te handelen om tegemoet te komen aan hun theologische moeilijkheden, hoewel zonder het gewenste resultaat.
AI zulke scholastieke vrijpostigheden worden ten enenmale beschaamd door het profetische Woord, ons in Jesaia geopenbaard : „Want Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet Mijne wegen, spreekt de Heere; want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijne wegen hoger dan uwe wagen en Mijne gedachten dan ulieder gedachten". (Jesaja 55 : 8 V.V.).
Daarom, laat ons buiten hetgeen omtrent de Raad Gods geopenbaard is, eerbiedig zwijgen. We weten uit de Heilige Schrift, dat Gode al Zijn werken van eeuwigheid bekend zijn (Hand. 15 : 18) en dat alles geschiedt naar de bepaalde raad en voorkennis Gods.
Als Bavinck van de besluiten Gods gewaagt, maakt hij een waardevolle opmerking : „Deze besluiten worden ons in de Schrift niet in het afgetrokkene beschreven, maar in de historie zelve ons voor ogen gesteld. God is Heer der ganse aarde en betoont dat van dag tot dag in de schepping, onderhouding en regering aller dingen". (Geref. Dogm. II, 350).
De Raad Gods is ons niet geopenbaard in abstracte besluiten. Daarom past het ons niet dergelijke besluiten toch te formuleren, al mag men geloven, dat God tot uitvoering van Zijn voornemen besluit. (Efeze 1 : 9 en 10).
Wat echter de Raad Gods ten aanzien van de schepping, onderhouding en wereldregering aangaat, die Raad openbaart zich in concreto in de genoemde werken. De Raad Gods ligt voor ons open in de wereld en in ons leven en we merken daarvan zoveel op, als wij daarvan vermogen te ontdekken. Wij leven in de vervulling van de Raad Gods en nochtans verstaan we er biuten de bijzondere openbaring om weinig of niets van. Als art. II van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de algemene openbaring Gods spreekt in de schepping en ondenhouding der wereld, wijst ze ons de facto op die concrete openbaring van de Raad Gods. En terecht wijst Calvijn op de Heilige Schrift als op een bril, die wij nodig hebben om in dat boek der schepping beter te kunnen lezen. (Inst. I. 6. 1.).
Edoch, heel de wetenschap bemoeit zich met grote ijver en toewijding om iets meer van de werken Gods te verstaan : de zg. natuurwetenschap, de wetenschap der historie en de hulpwetenschappen, waarvan ze afhankelijk zijn: wiskunde, taalwetenschap, etc. In de grond der zaak is het uitgebreide corps van geleerden en onderzoekers door alle eeuwen heen bezig met de werken Gods, „die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil". (Efeze 1 : 11). Zij weten het echter niet. Ze zien het niet als werken Gods, nog minder als vervulling van de Raad Gods. Zo bestuderen ze in het algemeen noch de natuurlijke historie, noch de geschiedenis der mensenwereld. In het algemeen leeft men bij de gedachte, dat men bezig is met „natuurlijke" verschijnselen, „natuurlijke" nevensprocessen, „natuurlijke" gang van zaken, alsof dit voldoende klaar en duidelijk is. Het is ook wel klaar en duidelijk, n.l. dat het begrip „natuur", „natuurlijk", een veelgebruikt asyl voor vrijblijvende neutraliteit is. Doch ook in deze zaak is geen plaats voor neutraliteit. Dat spreekt voor allen, want het woord natuur wil de hele wereld, „met al, wat er in is", omvatten, maar het verklaart niets. En, waneeer iemand in ernst zou willen beweren, dat alles natuurlijk is en dat alle dingen een natuurlijk verloop hebben, kan een ander met meer recht daartegenover stellen, dat niets natuurlijk is, omdat alle dingen hun oorsprong, wezen, werking en bestemming hebben in de wil Gods.
Wie met dit gegeven der Godsopenbaring ernst maakt, zal erkennen, dat de ganse wereld, met alles, wat er in is, in al zijn veelvuldige verscheidenheid en met geheel zijn historie in concreto voorstelt en in schepselmatige gestalte en beweging vertegenwoordigt, wat God zich in Zijn bepaalde Raad (bepaald aangaande deze wereld) en voorkennis heeft voorgenomen. Nog eens, wij leven in de werkelijkheid van de vervulling van Gods Raad betreffende de gekende en ongekende realiteit, die wij „wereld", of „schepping", „creatuur", „kosmos", „mundus", „universum" noemen en wij maken daarvan deel uit, ja, zijn geroepen, daarover, althans over de aarde, heerschappij uit te oefenen.
Dat betekent, dat we evenals alle creaturen dienstbaar zijn in Gods wereld, dienstbaar overeenkomstig Zijn Raad — doch in onderscheiding met de aan de mens onderworpen flora en fauna der aarde — dienstbaar in een heersersbetrekking, welbewust en met kenvermogen toegerust, d.w.z. dienstbaar onder de eis der gehoorzaamheid aan Zijn wil en in die staat versierd met koninklijke waardigheid : Gods medearbeiders.
Er is alzo niet de minste aanleiding om in abstracto te filosoferen over de Raad Gods, en hoe dat goddelijk overleg is, wat het omvat, en welke de onderlinge verhoudingen van Gods voornemens en besluiten zijn. Veeleer is er aanleiding om te vragen naar de openbaring van Gods Raad door Zijn Woord omtrent de toekomst der wereld, want dit te kennen valt buiten ons tijdelijk en beperkt vermogen.
Wel is de mens bezig met hetgeen zijn zal, maar hij kan daaromtrent slechts dromen overeenkomstig de idealen zijner verbeelding, en die zijn altijd aards uit de aarde. Kennis en wetenschap zijn de machtigste middelen zijner heerschappij, maar zij zijn beperkt tot de dingen, die gezien worden. Zowel in de wereld van het zeer grote, het universum, als in die van het zeer kleine, de wereld van atomen en moleculen, de „bouwstenen" van het heelal, heeft, de wetenschap in de laatste eeuw buitengewone vorderingen gemaakt door de ontdekking van een wondere orde en organisatie in de eerste beginselen der dingen. We zouden willen zeggen, ze is door die ontdekkingen ingeleid in de verborgen werkkamer Gods. Daar aanschouwen ze de wonderen van Zijn voorgenomen Raad der schepping. Er is wel een tijd geweest met minder diepgaande ontdekkingen, waarin men meer oog had voor de werken Gods. Dat is trouwens geen zaak van „wetenschappelijke" kennis, maar van geloof. Daarom kon Calvijn de heerlijkheid en schittering van Gods macht en wijsheid bewonderen en verstaan, dat de wereld een schouwtoneel der onzienlijke dingen is, omdat de harmonische orde der wereld voor ons als het ware een spiegel is, waarin we God, die overigens onzienlijk is, kunnen aanschouwen. (Inst. I. 5. 1).
„Zowel in de hemel als ook op aade zijn ontelbare bewijzen, die getuigen van Zijn wonderbare wijsheid", schrijft hij verder, en als schreef hij voor onze tijd : „niet slechts dit meer verborgene, tot wier nadere beschouwing de sterrenkunde, de geneeskunde en de gehele natuurwetenschap bestemd is, maar ook die, welke zich voordoen aan de blik van de ongeleerde leek, zodat de ogen niet geopend kunnen worden, of ze worden gedwongen er de getuigen van te zijn". (Inst. I, 5. 2). Instede van de menselijke geest te roemen, omdat hij doordringt in de verborgenheden van Gods Voorzienigheid, dieper dan de geleerde onderzoekers van voorheen was beschoren, paste het de tegenwoordige mens meer te getuigen van de heerlijkheid Gods, wijl hij meer dan de voorgeslachten aanschouwer is van de wonderen van Zijn Raad en Voorzienigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's