SCHOOLJEUGD EN TELEVISIE
I.
Wie belangstelling heeft voor vele getallen komt in ons land spoedig terecht bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze instelling verzamelt op vele terreinen wetenswaardige getallen en geeft deze in haar publikaties weer door. Zo heeft dit bureau in 1957 een onderzoek ingesteld omtrent het bovengenoemde onderwerp. Daarover wordt verslag uitgebracht in een tweetal uitgaven van dit bureau, getiteld : Schooljeugd en televisie, Herfst 1957. Deel 1 Kijkgewoonten en kijknormen en Deel 2 Invloed op schoolprestaties en belangstellingsrichting. Beide zijn uitgegeven bij de Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Zeist 1959.
Het is mijn voornemen een en ander uit deze publikaties weer te geven voor onze lezers. Mocht iemand echter meer gefundeerd hieromtrent willen worden ingelicht, dan moet ik hem aanraden deze publikaties zelf aan te schaffen.
In de inleiding wordt gewezen op de sterkere invloed, die van de televisie uitgaat dan van de pers, radio enz., tengevolge van de combinatie van beeld, woord en klank, die de televisie geeft. Ook gaat er een vrij constante invloed van uit, omdat het toestel zich in de huiskamers bevindt. Tenslotte worden deze beide effecten nog versterkt doordat het televisie-apparaat zo geheel en al beslag legt op de toeschouwers.
Interessant zijn voor ons onderzoekingen, die in het buitenland zijn gedaan, omdat men daar verder is gevorderd met het gebruik van de televisie dan ten onzent.
Uit verschillende Amerikaanse enquêtes kwam vast te staan dat televisietoestellen aanvankelijk voornamelijk gekocht werden door mensen met een inkomen boven het gemiddelde. Daarna echter verspreidde de televisie zich betrekkelijk snel onder alle inkomensgroepen, zodat momenteel er minder verschil in „televisiedichtheid" is tussen de diverse inkomens-categorieën. Nog steeds echter vertonen de mensen met de laagste inkomens een zekere „achterstand" wat betreft televisiebezit.
Ook bleek uit deze onderzoekingen dat er onder de mensen met een academische vorming in het begin een zekere weerstand was tegen de televisie. Ook in deze groepering is echter het televisiebezit in de loop der jaren dusdanig toegenomen, dat er momenteel weinig of geen verschil meer is op het punt van de aanwezigheid van een televisietoestel tussen mensen met een verschillend opleidingsniveau.
Voorts is ook thans nog het Amerikaanse televisiepubliek overwegend in de grote steden geconcentreerd. In de grote Amerikaanse steden met meer dan een miljoen inwoners is de televisie „dichtheid" bijna tweemaal zo groot als op het platteland.
Daarnaast noemen wij nog de gezinsgrootte als factor, die blijkens de Amerikaanse studies van invloed is op het al dan niet kopen van een televisietoestel. Gezinnen waar geen kinderen zijn, hebben minder vaak een toestel dan gezinnen waar wèl kinderen zijn.
Wat tenslotte de verspreiding in de Verenigde Staten van de televisie in het algemeen betreft, in januari 1958 had 83 % van alle Amerikaanse gezinnen een televisietoestel.
De Engelse onderzoekingen naar de samenstelling van het televisiepubliek geven nagenoeg dezelfde resultaten te zien. Ook hier werd geconstateerd dat aanvankelijk de wèlgestelden in meerdere mate tot aanschaf van een televisieapparaat overgingen dan de „minder gegoeden", maar dat in de loop der jaren dit verschil tussen de inkomensgroepen minder werd.
Eveneens constateerden de Engelse onderzoekers, dat er een tendentie was onder hen, die relatief meer opleiding genoten hadden, om in mindere mate een televisietoestel te bezitten dan onder hen, die betrekkelijk weinig opleiding achter de rug hadden.
Eind 1957 had 55% van alle Britse gezinnen de beschikking over een televisietoestel.
Enquêtes, waarin nagegaan wordt hoeveel uur per dag gemiddeld het televisietoestel aanstaat, tonen aan dat in 1955 ongeveer 5 uur per dag door het gemiddelde Amerikaanse gezin, waar zich een televisieapparaat bevond, werd gekeken. Men beseffe, overigens, dat in dit gemiddelde eveneens de uren verdisconteerd zijn, dat de huisvrouw het toestel heeft aanstaan tijdens het verrichten van huishoudelijke bezigheden ; hierbij is dan natuurlijk van een intensief televisiekijken geen sprake.
Plaatselijke onderzoekingen in de Verenigde Staten geven echter ook een opmerkelijk hoog cijfer voor het aantal uren per dag en per persoon besteed aan de televisie te zien.
In een studie uitgaande van de universiteit te Boston, Mass., bleek dat in deze stad ongeveer driekwart van de televisie bezittende ouder is op een door de weekse avond naar de televisie kijkt. Ongeveer 58 % van hun kinderen boven de 18 jaar kijkt ook op zo'n avond. De ouders besteden gemiddeld 2,5 uur per weekavond aan de televisie, terwijl de kinderenboven de 18 een gemiddelde televisie-„kijkduur" van bijna 2 uur halen.
In de staat lowa keken mannen boven de 18 jaar gemiddeld 3 a 3,5 uur per dag naar de televisie, vrouwen boven de 18 jaar 4,5 a 5 uur, de jeugd tussen 12 en 18 jaar gemiddeld meer dan 3 uur en kinderen van 4 tot 11 jaar ongeveer 3,5 uur.
Uit deze zelfde enquête bleek dat voor alle leeftijdsgroepen de televisiebezitters in de steden een gemiddeld kortere „kijkduur" hadden dan de kijkers in de dorpen, terwijl deze laatsten weer gemiddeld minder lang kijken dan mensen met een televisietoestel op het platteland.
In Engeland wordt blijkbaar niet zo heel veel minder dan in Amerika van de televisie gebruik gemaakt. De gemiddelde Britse televisiekijker kijkt gedurende ongeveer 40 % van de tijd, dat de televisie „in de lucht" is.
Verder zijn er in Engeland de nodige verschillen tussen diverse sociale milieus wat betreft de kijkfrequentie. Mensen met een relatief hoog opleidingsniveau, een relatief hoog inkomen en uit de „hogere beroepsgroepen" kijken minder vaak dan mensen uit overeenkomstige „lage" sociale groeperingen.
Een Amerikaanse enquête in New York en omstreken leverde het overigens voor de hand liggende resultaat op, dat hoe meer onderwijs de kijker genoten had, hoe meer hij de voorkeur hechtte aan de „zware" (forum, serieus toneel) in tegenstelling tot de „lichte" (musical, films, gezelschapsspelen e.d.) genres. Voorts bleken de voorkeuren nogal uiteen te lopen naar geslacht en leeftijid. Vrouwen b.v. hebben veel minder voorliefde voor uitzendingen over sport dan mannen, ouderen houden meer van „praat-programmas" (nieuws, forum, gezelschapsspelen) dan jongeren.
Zowel in Engeland als in de Verenigde Staten geven praktisch alle onderzoekingen duidelijk aan dat de radiobeluistering en het bioscoopbezoek het meest te lijden hebben gehad van de stormachtige ontwikkeling van de televisie.
Wat andere vormen van vrije-tijdsbesteding aangaat, zijn de uitkomsten minder duidelijk. Bogart concludeert voor Amerika, dat toch wel tamelijk overtuigend is aangetoond, dat het televisiebezit een negatief effect had op 't lezen. Maar ten aanzien van b.v. verenigingsleven, muziekbeoefening, liefhebberijen, etc. lopen de meningen uiteen. In ieder geval zijn de verschuivingen, teweeggebracht in deze vormen van ontspanning en ontwikkeling niet van de orde van grootte als de veranderinigen op het gebied van radiobeIuistering en bioscoopbezoek.
Eén der interessantste studies op dit gebied is wel het door de B.B.C, uitgevoerde onderzoek naar de gevolgen voor de belangstelling voor, en de activiteit van het publiek in allerlei bezigheden. Een opvallend resultaat van dit onderzoek is wel dat de verschuivingen in de vrije-tijdsbesteding in het algemeen weinig bestendig zijn. Na een jaar of vijf heeft voor de meeste zaken de belangstelling, die aanvankelijk sterk terugliep na de aanschaf van het televisietoestel, zich weer op het vóór-televisie peil hersteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's