Kroniek
God doet wonderen, Een Talma-monument, Een bijzondere promotie, Het einde van een ding.
Heeft het nog wel zin iets over de mijnramp in Lengede en de redding eerst van drie en later van nog elf ingesloten mijnwerkers te schrijven? Men kent uit zijn dagblad wel heel de toedracht en alle bijzonderheden van de redding. Wat is er meer van te zeggen, dan wat reeds gezegd is? En bovendien, nauwelijks was de spanning om Lengede doorbroken, of nieuwe rampen werden ons gemeld. Uit Japan kwamen de tijdingen van een mijnexplosie en een botsing van twee treinen; het aantal doden wordt op ca. 600 geschat. Verdringt het een het ander niet? We leven in tijden waarin het „elk uur in perikel", wel bijzondere accentuering krijgt.
Alles waar, en toch... ik moet nog even bij Lengede stilstaan. De radiokrant van de N.C.R.V. meldde maandag 11 november j.l. „Langs de weg in Lengede staan borden, waarop geschreven staat: „God doet wonderen". En ook, dat zondag 10 november de kerken overvol waren geweest".
Beide berichten deden me goed. Vooral het eerste. Onze tijd is er een, waarin men het levensgebeuren hoe langer hoe meer los van God stelt, en buiten zijn ingrijpen en bestuur en leiding. Helaas wordt ook door wie de Naam des Heeren belijden, bij blijde en droeve — vooral bij de eerste — de naam Gods menigmaal verzwegen. Men is „blijde en dankbaar" bij de geboorte van zijn kind, doch voor Wie de dank in het hart leeft, verneemt men niet. Dat behoeft er schijnbaar niet bij. Zulks is geenszins naar het woord uit Spreuken 3 : 6; „Ken Hem in al uw wegen''
Van 't gebeuren in Lengede, las ik uitvoerig in „Trouw". Geen bijzonderheid werd vergeten; de redding der elven „een wonder", het „moest van boven komen", en zo maar meer. Het deed me verdriet, dat in dat relaas in ons Christelijk dagblad de naam des Heeren, naar ik meen, niet werd vermeld. Natuurlijk is die niet met opzet weggelaten, het is alles onwillekeurig, want men doet het niet meer zoals voorheen wel.
En zie, daarom deed het me goed, toen ik van die borden hoorde. Een belijdenis, wellicht van rooms en protestant samen: God heeft ze gered. Dit is wel treffend gebleken, in al die dingen, welke „men" toeval noemt, doch waarin Gods bestel zo duidelijk uitkwam.
Laat niemand, die God vreest, zwijgen van Zijn tekenen en wonderen: „al wat Hem behaagt doet Hij; in de hemelen en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden" (Psalm 135 : 6). Zo zullen we met woord en daad ingaan tegen de secularisatie, welke in onze tijden de geesten bekoort, ze van God afvoert, en Hem de ere rooft, die Hem toekomt op het private, maar ook publieke terrein des levens.
Zaterdag 9 november jl. is te ergum (Fr.) een borstbeeld onthult van wijlen ds. A. S. Talma, die in het ministerie Heemskerk minister van landbouw, handel en nijverheid is geweest en als zodandig de grondlegger van de sociale wetgeving, waarvan zovelen in deze tijden genieten. Dat wordt helaas zoveel vergeten. En daarom was het goed, dat deze dingen nog eens gezegd werden bij „de onthulling van zijn borstbeeld". Het initiatief tot de oprichting van dit „Talmamonument" ging uit van het breed provinciaal comité van de A.R. partij in Friesland. De Friese antirevolutionairen hebben het gedaan zonder enige bijdrage van regeringswege of welke instantie ook. Zij deden het uit eigen middelen. Een ereschuld. Want Talma heeft het district Tietjerksteradeel veroverd op mr. P. J. Troelstra en tot zijn optreden als minister vertegenwoordigd. Van dat district was Bergum de centrale plaats, van daar dat het borstbeeld in Bergum verrees.
Talma is in de politiek gekomen door zijn bewogenheid over sociaie misstanden en ongerechtigheden. Hij heeft in die weg gewerkt, en geworsteld om de toenmalige s.d.a.p. te bewijzen, dat juist wie gegrepen zijn door het Evangelie van Gods gerechtigheid in Christus, sociale ongerechtigheden moeten en kunnen bestrijden en wegnemen.
„Patrimonium", het ohr. werkliedenverb. had zijn liefde. „Leeuw van Patrimonium", zo werd hij meermalen genoemd, niet ten onrechte, want hij was de voortrekker, de vechtgeneraal van „Patrimonium". Geen wonder, dat ook uit die kring een levensgeschiedenis van hem is verschenen. Voorts is het grote werk, dat hij voor de sociale wetgeving heeft verricht, beschreven in twee dissertaties.
Als minister heeft Talma een werkkracht ontplooid, welke die van Thorbecke overtrof. Hij heeft zich gegeven, geheel en voluit voor het grote werk en dat als Evangelie-belijder en staatsman. Latere bewindslieden hebben voortgebouwd op Talma's fundament. Daardoor is deze strijder voor christelijke gerechtigheid op sociaal terrein niet steeds de ere gegeven, die hem toekomt. De mensen zien immers alleen een gebouw en vragen dan niet naar het fundament.
Toen het minisiterie Heemskerk moest plaats maken voor dat van Cort van der Linden, was er niemand in zijn partij, die voor hem opstond opdat Talma weer kamerlid kon worden. Hij werd opnieuw predikant en wel in Bennebroek. Na bevestiging door zijn zwager wijlen dr. P. Kromsigt, deed de ex-minister zijn intrede met de tekst: Psalm 27 : 4 „Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel".
Toen de 1e wereldoorlog uitbrak, heeft Talma zich al spoedig beschikbaar gesteld als onbezoldigd veldprediker. Hij heeft vele kampementen tot in Schiermonnikoog toe bezocht en aan vereenzaamde gemobiliseerden 't Evangelie gebracht.
Talma, van Friese stam, al was hij in Angeren geboren, is ook in zijn politieike loopbaan dienaar des woords geweest. Tijdens zijn ministerschap heeft hij, meen ik niet gepreekt. Maar als kamerlidwel. Eens heb ik hem in die tijd gehoord; het was machtig, en toch eenvoudig. In 1916 is hij afgelost van zijn post.
Het is goed, dat aan de nagedachtenis van deze Evanglie-belijder — dat was hij ook als staatsman! — een monument is gewijd. Hoe het er precies uitziet weet ik niet. Dat stond niet gedetailleerd in het artikel in Ned. Gedachten, d.d. 9 nov. 1963, waaraan ik het bovenstaande grotendeels ontleende.
Het roept in herinnering een leven, dat wilde uitdragen de tekst: „Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan zijn ziel ? " Matth. 16 : 26.
Een bijzondere promotie had vrijdag 8 november j.l. in Amsterdam plaats. Toen is nl. de doctorsbul namens de theoloigische faculteit der Vrije Universiteit verleend aan de hoogleraar in de kerkgeschiedenis en aanverwante vakken aan de theologische hogeschool der geref. kerken te Kampen. Op zichzelf was dit wel bijzonder, al is het meer voorgekomen, dat iemand, reeds hoogleraar zijnde, promoveert. In zijn toespraak tot de gepromoveerde, prof. C. v. d. Woude, gaf de promotor prof. dr. D. Nauta, meerdere voorbeelden van mannen, die reeds hoogleraar zijnde, of tot hoogleraar benoemd geworden, de doctorstitel behaalden. Wellicht is Arminius daarbij ook genoemd, want als ik me goed herinner, werd deze korte tijd na zijn benoeming tot professor, tot doctor theologiae geproclameerd door Gomarus. Het ging dus meerderen als prof. v. d. Woude. Maar dan zullen ze wel jonger geweest zijn, dan de Kamper hoogleraar, die volgens mijn bronnen — „Trouw" en „De Rotterdammer" — 67 jaar is en reeds ongeveer 4 jaren zijn ambt heeft vervuld. De doctorstitel is dus niet vereist om een professoraat te bekleden, al komt het zelden voor, dat een niet gepromoveerde een academische leerstoel inneemt.
Het bijzondere bij deze promotie is veel meer, dat de „jonge doctor" reeds op zo vergevorderde leeftijd is. En dan verder, dat hij, gelijk ik las, ongeveer dertig jaar aan zijn proefschrift gewerkt heeft. De titel van zijn dissertatie luidt: „Sibrandis Lubbertus, zijn leven en werken in het bijzonder naar zijn correspondentie".
Deze dissertatie, ca. 600 blz. tellend, is eigenli|k meer dan een proefschrift. Het is de voldragen vrucht van een levensarbeid besteed aan een man, op wiens bijzondere verdienste door meerdere historicie aandacht was gevestigd.
Sibrandus Lubbertus stamt uit Duits Friesland. Hij heeft o.m. in Wittenberg gestudeerd, doch noch Luther, noch Melanchton meegemaakt. Hij heeft ook Calvijn niet gekend, wel Beza. In Friesland heeft hij een invloedrijke positie ingenomen. Hij was voor hij hoogleraar in Franeker werd, hofprediker van de Friese stadhouder Willem Lodewijk.
Lubbertus was de eerste theoloog aan de Franeker academie. Hij heeft een Europese naam gekregen, niet door nieuwe oorspronkelijke ideeën op theologisch terrein, doch door zijn verdediging van het erfgoed der Reformatie tegen de contra-Reformatie, het socinianisme en het remonstrantisme. Zo was zijn naam en faam ver buiten Friesland bekend, mede doordat hij een werkzaam aandeel had in de voorbereiding van de Dordtse Synode, en een van haar invloedrijke leden was.
Met Hugo de Groot heeft Lubbertus ook meerdere contacten gehad, welke de Groot hoop schijnen gegeven te hebben dat Lubbertus van diens pogingen tot een zekere verzoening der tegenstellingen niet geheel afkerig zou zijn. In hoeverre dit juist is, kan ik niet beoordelen. Ik weet het uit andere bron, dan v. d. Woudes dissertatie.
De promotie geschiedde cum laude.
Zo mag prof. v. d. Woude de voldoening smaken in zijn werk het beeld te hebben getekend van een man, die op de bres heeft gestaan voor het erfgoed der Reformatie. Daarin zij hij allen, die van de gereformeerde gezindte zijn tot een stimulerend exempel. Aan prof. v. d. Woude onze gelukwens en de dank voor zijn arbeid.
Zaterdag 9 november heeft de opheffing van de Federatie van Diaconieën haar beslag gekregen. Zij is overgegaan in de Generale Diaconale Raad. Een en ander heeft zijn beslag gekregen in een vergadering van afgevaardigden van alle herv. diaconieën. Of die allen zich hebben doen vertegenwoordigen? Deze fusie, of hoe men wat gebeurde belieft te noemen bedoeld heel het diaconaat onder één hoofd te verenigen, om aldus beter en intenser de diaconieën te kunnen leiden en bezielen tot nieuwe taken. Op de vergadering van 9 november j.l. is de zorg voor de „gehandicapten" aan de orde geweest.
Bij de opheffing van de Federatie van Diaconieën heeft ook ds. v. d. Hooff, de praeses van de Generale Synode het woord gevoerd. Hij paste op deze opheffing het woord van Prediker toe:
„Het einde van een ding is beter dan haar begin". Pred. 7 : 8. Aldus meldde „Trouw" d.d. 11 nov. j.l. Of het inderdaad zo zal zijn ? Hoe dan ook : bij al de Raden heeft de kerk thans ook een diaconale. Ook de diaconieën zijn nu kerkelijk ingeschakeld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's