SCHOOLJEUGD EN TELEVISIE
II.
In het boekwerk Schooljeugd en televisie. Herfst 1957, Deel I. Kijkgewoonten en kijknormen, uitgegeven door W. de Haan, Zeist, brengt het C.B.S. verslag uit van een in 1957 ingesteld onderzoek onder leerlingen van de eerste en tweede klassen van middelbare scholen, van uloscholen en van nijverheidssdholen. Men wenste de volgende vragen beantwoord te zien : welke zijn de televisiekijkgewoonten van de Nederlandse jeugd ; welke zijn de kijknormen, gesteld door de ouders ten aanzien van het kijken naar de televisie door de Nederlandse jeugd ; welke is de invloed van het televisiekijken op de schoolprestaties en de algemene ontwikkeling van de Nederlandse schooljeugd ; welke is de houding van de leerkrachten bij het Nederlands onderwijs ten opzichte van de televisie ? De beide eerste vragen worden in deel 1 beantwoord ; de beide laatste in deel 24.
Het onderzoek vond plaats uit ongeveer 14000 leerlingen op 151 scholen. Van deze leerlingen bezochten 21% het v.h.m.o., 45% het ulo en 34% het n.o. Daarnaast werden de moeders ondervraagd van leerlingen, die in de steekproef van de leerlingenenquête vielen voor zover zij :
1. thuis televisie hadden en
2. thuis geen televisie hadden, maar uitgekozen werden voor de z.g.n. vergelijkingsgroep.
Voor degenen die belangstelling hebben voor de wijze van uitvoering van dit onderzoek, wijs ik op het boekwerk zelf; daarin is alles uitvoerig beschreven en kan men ook alle getallen vinden, waarop de conclusies gebaseerd zijn. Dit artikel kan zich alleen bezig houden met de gevonden resultaten.
Met de moeders zijn ongeveer 2400 vraaggesprekken gevoerd; dit maakt duidelijk hoe omvangrijk een dergelijk onderzoek is.
Ten aanzien van de kijkgewoonten werd het volgende gevonden.
1. Ongeveer 10% van de hier bestudeerde schooljeugd heeft televisie thuis. Meer dan de helft echter van de leerlingen, die geen televisie thuis hebben, kijkt min of meer regelmatig bij anderen naar televisie-uitzendingen.
2. Er wordt ongeveer even frequent naar de uitzendingen op woensdagmiddag als op zaterdagmiddag gekeken door de leerlingen. Bovendien gaat het kijken op de ene middag samen met het kijken op de andere middag.
3. Om en nabij 90% van alle jongens en meisjes, die thuis televisie hebben, kijkt geregeld op zaterdagavond.
De meeste „zaterdagavondkijkers" volgen het programma tot het eind. Hoe vaker de kinderen op zaterdagavond kijken, hoe langer zij ook op zo'n avond kijken.
4. Van de overige weekavonden kijkt meer dan de helft van dekinderen, die thuis televisie hebben, op drie of meer avonden. In het algemeen ziet ongeveer 1/4 van alle leerlingen met televisie thuis, die op een andere avond dan zaterdagavond kijken, het programma tot het einde.
Ten aanzien van de andere weekavonden geldt, wat betreft leerlingen met televisie thuis, dat hoe hoger de kijkfrequentie is, hoe langer de duur van ki|ken is.
5. De kijkfrequentie met betrekking tot de zaterdagaond neemt toe met een stijgende kijkfrequentie voor andere avonden dan de zaterdagavond.
6. Ongeveer 1/3 van de leerlingen, die thuis televisie hebben, gaat 's avonds wel eens naar de televisie kijken als het huiswerk voor de volgende dag nog niet af is.
De frequentie van het kijken als het huiswerk nog niet af is neemt toe, naarmate er thuis minder toezicht is op het huiswerk van het kind en naarmate het kind ouder is.
7. Wat de verschillen tussen jongens en meisjes betreft:
a. Meisjes kijken meer naar de kinderprogrammas dan jongens.
b. Meisjes hebben over het geheel genomen een iets lagere totale kijktijd voor de avondprogramma's dan jongens.
8. Wat de verschillen naar schoolsoort betreft:
a. Van de kinderen, die thuis geen televisie hebben, maar wel regelmatig bij anderen kijken, frequenteren h.b.s.ers, lyceïsten en gymnasiasten de televisieprogramma's in mindere mate dan u.l.o. en n.o.-leerlingen.
Voor kinderen, waar wel televisie thuis is, geldt:
b. de leerlinigen van v.h.m.o.-schoten besteden minder tijd aan de televisieuitzendingen dan de u.l.o-scholieren, terwijl de laatsten weer een gemiddeld lagere kijktijd hebben dan ambachts- of huishoudschoolleerlingen.
c. N.O.leerlingen gaan vaker naar de televisie kijken, dan u.lo.- of v.h.m.o.scholieren, wanneer hun huiswerk voor de volgende dag nog niet af is.
Ten aanzien van de kijknormen in het gezin werden de volgende resultaten afgeleid:
1. Bij het overgrote deel van de geënquêteerde leerlingen waar thuis televisie is (90%), is de mate van kijken naar de televisie aan een of andere norm. gesteld door de ouders, gebonden.
2. Bijna twee-derde van de kinderen met televisie thuis, heeft vaste avonden, waarop ze naar de televisie mogen kijken. Meestal is dit de zaterdag- en/of de dinsdagavond.
3. Geschat wordt, dat maximaal 25% van de „televisiekinderen" ad libitum televisieuitzendingen mag volgen.
Ongeveer 30% van de kinderen heeft een matige kijktijd toegemeten gekregen, d.w.z. zij mogen 2 a 3 avonden per week het gehele programma of een gedeelte daarvan bekijken. Het kijken naar de televisie van een grote minderheid (plm. 40%) is aan vrij strenge restricties onderhevig. De hun toegestane kijktijd bestaat meestal uit één avond per week (vermoedelijk doorgaans de zaterdagavond) geheel of gedeeltelijk —, of meldere avonden alleen naar het journaal, kijken.
4. Jongens op een ambachtsschool genieten meer „kijkvrijheid" van hum ouders dan jongens op een u.l.o.- of v.h.m.o.-school. Bij meisjes is geen significant verschil tussen de verschillende schoolsoorten t.a.v. de regulering waar te nemen.
5. In ca. 9 van de 10 gevallen mogen de hier onderzochte leerlingen niet kijken naar programma's voor „boven de 18 jaar"; ouders staan hun kinderen iets meer toe naar de programma's „niet geschikt voor jeugdige kijkers" te kijken (plm. 22%) terwijl ca. de helft van de kinderen naar programma's voor „boven de 14 jaar" mag kijken. Voor iets minder dan de helft van alle leerlingen zijn al deze drie soorten programma's verboden. Uiteraard speelt hierbij de leeftijd van het kind een grote rol. Hoe ouder het kind is, hoe meer het naar de aangeduide programma's mag kijken.
6. In 9 van de 10 gevallen mogen de kinderen vriendjes of vriendinnetjes meebrengen om naar een of ander tetevisieprogramma te kijken. Het meest genoemde programmasoort, waarvoor kinderen vriendjes mogen inviteren, is het kinderprogramma. Slechts 1 van de 10 kinderen mag op andere avonden dan op zaterdagavond een vriendje meenemen om naar de televisie te kijken.
7. Bijna drie kwart van de ouders vraagt aan de kinderen of ze hun huiswerk af hebben, als ze 's avonds naar de televisie gaan kijken. Ouders van leerlingen op het n.o. bemoeien zich minder met de stand van het huiswerk dan de ouders van u.l.o.- en v.h.m.o.leerlingen.
De volgende factoren werden gevonden, die samenhangen met de totale kijktijd van de leerling.
1. De schoolsoort is een belangrijke factor in het televisiekijken van het kind.
2. Het sociaal milieu oefent per schoolsoort bezien weinig of geen invloed uit op het televisiekijken.
3. Er is een nauw verband tussen de door het kind vermelde totale kijktijd en de door de moeder opgegeven regulering van de kijktijd in het gezin.
4. Leerlingen van rooms-katholieke huize hebben gemiddeld een hogere totale kijktijd dan leerlingen uit protestantse of onkerkelijke gezinnen.
5. Hoe strikter in het gezin het normpatroon m.b.t. de bedtijd is, hoe lager de gemiddelde totale kijktijd van het kind is.
6. Hoe straffer de discipline in het gezinsleven, hoe minder tijd het kind gemiddeld besteedt aan de televisie.
7. Met de frequentie van het naar de televisie gaan kijken als het huiswerk voor de volgende dag nog niet af is, neemt de gemiddelde totale kijktijd van de schooljeugd toe.
8. Naarmate de leerlingen ouder zijn, besteden zij meer tijd aan de televisie.
9. In het algemeen wordt door jongens iets meer naar de televisie gekeken dan door meisjes.
10. Met de frequentie van het kijken naar buitenlandse televisieprogramma's stijgt de gemiddelde totale kijktijd van de leerlingen.
11. Leerlingen, bij wie reeds langer dan een jaar thuis televisie is, kijken gemidddeld iets minder naar de televisie dan leerlingen, bij wie het afgelopen jaar thuis televisie gekomen is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's