De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

OPENBARINGEN 20 HET DUIZENDJARIG RIJK

8 minuten leestijd

(55)

Ditmaal schenken wij nog nader aan­dacht aan de gedachtengangen van de „voorzichtige" chiliast Bietenhard.

Bietenhard gaat ook aan die uitleg van hen, die de vervulling van wat in Openbaring 20 beschreven staat, zoeken in de geschiedenis nu, niet zonder meer voorbij.

Hij geeft toe, dat er in deze uitleg een belangrijk waarheidselement schuilt. Immers, Christus regeert inderdaad vanaf Zijn hemelvaart vanuit de hemel alle dingen op aarde. Die heerlijkheid is Hem reeds gegeven. En Zijn gezaligde gemeente in de hemel deelt reeds in die glorie, naar de ziel. Hier op aarde is die gemeente nog een bestreden gemeente, een Kerk van martelaren. Doch het is een vertroostend feit, dat de vijand haar nooit meer ten onder kan krijgen. Zelfs als hij zijn hand ten dode aan haar slaat, leeft zij triumpherend in de hemel voort.

Echter, dit feit sluit volgens Bietenhard niet uit, dat deze heerlijkheid van Christus en van Zijn gemeente binnen het raam van deze geschiedenis en van dit wereldbestel nog op een andere wijze tot openbaring zal komen. Tijdelijk zichtbaar, op de aarde. Daar zal nog binnen het raam van dit wereldbestel blijken, dat de martelarenkerk naar haar wezen een triumpherende Kerk is. En dat zal zijn in het duizendjarig rijk. In deze bijzondere openbaring van de heerlijkheid van Christus en Zijn gemeente breken dus reeds de krachten van de toekomende eeuw en van het eeuwig Koninikrijk déze eeuw en déze wereld, die dan nog voortbestaat, binnen.

Zo heeft Bietenhard begrip voor die andere opvatting van het duizendjarig rijk. Hij erkent het waarheidselement daarin. De Christusregering reeds nu ! Toch acht hij deze uitleg van Openbaring 20 onjuist. Omdat hij de z.g.n. recapitulatietheorie verwerpt, als een theorie, waarvoor de argumenten te zwak staan. En omdat hij de mening, dat, wat in Openbaring getoond wordt, zich in de hemel zou afspelen en dat de eerste opstanding een geestelijke zou zijn, onjuist acht. Hij kiest dus op alerlei gronden voor de andere opvatting en wil alzo een „voorzichtig" chiliast zijn.

Intussen legt hij een zeker verband tussen wat in de eerste opvatting van het duizendjarig rijk het waarheidselement is en de uitleg van het chiliasme. Hij ziet een orde en climax in het doen Gods, ook wat de verheerlijking van Christus en van Zijn gemeente betreft. Reeds is Christus verheerlijkt en regeert Hij als Koning, doch vanuit de hemel; er zit dan ook nog een sterk verbórgen kant aan die verheerlijking. Binnen het raam van dit wereldbestel zal die verheerlijking echter nog meer openbaar komen. Daarna zal het einde zijn en zal Christus' zegepraal volkomen wezen !

Evenzo is Christus' gemeente reeds een triumpherende gemeente, doch boven in de hemel, er zit dan ook aan die triumph een sterk verborgen kant. Doch die triumph zal eveneens binnen het raam van dit wereldbestel nog meer openbaar worden. Daarna, bij het einde, zal ook die triumph volkomen zijn !

Bij dit alles trekt Bietenhard een merkwaardige parallel. Trouwens, andere exegeten trokken die ook. In wat de gemeente des Heeren nog te wachten staat in de tijd van het duizendjarig rijk, ziet hij een parallel met datgene, wat met Christus Zelf geshied is. Bij Zijn opstanding, toen Hij trimnpherend uit de dood en het graf verrees, had Hij eigenlijk voor Zichzelf het recht en was Hij eigenlijk voor Zichzelf gereed om terstond de troon in de hemel te bestijgen. Maar aan de troonsbestijging gingen veertig dagen vooraf, waarop Hij nog op deze aarde toefde. Dat gebeurde, omdat Hij toen met het oog op Zijn discipelen en hun verdere taak ter uitbreiding van het Evangelie, nog een bijzonder werk te verrichten had. Maar gedurende die veertig dagen was Hij dus nog op aarde, doch Hij was daar anders, dan tevoren. De heerlijkheid, welke Hem in de hemel gegeven zou worden, was eigenlijk reeds over Hem.

Welnu, zó zal Zijn gemeente, na Zijn verschijning en na de eerste opstanding eigenlijk reeds „klaar" zijn om de volle heerlijkheid van het eeuwige Koninkrijk binnen te gaan. Doch zij zal die dan nog niet direct binnengaan. God heeft er Zijn bedoelen mee, dat zij, reeds vervuld met de krachten van de toekomende heerlijkheid, nog enige tijd op deze aarde, binnen het raam van dit wereldbestel vertoeft. Dat geschiedt dus in het duizendjarig rijk. Daarna, bij het laatste oordeel, gaat zij de volle glorie van het eeuwige Koninkrijk binnen !

Volgens Bietenhard correspondeert met deze gang van zaken voor Christus Zelf en Zijn gemeente, de gang van zaken voor de boze. Principieel is hij dus overwonnen door het kruislijden en de opstanding van Christus. De bewijzen daarvan zijn er in het feit, dat het Evangelie zijn zegevierende loop volbrengt door de wereld en de gemeente Gods vergaderd en bewaard wordt, doch overwonnen zijn is in dit wereldbestel nog veelszins verborgen. Wat woelt en werkt hij nog ! Maar ook zijn overwonnen zijn zal nog binnen dit wereldlbestel op klaardere wijze openbaar komen. Tijdens het duizendjarig rijk, als hij gebonden zal zijn. Daarna zal ook voor hem pas volgen de definitieve vernietiginig van al zijn macht.

Bietenhard meent dus tevens, dat achter, wat wij lezen in Openbaring 20, ligt het geheimenis van de bekering en het herstel van Israël. Volgens hem verkondigen de profeten telkens weer, dat de Messias in bijzondere zin de Koning Israels zal zijn. Wel zal het Koninkrijk van de Messias ook de heidenen omvatten, maar Israël heeft bij dit alles een bijzondere plaats. En Christus heeft allereerst Zijn Koninkrijk onder Israël opgericht. Op dit volk het Hij, krachtens Gods bijzondere bemoeienissen daarmee. Zijn bijzondere aanspraken gelden. En die zal Hij nog éénmaal laten gelden. Het Evangelie maakt, na wat Israël met Hem gedaan heeft, zijn zegevierende opmars door de volkeren der wereld, maar het keert in die opmars nog weer naar Israël terug". Uiteindelijk behoren Israël en de heidenen bijeen binnen die éne gemeente, die zalig wordt. Dat zal ook nog binnen dit wereldbestel tot openbaring moeten komen. En ook dat zal zijn binnen bet duizendjarig rijk.

De uitdrukking „geliefde stad", in vers 9 van Openbaring 20, neemt Bietenhard in letterlijke zin. Daarmee wordt volgens hem Jeruzalem bedoeld. Het middelpunt van Israël zal éénmaal tevens zijn het middelpunt van de gemeente des Heeren op aarde. Dat Jeruzalem hier de geliefde stad wordt genoemd, spreekt niet vanzelf, integendeel.

Hoe wordt dezelfde stad, juist in de Openbaring, gans anders aangeduid ! Om haar zonde, haar verwerpinig van Christus, wordt ze in geestelijke zin op één lijn gesteld met Sodom en Egypte. Dat betekent, dat een vreselijk oordeel over haar geveld wordt. Doch dit is niet het laatste, wat van haar gezegd wordt. Dat is iets anders.

Bietenhard gaat hierbij uitvoerig in op de verschillende uitspraken van Jezus, welke eveneens handelen over het gericht Gods, dat over Jeruzalem en Israël gaan zal, omdat zij Hem verwierpen, doch die spreken van een „totdat". Zo schenkt hij uitvoerig aandacht aan plaatsen als Lucas 21 vers 23 en 24, Mattheüs 23 vers 37-39; Lucas 13 vs. 34 v.v., waarin immers sprake is van een bezocht worden van Jeruzalem, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn. En waarin gezegd wordt, dat de tijd komen zal, dat Jeruzalem weer zal roepen : „Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren". Dit laatste kan volgens Bietenhard niét slaan op wat in Jeruzalem is gebeurd op de Pinksterdag en door de prediking van de apostelen, maar moet slaan op iets anders, dat veel later geschieden zal.

Natuurlijk wijst Bietenhard nadrukkelijk op wat staat in Romeinen 9, 10 en 11. De uitdrukking „gans Israël" mag volgens hem niet vergeestelijkt worden. Het gaat hier volgens hem inderdaad om een verwachting bij de apostel Paulus van een toekomstige bekering en herstel van Israël. De apostel noemt in hoofdstuk 11 de aanneming van Israël het leven uit de doden. Bietenhard ziet hier verbanden met de eerste opstanding en met de bijzondere orde en vrede, welke in het duizendjarig rijk zegenrijk het volkerenleven beheersen zullen. Israels bekering is alzo het laatste teken, dat de verschijning van Christus nabij is !

Bietenhard wijst bij dit punt er verder op, dat wij toch de heilsprofetieën en beloften uit het Oude Testament niet te gauw alleen geestelijk mogen verklaren en alleen van toepassing mogen doen zijn voor de Kerk van alle eeuwen. Hij vraagt, of het wel juist is, de oordeelsprofetieën op Israël te laten slaan en de andere vaak alleen op de Kerk ? Hij is niet blind voor het gevaar van een nieuw Judaïsme en van een te romantisch denken over de toekomst van Israël. Hij wil bijbelse nuchterheid betrachten. Hij wijst b.v. sterk af, wat allerlei chiliasten hebben gedaan, n.l. bijna een lijst aanleggen van uitspraken uit het Oude Testament, die op het duizendjarig rijk zouden betrekking hebben. Hier moet, volgens hem, de uiterste voorzichtigheid worden betracht. De profeten zagen de toekomst èn de komst van het Koninkrijk in één groots perspectief. Hoe alles precies vervuld wordt, ligt besloten in Gods hand. Besloten, — wij mogen het er niet, uit een drang om teveel te willen weten en zeggen, uit loswrikken !

Wel ziet Bietenhard Israël in de geschiedenis als een teken van Gods rechtvaardig oordeel, maar toch ook van Zijn bijzondere trouw. Daarom meent ook hij, dat de weg, welke God gaat bij de verwerkelijking van Zijn heil onder de volkeren, nog weer over Israël lopen zal !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's