DE PREDIKING VAN CALVIJN VOOR ONZE TIJD
VI
Evenwichtig.
Bij alles wat over Calvijn's onderricht en prediking kan worden gezegd, behoort ook zeker dat het evenwichtig is. Wanneer wel gezegd wordt, dat zijn prediking een en al toepassing is, dan betekent dat niet, dat hij de verklaring der Schrift achterwege zou laten of stiefmoederlijk zou behandelen. Integendeel. Deze krijgt bij hem het volle pond. Maar dan zó, dat de toepassing er doorheen geweven zit. Zijn prediking is voorwerpelijk-onderwerpelijk, naar de eis van de Heilige Schrift. Dit staat ook in verband met wat we reeds eerder opmerkten.
In een artikel „Gereformeende prediking" in „Wapenveld", tekent Prof. S. van der Linde twee vleugels in de gereformeerde prediking. De ene vleugel kiest sterk voor de trits : praedestinatierechtvaardiging-eeuwigheid als beheersende motieven van geloof en preek. De andere vleugel wil deze trits stellig niet vergeten, maar wil ze als meer „verborgen" dingen op de verborgen plaats laten om zo te staan in het openbare en geopenbaarde, de trits : evangelie-heiliging deze wereld. Hij wijst er echter op dat Calvijn in zijn Institutie en in zijn preken die beide tritsen, op elkaar betrokken, wil zien functioneren. Dus de praedestinatie, maar ook de roeping, de prediking van het evangelie. De rechtvaardiging, maar ook de heiliging. Het toekomstige leven, maar evengoed de tegenwoordige tijd. Ook deze tijd wordt gezien in het licht der eeuwigheid. Naar de orde der scheppdng was het God ook volop menens met deze tegenwoordige tijd. Om die reden krijgen Kerk en Staat (politiek) dan ook zo'n goede plaats in het leven des geloofs.
Oök op een ander punt vinden we een treffend evenwicht bij Calvijn. Hij stelt in zijn prediking de enkele mens voor het aangezicht des Heeren. Zijn prediking gaat niet over de hoofden heen, maar richt zich in alles op de enkeling. Deze wordt geroepen tot bekering, tot deze wordt in allerlei nood en dood, in allerlei aanvechting en smart, in struikelen en zonde, het Woord Gods gebracht, bestraffend, vermanend en vertroostend. Het gaat er om deze enkeling te brengen tot de kennis der verzoening met God in de Heere Jezus Christus.
Maar Calvijn vervalt hierdoor niet in een af te wijzen individualisme. Integendeel, het gaat er hem ook om dat geleefd wordt in de gemeenschap der heiligen, in welke gemeenschap wij door het geloof in Christus worden opgenomen. Het antwoord van de Catechismus moet verstaan en beleefd worden dat de gelovigen, allen en een iegenlijk, als lidmaten aan de Heere Christus en al zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden. Zo wordt door Calvijn ook onderricht gegeven om te komen tot een goed en schriftuurlijk kerkelijk besef.
Calvijn offert in zijn prediking ook de ene belangrijke zaak niet op aan de andere. Terwille van de barmhartigheid Gods laat hij de rechtvaardigheid niet vallen, of omgekeerd. De onmacht van de mens ten goede wordt in alle scherpte gepredikt. Maar Calvijn doet dit nooit zó, dat de zondaar van hem de gelegenheid en de vrijheid ontvangt om achter deze onmacht weg te kruipen. Deze onmacht wordt getoond als schuld voor God, terwijl op de onwil tegelijk evenzeer de nadruk wordt gelegd. Beide worden gehandhaafd.
Calvijn stelt met kracht in zijn prediking onze verantwoordelijkheid ons voor ogen. Als een zondaar behouden wordt is dat alleen door Gods genade en als hij veloren gaat is dat door eigen schuld. Gods recht op de mens wordt met Hem gepredikt. De eisen Gods, maar ook de nodiging en het aanbod der genade worden gelijkelijk verkondigd. Calvijn weet wel terdege, dat wij bekeerd moeten worden. Het is alles van 't begin tot het einde Gods werk. Maar hij weet ook van het: bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij verloren gaan ! Het werktuig des Geestes is toch het Woord en de prediking des Woords. Welnu, die Geest arbeidt door het Woord, dat ontdekt aan onmacht en onwil, dat ons plaatst voor het recht, de eisen des Heeren, dat spreekt van onze verantwoordelijkheid. Die Geest arbeidt door vermaning en vertroosting.
Wanneer we de Schriften laten spreken zullen al deze trekken in onze prediking niet ontbreken. Maar ze mogen ook niet ontbreken. Dat geldt altijd, ook nu. Anders trekken we alles scheef. We laten de onboetvaardige schare voortdommelen in valse rust, óf we kweken zelfwerkende, brave farizeën. We verkrachten de nodiging des Heeren of we laten Zijn eisen vallen. In al deze gevallen stijven wij het hart in zijn godevijandige houding en ontzaggen wij Christus de plaats die Hem toekomt.
Er is een prediking waarin het „op de man af" geheel gaat ontbreken. Het is al „kerk" en „gemeente" wat de klok slaat. Samen zijn we op weg naar de toekomstige heerlijke openbaring van Gods Koninkrijk. Persoonlijk geloof, persoonlijke wedergeboorte, persoonlijke bearbeiding door Geest en Woord schijmt niet meer nodig te zijn. Hiertegen in handhaven wij het zeer beslist ingaan op de persoonlijke relatie tot God en Zijn Christus. Maar.... daarbij mag het niet blijven. Ook de gemeenschap moet in het oog gevat worden met allen, die even dierbaar geloof deelachtig zijn. Dit zal juist bereikt worden als wij recht voorwerpelijk-onderwerpelijk Gods Woord brengen. Eenzijdigheid of te ener of te ander zijde kan alleen maar schadelijk zijn. De beide tristen, waarover wij het zo straks hadden, moeten als onlosmakelijk met elkaar verbonden in de prediking worden verwerkt. Mede hierdoor wordt het hele leven en levensterrein door de prediking bestreken.
Actueel.
Dat brengt met zich mee dat de prediking dan ook actueel zal zijn in de goede zin van het woord. Dit betekent niet dat 's zondags op de preekstoel allerlei nieuwtjes worden weggegeven, die we zo in de week eens hebben gehoord of gelezen. Calvijn preekte actueel. Dat wil zeggen, dat hij inging op datgene wat in zijn tijd speciaal de aandacht vroeg. Met het Woord Gods gaat hij dit alles belichten. We denken aan de dwalingen van zijn tijd. We weten hoe, dikwijls Rome bij hem ter sprake komt. Hij gaat in op allerlei misbruiken en verkeerde toestanden, hij geselt de volkszonden en roept met alle ernst op tot boete en bekering. Maar niet minder gaat hij in op de noden in het persoonlijke leven, op allerlei aanvechting, verdrukking om des geloofs wille. Dan kan hij liefelijk vertroosten en bemoedigen met het Woord Gods voor al Zijn armen en ellendigen. Hij roept in lalles op tot een matig, sober, Godegewijd leven in deze tegenwoordige tijd. En hij wijst op de taak die de christen heeft en die de gemeente heeft in de maatschappij en in de staat. Hij wijst op de noodzaak van de vreze Gods in alles. In het hart, alle oog heeft hij voor het „ingekeerde" leven, voor de verborgen omgang met God, voor het heilgeheim, dat God aan Zijn vrienden bekend maakt. Maar tevens wijst hij er op, dat we met dit alles niet moeten blijven zitten in een hoekje, niet het klooster in oeten, maar dat we er mee moeten staan, door Christus' kracht, door Zijn Geest, in een leven der heiliging, in het gezin en in alle levenskringen, waarin God ons plaatst. Juist zó wordt de prediking actueel in de diepe zin des woords.
Zo moet ook onze prediking actueel zijn. Voor het hart en voor alle levensverbanden. God de Heere wil toch met Zijn Woord op alles beslag leggen. Hij eist allen en alles voor Zich op. Ons persoonlijk, ons in dit atoomtijdperk, ons in de dagen van de welvaartsstaat. We hebben te zijn leerjongens van Jezus Christus om zittend aan Zijn voeten de woorden des eeuwigen levens te horen. En als de Koning der Kerk ons door Zijn geroepen dienstknecht Calvijn zulk een wonderlijk onderricht en zulk een bizonder eenvoudige en diepe prediking des Woords heeft doen horen, welnu, dan zal het tot ons persoonlijk en kerkelijk heil zijn, ja tot zegen voor ons ganse volk, als we gaan luisteren naar wat deze dienaar des Woords ons heeft te zeggen.
Als we door de kracht des Geestes dit met ons hart leren verstaan, dan zullen we zelf leren zeggen, tot roem van Gods genade en tot verheerlijking van de Drieënige, wat we reeds boven alles, wat we schreven, hadden kunnen zetten en wat we nu aan het slot nog eens noemen : Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's