De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KERK

8 minuten leestijd

De Kerk schepping Gods.

Bij de behandeling der praedestinatie hebben we er de aandacht op gevestigd, dat de verwerping haar grond vindt in de overtreding van de tot de hoogste dienst geroepen mens, terwijl die verkiezinig is een verkiezing tot een ambt of tot een staat in het Koninkrijk Gods op aarde of in de hemel. De verkiezing ten eeuwige leven is onder alle verkiezing Gods de hoogste, zijnde een verkiezing tot het kindschap Gods in en door het werk van de Heere Jezus Christus, die genoemd wordt „een Eersteling onder vele broederen". (Rom. 8 : 29). Hij is het Hoofd der gemeente (Ef. 5 ; 23) en de gemeente is Zijn lichaam. (Col. 1 : 24). De Kerk is dus een schepping Gods in Christus. (Ef. 1 : 22). Dat moeten we wel ter harte nemen. Wij denken het eerst aan een aards instituut, een vereniging, een zedelijk lichaam, een verzameling van mensen, omdat wij aan zien, wat voor ogen is, en daarnaar gewoonlijk ook redeneren. Dat is beginnen aan het verkeerde eind, zodat we gevaar lopen tot het ware inzicht niet te komen. Het staat nl. zó, dat er geen aardse gestalte Kerk zou zijn, als er geen hemelse werkelijkheid was, waarvan ze de afspiegeling en openbaring is. De Kerk is een pneumatische (geestelijke) grootheid, zo men wil een grootheid van andere orde dan onze aardse verenigingen, broederschappen en vergaderinlgen.

De Kerk: is Christus' Lichaam. Christus spreekt van degenen, die Hem van de Vader gegeven zijn. (Joh. 17 : 22). Zij zijn in Christus ingelijfd, leden van Zijn lichaam. Dat wil zeggen: zij vormen een organisch geheel, een lichaam, waarvan zij leden zijn en Christus het Hoofd, d.w.z. zij leven uit de Chrisitus, de Verrezene, de Opstanding en het Leven. Zij zijn dus door een nauwe levensrelatie aan Hem en daarmede ook aan elkaar verbonden. Elders in de Heilige Schrift noemt Christus zich de ware wijnstok en zegt tot de Zijnen : „Gij zijt de ranken". Wie in Hem blijft, brengt veel vrudht voort. Buiten die levensrelatie geen vrucht. (Joh. 15 : 1-10).

Die Kerrk wordt o.a. door Calvijn de onzichtbare Kerk genoemd wegens haar pneumatisch (geestelijk) karakter. Dat wil echter niet zeggen, dat op aarde niets van die Kerk gezien wordt. Indien God die levensbetrekking, waarvan we gesproken hebben, niet aan de Zijnen bekend maakte, en Zijn verkiezende genade bij zich verborgen hield, zou dat wèl zo zijn. Er zou op aarde niets van de Kerk gezien worden. Maar dat doet God niet. De Christus beveelt immers het Evangelie te prediken tot aan de einden der aarde. Hij heeft ook beloofd dat de Heilige Geest de Zijnen in alle waarheid zal leiden en indachtig maken al wat Hij gezegd heeft. (Joh. 16 : 13). Zo gaat dan Zijn Woord uit over de ganse aarde en de Heilige Geest ontdekt de geroepen heiligen aan de waarheid van het Woord en werkt het geloof. Het geloof getuigt van de gemeenschap, want het maakt de gemeenschap openbaar, komt uit die gemeenschap met de levende Christus op en schouwt hij het licht van de Heilige Geest in de dingen, die des Geestes Gods zijn.

Die van Christas zijn en door het geloof aan Hem verbonden, staan ook jegens elkander in een relatie van geestelijke gemeenschap, aangezien zij allen eenzelfde geloof deelachtig zijn, en uit de kracht Zijner opstanding leven. De gemeenschap met Christus is n.l. gemeenschap met Zijn lijden en sterven en gemeenschap met Zijn opstanding, afsterving van de oude mens en opstanding in een nieuw leven. (Rom. 6 : 1-5).

Wie iets van de rechtvaardiging door het geloof alleen om Christu wil verstaat, kan er ook iets van verstaan, dat de Kerk in het Grieks kuriake heet, d.w.z. : wat van de Heere is, en waarom ze ook ecclesia, de uitverkorene, wordt genoemd.

Het Lichaam van Christus, dat is haar wezen.

Gods verkiezing ten eeuwigen leven en de Kerk staan derhalve in onmiddellijk verband. Wie uitverkiezing zegt, zegt Kerk. De verkiezende daad Gods is een scheppende daad, niet slechts een herscheppende daad, dit is ze óok, maar vooral een scheppende daad. „Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen". (Ef. 2 : 10). „Die in Christus is, is een nieuw schepsel". (Ef. 2 : 15).

Het ligt dus voor de hand, dat we, als we over de goddelijke verkiezing gehandeld hebben, in aansluitinig daaraan over de Kerk moeten handelen. De Kerk is uit de verkiezing, leeft uit de verkiezing, is een schepping der verkiezing. De Kerk kan zonder de verkiezing niet zijn. Geen verkiezing, geen Kerk.

De Kerk in Haar wezen aangerand.

Degenen, die de verkiezing ten eeuwigen leven algemeen willen maken, nemen het fundament onder de Kerk weg. Zij nemen de onderscheiding van Kerk en wereld weg, zodat de Kerk hoogstens wordt gewaardeerd als een voorbijgaande functie in de wereld, aangezien de verkiezing in die beschouwing niet anders dan een aan de scheppende werkzaamheid Gods inhaerente functie betekenen kan.

In zulk een algemene zin zouden we dan ook liever niet van verkiezing spreken, maar van destinatie, beschïkking, voorzienigheid, zo men wil, praedestinatie. Immers God geeft aan ieder schepsel zijn ambt, functie, dienst en bestemming in het geheel Zijner werken. We zijn van mening, dat deze bestemmende wil Gods vrijmachtig en souverein absoluut de bestemming van ieder schepsel bepaalt. Wie deze bestemmende daad Gods „verkiezing" noemt en tot „verkiezinig" maken wil, doet tekort aan de souvereiniteit Gods, gelijk de Heilige Schrift daarvan spreekt. (Rom. 9 : 11, 11 : 5; 1 Thess. 1 : 4 ; 2 Petr. 1 : 10). Hij trekt Hem omlaag in een sfeer, waarin voor God slechts de keuze tussen het een of het ander overblijft, zodat de majesteitelijke destinerende daad relatief wordt gesteld tot voorhanden mogelijkheden.

Ook als een filosoof als Leibnitz zulke heschouwingen opwerpt in zijn Theodice, is dit laakbaar. Hoezeer verdient het dan afkeuring, als zulke gedachten door een theoloog wonden aangevoerd — wellicht niet zonder influentie van genoemde filosofie — in een dogmatiek, waaraan hij nog wel de toevoeging kerkelijk verbindt. (K. Barth). Zijn leer der verkiezinig, beter van de „verkiezende God", heeft dan ook niet meer dan de term verkiezing gemeen met de bijbelse leer der uitverkiezinig.

Nochtans hebben deze en dergelijke specuilatieve gedachten op het terrein der „theologie" — welke meer het karakter van een soort godsdienst-filosofte heeft — velen zozeer ingenomen, dat ze van „nieuwe theologie" sproken, en o.a. ook over een gewijzigd inzicht in die eccolesiologie gewagen. Dit laatste kan slechts een argument zijn voor de juistheid van het zoeven opgemerkte, dat de onderscheiding van Kerk en wereld, in principe althans, wegvalt en er voor de Kerk niet meer dan een voorbijgaande functie overblijft. Men spreekt dan ook van het apostolaat als van het wezen der Kerk.

Krachtens de nauwe samenhang tussen uitverkiezing en Kerk is dat volkomen begrijpelijk. Verandert men de leer der verkiezing, dan heeft dit verandering in de leer omtrent de Kerk ten gevolge. Volgens de Schriftuurlijke leer der uitverkiezing is de Kerk de vergadering der uitverkorenen, het lichaam van Christus en als zodanig van die wereld onderscheiden. Van Christus zijn, is Kerk zijn, en onderscheiden van de wereld door het kennis dragen van de verkiezing, ja, van Zijn verkiezing. Men zou kunnen zeggen : kennis aan de verkiezing hebben is het voorrecht en kenmerk van de Kerk.

Volgens de „nieuwe theologie" draagt de verkiezing een universeel karakter. In die universele onderstelling is het verschil tussen Kerk en wereld weggevallen. Allen zijn daarin solidair, dat zij allen verkoren zijn, maar zij weten het niet allen. Het is ook in deze „nieuwe theologie" het kennis hebben van de verkiezing, dat de Kerk van de wereld onderscheidt. Van een lichaam van Christus kan echter geen sprake meer zijn, allthans niet in de klassieke en Schriftuurlijke zin des woords. Met de ontlediging van de verkiezingsleer als het hart der Kerk is ook de Kerk tot een holle fraze geworden. Haar onderscheidt van de wereld niets meer dan een van alle geestelijke kracht beroofde dusgenaamde „wetenschap" ener universele verkiezing : allen verkoren.

Haar enige reden van bestaan en haar enige taak is : „Zegt het voort".

Bij voorkeur gebruikt men dan het woord „verkondigen" en spreekt men van een „boodschap", welke meestal niet nader wordt omschreven, maar geen andere inhoud heeft dan : „Kerk en wereld solidair, allen verkoren". Het Evangelie is in deze visie ingeschrompeld tot een enkele mededeling : de verwerping weggenomen, de verkiezing universeel.

De dienst des Woords vervlakt, de heilshistorie in het cultuurproces weggezonken, de messianiteit der geschiedenis vervluchtigd, het geestelijk ambt gedegradeerd en achtergesteld bij aardse culturele betrekkingen, omdat men geen oog, en klaarblijkelijk ook geen gevoel, heeft voor het rein geestelijk karakter der Christelijke religie en vervreemd is van het geestelijk leven, waaruit de reformatorische belijdenis is geboren.

Ziedaar wat de gewijzigde ecclesiologie te zien geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's