Zegen, die in vloek verandert
Meditatie
Indien gij niet zult horen, zo zal Ik uw zegeningen vervloeken.Mal. 2 : 2 ged.
Is dit geen merkwaardig woord: „Indien gij niet zult horen, zo zal Ik uw zegeningen vervloeken? " Er staat niet, dat de Heere Zijn zegeningen zal wegnemen, maar dat Hij ze zal vervloeken. Vervloekte zegeningen, kan dat bestaan? Natuurlijk niet in letterlijke zin genomen. God vervloekt Zijn gaven en zegeningen niet. Maar wel kan de zegen, die er in ligt, in de gaven, die God ons schenkt, in vloek verkeerd worden. Wanneer wij Gods gaven misbruiken, dan worden ze ons niet tot voordeel, maar tot oordeel. Dan wordt de zegen in een vloek veranderd.
Dit is een woord van God tot de priesters, door de dienst van Maleachi tot hen gesproken. De priesters in Israels godsdienst hadden een bijzonder voorrecht, een bijzondere zegen van de Heere ontvangen. Deze zegen, dat zij waren uiltverkoren om te mogen arbeiden in de dienst des Heeren, in de tempel Gods. Zij mochten in het Huis des Heeren verkeren om de offers te brengen en het andere werk te doen in Gods schone en liefelijke dienst! Wat een voorrecht, om daar in de heilige gebouwen, de vrije gunst te zien, die eeuwig God bewoog.
Hoe hebben anderen met heimwee en heilige jaloersheid op deze heerlijke taak gezien! Welk een onderschediding, bezig te mogen zijn in de voorhoven Gods! Welk een zegen, welk een zaligheid lag er in voor het godvruchtige hart, alle dagen te mogen wonen in het Huis des Heeren om Zijne liefelijkheden te aanschouwen in Zijn tempel!
Maar voor vele priesters in Maleachi's dagen dreigde deze zegen in een vloek te verkeren. Neen, voor velen was het geen zegen, was het geen geluk, bezig te mogen zijn in de dienst des Heeren. Want hun hart was er niet bij. De liefde zat er niet achter. Ze hadden de Heere niet lief; ze hadden alleen maar zichzelf lief en ze dachten alleen maar om zichzelf. Hun werk gingen ze gewoon vinden. Hun werk werd alledaags, hun werk werd sleur; ze gingen het vervelend vinden alle dagen weer dat werk te moeten doen. Hun werk werd hun een last, inplaats van een lust. De zegen werd voor hen een vloek. Meer nog: niet alleen dat hun werk zonder hart maar vorm was, een slavendienst, die ze al zuchtende deden, ze ontzagen zich zelfs niet om bij hun werk schandelijk onrecht te plegen. Ze dachten alleen maar om zichzelf en om hun eigen zaak te spekken. Ze deden niets om niet (hoofdst. 1 : 10), overal vroegen ze geld voor. Ze waren er alleen maar op uit om er financieel beter van te worden. Ze luisterden niet naar de woorden Gods. Ze maakten 't gebod Gods krachteloos. Vertraden het met de voeten! Daarom, omdat ze niet hoorden, daarom zou de Heere hun zegeningen vervloeken. Hun zegen zou in vloek veranderd worden. Hun eer zou te schande worden. Hun voorrecht zou tot oordeel worden. Verachting zou in hun leven al hun deel zijn. Het volk, dat maar klaar moest staan met de portemonnaie om des priesters zak te spekken, verloor alle respect voor zulke kerkelijke waardigheidsbekleders. Het werpt hun de drek der offerdieren bij de feesten in het gezicht. (hfdst 2 : 3). Dat was de vloek, die hun al in dit leven ten deel viel. Om dan over de vloek in de dag der eeuwigheid nog maar te zwijgen.
Is dit geen ernstig woord? Als wij in de dienst des Heeren arbeiden mogen, dan is dat een zegen. Als wij het met ons hart doen mogen; als ons hart er telkens weer bijgebracht mag worden door de hartinnemende genade Gods in Christus door de Heilige Geest, dan is het een schoon en heerlijk werk. Wat een zegen ligt erin om dan de grootheid van onze Koning aan te prijzen. Maar als wij het doen zonder hart en zonder liefde, wat een zwaar werk is het dan. Als wij priesters zijn zonder in de zalving van die enige Hogepriester te mogen delen, wat een ongelukkige schepselen zijn we dan. Als de liefde niet dringt dan wordt ons werk een last, dan gaan we al zuchtende onze weg en dan wordt de zegen een vloek, en verachting wordt ons doel, en onze eer wordt ons tot schande. En als we daarin volharden zonder bekering, dan wordt het een eeuwige vloek en een eeuwige schande. Gods priesters hebben ook dagelijiks bekering nodig. Hun hart is er zo weinig bij.
De liefde zit er zo weinig achter. Het dreigt telkens zo sleur te worden. Dan zien ze zo weinig van 's Heeren schone en liefelijke dienst. Dan dreigt de zegen vloek te worden. Dat ze maar veel schrikken mogen van zichzelf. Want in zichzelf zullen ze vergeefs naar liefde speuren. Niets dan ontrouw en verkeerdheid. Het brenge hen in de schuld, opdat de schuldovernemende Borg dierbaar wordt; opdat Zijn genade overweldige telkens weer; opdat Zijn liefde dringe. Dan bediend wordend uit Hem, wordt het „Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten".
En dan: al staan wij allen niet in een bijzonder ambt, wij zijn als kinderen des Verbonds, aan wie de woorden Gods zijn toebetrouwd, met bijzondere zegeningen bevoorrecht. Wij zijn als leden van de Nieuw-Testamentische bedeling met bijzondere zegeningen begiftigd, zelfs boven de Oud-Testamentische priester. Want de minste in het Koninkrijk der hemelen is meer dan de meest beweldadigde onder het Oude Verbond.
Maar wat doen we met deze zegen? Wat doen we met de beloften Gods? Wat doen we met de genade Gods, die ons in Christus Jezus wordt aangeboden, om niet? Waar heeft het ons gebracht? Als het ons niet klein gemaakt heeft, als het ons niet aan de voeten van de Heere Jezus gebracht heeft om ons te laten zaligen door Zijn genade, dan zal het alles tegen ons getuigen; dan zal de zegen in een vloek verkeren; eenmaal in een eeuwige vloek: „gaat weg van Mij, gij vervloekte".
Dat we hier nog buigen leren. Dat we schuld leren bekennen om dat liefdeloze hart. Dat we nog als vloekwaardigen onszelf leren veroordelen, opdat we Hem nodig krijgen, Die de vloek gedragen heeft, opdat Hij zegeningen zou kunnen mededelen aan wederhorigen! Waar het op aan komt is dit: Dat we horen naar Hem! Dat we niet als een alleszins godsdienstig mens het vuur uit de sloffen lopen om preken en dominees en kerken en verenigingen, doch met een koud hart de Christus der Schriften en het Woord Zijner genade verwerpen. Wat zou dat vreselijk zijn! De zegen, in vloek verkeerd! Dat we ons laten gezeggen! O, volk, hoort des Heeren Woord! Indien gij niet zult horen, zo zal Ik uw zegeningen vervloeken.
(Oudewater)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's