De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

Uitvoerig vertelt ons prof. van Itterzon in het Hervormd Weekblad het verhaal van 'n rechtzinnige evangelisatie in een vrijzinnige gemeente, die in de loop van de tijd in de kerkelijke gemeente opgenomen werd na degelijke onderlinge afspraken, die ook degelijk op papier vastgelegd waren. En nu heeft deze Vrijzinnige kerkeraad op schandelijke wijze deze overeenkomsten verbroken en op listige wijze nog gelijk gekregen ook. Dit gelijk-krijgen lag in geen enkel opzicht aan de instanties die de uitspraak deden maar aan de onwaardige wijze waarop de kerkeraad gebruik wist te maken van nu eenmaal in de kerkorde vastgelegde bepalingen en voorschriften. We kunnen het hele verhaal niet na gaan vertellen; het zou een te groot gedeelte van ons overzicht in beslag nemen. Intussen begrijpen en delen we volkomen de verontwaardiging van , de schrijver. We willen alleen de slotconclusie van het artikel, dat het opschrift draagt: Vreemde vrijzinnigheid, overnemen:

Intussen ben ik van drieërlei nu zeker: Ten eerste, dat de richtingen nog niet dood zijn en we het woord modaliteiten voorlopig wel op stal kunnen zetten.

Ten tweede, dat men toch, in het verkeer der richtingen, niet te voorzichtig kan zijn en beloften en verzekeringen wel ongelofelijk hecht mag verankeren, voordat men er serieus op ingaat. Aan goede trouw is een heel kleine marge gegeven.

Ten derde, dat midden-orthodoxie een gevaar is voor onze kerk, omdat zij zoals een oude collega mij verzekerde, op vele plaatsen gelijkluidend is met: midden-vrijzinnig.

Het eigenaardige is, dat prof. van Itterzon een verhaal vertelt over een vrijzinnige kerkeraad en in zijn artikel zelfs het Hoofdbestuur van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden vriendelijk vraagt om voor het recht op de bres te staan en hem stevig te willen helpen. Maar in zijn conclusie noemt hij de midden-orthodoxie een gevaar voor onze kerk; die zijn eigenlijk midden-vrijzinnig.

Zou prof. van Itterzon ons daarmee willen zeggen, dat hij de overtuiging heeft, dat er wezenlijk niet zoveel verschil is tussen midden-orthodoxie en vrijzinnigheid, zodat we ze met een zekere vrijmoedigheid kunnen noemen: midden-vrijzinnig? We kunnen geheel met zijn visie instemmen. Dat neemt echter niet weg dat het ons bevreemdt dat hij in deze verbanden de benaming „vrijzinnigheid" inwisselt voor „middenorthodoxie". Temeer omdat het hier niet gaat over dogmatische inzichten maar over een unfair en onwaardig gedrag in het onderling kerkelijk verkeer. We mogen een dergelijk afkeurenswaardig gedrag van de ene groepering toch niet een andere groepering (modaliteit) gaan aanwrijven, alleen op grond van de overweging dat deze twee in dogmaticis toch zo erg veel op elkander lijken.

We blijven het vreemd vinden dat het opschrift van het artikel luidt: Vreemde Vrijzinnigheid, en dat in de laatste zin van dit artikel staat: De midden orthodoxie is een gevaar voor onze kerk.

En dan zit er voor ons nog een vraag in. Kan prof. van I. en de Confessionele Vereniging nu niet hegrijpen dat het meermalen voormensen van de geref. bond moeilijk is om b.v. met noodgemeenten tot een vergelijk en tot overeenstemming te komen; ook al zijn voorganger en een deel van 't bestuur leden van de C.V.? Natuurlijk zullen er menigmaal klein-menselijke motieven zijn, maar het behoort toch ook waarlijk niet tot de zeldzaamheden, dat de bezwaren hier op vastzitten, dat de noodvoorziening een stevige vrijage, om niet te zeggen; een vaste verkering, heeft met deze midden-orthodioxie. Het is zelfs nog niet eens zo'n zware opgave om voorbeelden van huwelijksvoltrekking te noemen. Zou de Conf. Vereniging daar nu eens iets aan kunnen doen? We mogen dat toch wel vragen aan hen die ons zeggen, dat de midden-orthodoxie een gevaar is voor onze kerk en dat dit op vele plaatsen gelijkluidend is met: midden-vrijzinnig?

Een vorige keer schreven we er al over, dat op de syonde van de geref. kerken te Groningen ter sprake is gekomen de beroemde uitspraak van Assen 1926. Uit de pers kregen we de indruk dat men ter synode tot een vrij behoorlijke eenstemmigheid gekomen was inzake het zich distanciëren van dit besluit waarbij ds. Geelkerken c.s. veroordeeld werden. Op grond van uitlatingen in de pers dienen we onze indrukken nu aan te vullen, want blijkbaar komen er vanuit de kerken toch ook nog andere geluiden naar voren. Al moeten we er direkt bij zeggen, dat het (afgaande al weer op de pers) alleen maar enkele stemmen zijn „achter uit de zaal". We horen er namelijk van in twee achtereenvolgende nummers van het Geref. Weekblad (Kok), en wel in de vorm van een ingezonden stuk respectievelijk op pagina 6 en 7 van genoemd blad, dat steeds 8 pagina's telt. Het zijn dus stemmen achter uit de zaal, hoewel we natuurlijk niet weten of er ook bij de opmaak van het blad nog principiële overwegingen meespreken.

De beide inzenders dragen wel geleerde namen; het zijn D. Grosheide en C. J. Goslinga.

De eerste zet boven zijn ingezonden schrijven: Vaticanum II en Groningen. Hij schrijft, dat de protestanten veel meer voelen voor de progressieve vleugel in de R.K. kerk dan voor de conservatieve. De vooruitstrevenden zijn meer open, minder Rooms en meer Katholiek dan de behoudenden. Maar op het punt van de Schriftbeschouwing zou schrijver toch een lans willen breken voor deze behoudende vleugel, want hier nadert het conservatieve standpunt in de R.K. kerk veel dichter het klassieke Gereformeerde standpunt, dan de visie van de progressieve partij in de R.K.kerk. Om dit toe te lichten haalt hij een passage aan uit een artikel van kardinaal Ruffini en merkt daar vervolgens over op:

Voor een beoordeling van de conservatieve R.K. vleugel is het billijk met een protest als dit rekening te houden. Het is niet altijd waar, dat hetgeen de conservatieven poneren niet Bijbels en niet pastoraal verantwoord is. Wie wel eens met de gevolgen van de nieuwe B.K. Bijbelbeschouwing is geconfronteer, weet dat juist deze grote verwarring sticht. Want „als het niet waar is van de appel (vrucht) en van zoveel andere „verhalen", waarom is het dan wel waar van onze lieve Heer? "

De kwesties, die op het concilie besproken worden, zijn ten dele nauw verwant aan die, welke in onze kerken aan de orde zijn. Er blijkt ook „onder ons" de laatste jaren een grote belangstelling te zijn voor de methode der literaire genres, inclusief de bronnensplitsing. Wanneer men publikaties, waarin deze gevolgd wordt, leest, komt men tot de gedachte, dat het raadzaam is eerst theologie te studeren vóór men met het lezen van de Bijbel begint. Het verstaan van Gods Woord schijnt een bijzonder ingewikkelde zaak te zijn en van de klaarblijkelijke bedoeling van die Schrift, waarover de Synode van Assen in 1926 heeft gesproken, blijft niet veel over. De vraag lijkt gewettigd, of deze methode van Schrif interpretatie niet meebrengt, dat, niet de kerk, maar God zelf zijn kinderen eeuwen lang in het onzekere heeft gelaten, hoe zij bijv. Genesis 3 moesten lezen. Ik dacht, dat we van een man als Ruffini nog konden leren, wat de belijdenis van de duideljikheid van die Schrift inhoudt.

Dr. Goslinga betoogt in zijn schrijven dat men zich ter synode veel te lichtvaardig af gemaakt heeft van zijn schrijven aan de synode. Men constateerde daar alleen maar dat dr. Goslinga argumenteerde op dezelfde gronden als Assen destijds besloot. Maar in zijn schrijven had dr. G. er op gewezen dat de Schrift zich, met name in het Nieuwe Testament, en ook onze Belijdenisgeschriften vasthouden aan de letterlijke opvatting van bepaalde gegevens uit Gen. 2 en 3. Verder wijst hij er op dat ook de Geref. Oecumenische Synoden van Amsterdam (1949) en Potchefstroom (1958) uitspraken over deze zaak hebben gedaan, waarbij men vasthield aan het historisch karakter van de openbaring in Gen. 1 en 2, hetgeen dan uiteraard ook geldt voor Gen. 3. Hij waarschuwt tenslotte de Generale Synode voor een beslissing die hiermee niet in overeenstemming is.

In regelrechte aansluiting hieraan nemen we hier iets over uit een artikel, getiteld Onstellend wat we aantroffen in Waarheid en Eenheid:

't Is waarlijk niet gering: van prof. Koole en ds. Delleman wordt gezegd dat ze eigenmachtig door een zg. kerugmatische exegese Gen. 1—11 isoleren van de Test van het boek. Van ds. van der Linden en prof. van Peursen geldt het dat ze de geschiedenis van Gen. 2 en 3 een symbolischebeschrijving van het handelen Gods noemen. Een passant mag ik hier vermelden dat ik onlangs ergens de opmerking las dat het vroeger was: uw woord is een licht op mijn pad enz., maar tegenwoordig schijnt het zo te zijn dat geologie en biologie het licht verspreiden om het duistere in Gods Woord op te helderen. Van prof. van Peursen wordt verteld, dat; door zijn uiteenzettingen feitelijk de openbaring Gods omtrent paradijs en zondeval in aansluiting aan Karl Barth onder de tafel wordt gewerkt en eigenlijk schriftkritiek bedreven wordt.

Dit artikel Ontstellend waar we het citaat uit overnamen staat weliswaar op de eerste pagina van het blad Waarheid en Eenheid, maar om wil het geval dat de gehele groepering rondom dit blad in de geref. kerken op de achtergrond staat. Ze zijn zoiets als de geref. bond in de geref. kerk. We kunnen dus blijven spreken van stemmen achter uit de zaal.

In de rubriek Van Hier en Daar uit De Wekker wordt ons verteld, dat het departement van de Wereldraad van Kerken voor de samenwerking van man en vrouw in de kerk, een overzicht heeft gegeven van de stand van zaken in de verschillende kerken met betrekking tot de toelating van de vrouwen tot de ambten.

Achtereenvolgens wordt ons met een enkel woord gezegd hoe het gesteld is in de Anglicaanse-, de Baptisten-, de Lutherse-, de Hervormde of presbyteriaanse-, de Orthodoxe kerk en de kerk van Zuid-India.

Uit dit overzicht krijgen we nu niet bepaald de indruk dat de toelating van de vrouw tot het ambt op oecumenisch niveau reeds gemeen goed is. De feiten laten eerder duidelijk het tegendeel zien. Het overzicht van dit departement van de Wereldraad van Kerken brengt ons dus wel tot de conclusie dat onze hervormde kerk het punt van de vrouw in het ambt niet op oeumenisch niveau heeft behandeld en vastgesteld. Dat is toch wel opmerkelijk omdat in onze tijd de Geest ons telkens noopt om mondiaal te denken. Maar op dit punt heeft de Geest blijkbaar verstek laten gaan, en we hebben beraadslaagd en beslissinigen genomen zelfs nog achter de muren van onze landelijke hervormde kerk, zonder eerst deze Jericho-muren omver te bazuinen.

Of zouden op dit punt soms meer politieke overwegingen in het spel zijn geweest, bedenkende dat men in het oecumenisch overleg meer bereikt als men door een bepaalde inbreng de vergadering voor een voldongen feit zet, dan wanneer men een vergadering tot iets moet bewegen waar men zelf nog niet toe overgegaan is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's