DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK V, ARTIKEL, 3
Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde en ook vanwege de aanvechtingen der wereld en des satans, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zo zij aan hun eigen krachten werden overgelaten. Maar God is getrouw. Die hen in de genade, hun eenmaal geschonken, barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtiglijk bewaart.
Het strijdpunt.
In de 17e eeuw streed men nog voor de waarheid Gods en zocht men de rechte beschrijving der waarheid te vinden en te verdedigen. In de 20e eeuw is men meer bezig met allerlei meningen samen te smelten en aan alle kerken, richtingen en groepen een schijn van eenheid te geven. Men oemt dat een strijden voor de eenheid der Kerk. Het lijkt mij meer een strijden voor de eenheid van de ware en de valse profetie. Het komt mij voor, dat het onze taak is, zo wij tenminste leven uit de belijdenis der Reformatie, overal het remonstrantisme, pelagianisme, roomskatholicisme en alle andere verkeerde ismen op te sporen en aan te wijzen. Daarom lijkt het mij ten volle gerechtvaardigd ons in de oude belijdenissen van de vaderen te verdiepen. Zij hadden dezelfde vijanden als wij tegenover ons zien, doch in onze tijd zijn ze nog meer aan de Schrift ontzonken, voeren andere benamingen en zijn minstens even listig.
Het merkwaardige in de strijd van contraremonstranten en remonstranten was, dat de eersten veel meer behoefte hadden aan duidelijkheid dan de laatsten. De laatsten wilden graag de mening ingang doen vinden, dat het verschil toch eigenlijk niet zo groot was en dat zij dus ook gereformeerd waren, remonstrants-gereformeerd. Dat is tegenwoordig nog zo. Als iemand opkomt voor de belijdenis der vaderen, zegt de tegenpartij : maar wij zijn ook gereformeerd. Wij prediken hetzelfde, het enige verschil is, dat wij wat moderner woorden gebruiken, of dat wij niet in zulke uitersten vervallen. Maar die naam gereformeerd schijnt wel goed te zijn, want velen willen hem — zij het dan als verborgen titel — voeren. Helaas, op de beslissende punten halen ze ineens de wissels over en blijken dan op een andere lijn te staan en een heel andere richting te kiezen.
Waar ligt de kern van het verschilpunt ? Hierin, dat de remonstranten en hun medebroeders de beslissing aan de mens laten. God doet veel. Hij doet bijna alles, maar het laatste woord is aan de mens. Zoals hij het zegt, gebeurt het. Vandaar dat men in al deze kringen met die diepe vernedering vindt, die verbrijzeling des harten, die levende betuiging van onwaardigheid, die een wedergeboren gereformeerd christen eigen is. In alles kan men merken, dat aan de remonstrant iets gebleven is en dat hij zelf inderdaad de rechte beslissing heeft genomen, naar hij meent. Zij zijn er niet aan ontdekt, dat de mens altijd een verkeerde beslissing neemt en dat ook 't geloof helemaal een gave Gods is, in de grond tegen de natuurlijke wil des mensen. De remonstranten hebben, volgens de Verwerping der Dwalingen bij artikel V, geleerd, „dat de volhardinig der ware gelovigen niet is een vrucht der verkiezing of een gave Gods, door de dood van Christus verwonen; maar een voorwaarde des Nieuwen Verbonds, — die de mens voor zijn beslissende (gelijk zij spreken) verkiezing en rechtvaardigmaking moet volbrengen".
Het geloof is dus een voorwaarde voor de verkiezing. Het blijven in het geloof is een voorwaarde voor de volharding. Zo de remonstranten. Zij beroofden en beroven God van Zijn eer en de zondaar van zijn zaligheid.
Weliswaar leren zij, dat God genoegzame krachten geeft om te volharden, maar het hangt toch aan het believen van de menselijke wil of de mens volhardt of niet volhardt.
De Kerk daarentegen leert in de Dordtse Leerregels, dat de volharding der ware gelovigen, volgens de Heilige Schrift, uit de verkiezing volgt en door de kracht des doods, der verrijzenis en der voorbidding van Christus, de uitverkorenen gegeven wordt, volgens Rom. 11 : 7 : „De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden".
De gelovigen kunnen zichzelf niet bewaren.
Een merkwaardig verschil is er voorts nog in, het stuk van de volharding. De remonstranten belijden niet, dat God de ware gelovigen altijd bewaart, maar zij leren wèl, dat de gelovigen zichzelf kunnen bewaren en kunnen volharden in het geloof. De Kerk leert, dat de gelovigen zichzelf niet kunnen bewaren en in de genade des geloofs volstandig doen blijven, maar dat wel God hen altijd bewaart. Waardoor kunnen de gelovigen zichzelf niet bewaren? Let wel, dat wordt uitgesloten geacht. Hoeveel zij ook van de Heilige Geest mogen hebben, de gelovigen kunnen toch zichzelf niet bewaren. Waarom niet? Zij kunnen het niet vanwege de overblijfselen der inwonende zonde.
De macht der zonde.
De reformatoren hebben niet licht geoordeeld over de schuld van onze boze werken, maar ook niet over de macht der zonde. Zij wisten van het blijvende verderf, dat door Adam over het ganse nageslacht verbreid is. Deze blijvende verkeerdheid houdt nooit in ons op, maar brengt gedurig nieuwe vruchten nl. werken des vleses voort, gelijk een aangestoken oven vlammen en vonken voortdurend uitblaast of een fontein zonder ophouden water uitwerpt. De zonde was sterker dan Adam en Eva, sterker dan Noach, sterker dan Abraham, Izaak en Jacob, sterker dan David, sterker dan Salomo, sterker dan Petrus, sterker dan alle gelovigen. De Geest woont in de harten der kinderen Gods, maar de zonde wint het telkens weer. Daarvan zei de apostel Paulus, dat hij verkocht was onder de zonde. De Heere Jezus heeft dan ook zijn discipelen niet geleerd, dat zij nu geen zonde meer hadden, doch wel, dat zij om vergeving moesten bidden. Van de gelovigen zegt Jacobus: „Wij struikelen allen in vele dingen. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man". Johannes schrijft: „Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet". (1 Joh. 1:8). De zonde nu maakt het donker in ons leven en maakt het moeilijk aan Christus vast te houden. Een der ouden schreef: „Indien er zijn die geheel zonder zonde zouden zijn, zo liegen zij in het gebed des Heeren: indien zij zonder oorzaak vergeving zoeken, zeggende tot God de Vader, vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren".
Als wij dus niet door de almachtige kracht Gods vastgehouden werden, zouden wij het geloof elk ogenblik verliezen. De Heere Jezus zei dan ook niet tot zijn discipelen, dat hij blij was, dat zij zo sterk waren, dat zij het geloof zeker zouden behouden, maar hij sprak: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". Het blijven in het geloof hangt dus af van de almacht Gods, die het gebed verhoort. Wij zijn zo zwak, dat wij in onszelf niet één ogenblik zouden kunnen bestaan.
Wanneer dus de vaderen de volharding der heiligen leren, doen zij dit niet op grond hiervan, dat de vaderen nu zoveel van de mens verwachten of de kracht van duivel, wereld en zonde gering achten. Integendeel, deze drie vormen ook na Golgotha nog geweldige machten. De duivel sleept volgens de Schrift altijd nog het merendeel der kinderen Adams naar de hel. De Satan is wel uit de hemel geworpen, doch heeft een grote toorn en werkt met geweldige kracht. Zo is ook de inwonende zonde onvoonstelbaar machtig. In de vorige eeuw had Schleiermacher nog al wat invloed. Die kon zo mooi schrijven over de geringe macht van zonde en duivel. Karl Barth heeft in dit opzicht wel iets van hem overgenomen, evenals zijn leerlingen. Zij denken allen veel te gering over de macht van zonde en duivel. Daardoor stellen zij het zalig worden als vanzelfsprekend voor. Maar de vaderen zagen dieper, omdat zij zich trouwer aan de Schrift hielden. De zaligheid is niet zo'n eenvoudige zaak. Zij is altijd nog onmogelijk bij de mensen. Zo ervaart Gods kind de dingen heel zijn leven door. Eerst ervaart hij, dat uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden voor God. Hoe hij zich ook inspant om God lief te hebben en Zijn geboden te houden, het gaat hem als de vrouw uit Marcus 5 met haar artsen: het wordt niet beter, maar erger. Voorts ervaart hij, dat het onmogelijk is in Christus te geloven met zijn natuurlijke vermogens. Elk kind van God leert het verstaan, dat hij eer de zon van de hemel zou kunnen vallen, dan de zonne der gerechtigheid omhelzen. Daarvoor is niet minder dan een wedergeboorte nodig, een almachtige werking Gods. Vervolgens ervaart Gods kind, dat de heiligmaking al een even onmogelijke zaak is. Op deze wijze leert de gelovige voor alle dingen in Christus roemen.
De kinderen Gods bewaren dus zichzelf niet. Het is daarom volkomen mis als de remonstr. schrijven: „een waar gelovige kan en moet voor de toekomende tijd wel zeker zijn, dat hij, mits tussenkomend waken, bidden en andere heilige oefeningen in het ware geloof kan volharden en dat hem de genade Gods om te volharden nimmermeer zal ontbreken". Dan zou er aan de ware gelovdige alleen de mogelijkheid om te volharden gegeven zijn. En dat is dan nog een verzonnen mogelijkheid, want elke gelovige is te zwak om op z'n benen te staan, tenzij God hem overeind houdt. Bij de remonstrant komt het geloof uit de vrije menselijke wil en de volharding uit de mens. Bij de Kerke Gods komt het geloof uit God en de volharding uit de wil des Heeren, uit Zijn eeuwig voornemen.
Met nadruk wordt in artikel 3 vooropgesteld, dat de volharding der heiligen niet een daad van de mens is, maar een gave Gods. Het is ook geen helpende genade, het is Gods genadig geschonken kradht zonder meer.
Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde ... zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zo zij aan hun eigen krachten werden overgelaten!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's