De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE ONTWIKKELING VAN DE TELEVISIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE ONTWIKKELING VAN DE TELEVISIE

5 minuten leestijd

Ook over dit onderwerp kan men zijn licht opsteken in onderzoekingen, die gedaan zijn door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Deze onderzoekingen zijn verricht in 1960 en in 1962, terwijl hieromtrent rapport is uitgebracht in een tweetal uitgaven: Radio, televisie en vrije-tijdsbesteding herfst 1960 en: Televisie en radio Herfst 1962, beiden uitgegeven bij W. de Haan N.V. Zeist.

Op 31 december 1956 waren er 99.000 toestellen bij de P.T.T. geregistreerd, op 1 nov. 1962 waren er rond 1.234.000 en thans zijn dit er ongeveer anderhalf miljoen. Dit wil dus zeggen, dat in deze zeven jaar het aantail televisietoestellen 15 maal zo groot is geworden.

In de winter van 1960 bezat 29% der gezinnen een toestel, in 1962 bijna de helft.

In 1960 nam het televisidbezit toe naarmate het sociaal milieu hoger werd. Het varieerde van 14—16% bij boeren en landarbeiders tot 40% bij de leidinggevenden en welgestelden.

In 1962 is het wat anders geworden. Enkele hierna te noemen uitzonderingen daargelaten, loopt het t.v. bezit namelijk binnen de verschillende maatschappelijke groepen percentsgewijze niet sterk meer uiteen. Zo bezitten bijv. arbeiders, middengroepen en leidinggevenden thans in vrijwel dezelfde mate een televisietoestel (circa 50%). Het verschil in t.v. bezit tussen de leidinggevenden met de welgestelden en de andere milieugroepen, dat in 1960 nog vrij aanzienlijk was, is derhalve goeddeels verdwenen.

De uitzonderingen zijn:

1. de landarbeiders en boeren, in het algemeen het agrarische platteland (ca. 33%);

2. de gereformeerden (ca. 26%), hoewel de toeneming sinds 1960 relatief groot is te noemen (toen 11%);

3. de laagste inkomenscategorie (ca. 36%); ook hier heeft ten opzichte van 1960 een sterke stijiging plaatsgevonden.

De cijfers tonen een samenhang tussen televisiebezit en inkomen: televisiebezit neemt nog steeds toe met de inkomensgrootte van de hoofdkostwinner. Een uitzonderinig vormen echter de inkomens van ƒ 7.000, - tot ƒ 12.000, -.

Bij personen, die alleen lager onderwijs hebben gevolgd, is het televisiebezit sterker toegenomen dan bij anderen. Momenteel is t.v. bezit bij de niet-meerschoolgaanden in vrijwel gelijke mate verbreid over de div. onderwijsniveaus; slechts bij hen, die ten minste middelbaar onderwijs genoten, ligt het t.v. bezit duidelijk lager.

In 1962 bevatten de gegevens opnieuw een sterke aanwijzing dat een hoog inkomen een stimulans is voor het aanschaffen van een t.v.-apparaat, terwijl een middelbare of hogere opleiding daarentegen een remmende factor is.

Bij de godsdienstige groeperingen zijn de onderlinge verschillen in t.v. bezit sinds 1960 wat groter geworden, dit in tegenstelling tot de eerder genoemde categorieën.

Televisie is thans duidelijk het meest verspreid onder hen, die niet tot een kerkgenootsdhap behoren (circa 56%). Binnen de kerkgenootschappen zien wij hetzelfde verschijnsel: onkerksen 53%, kerksen 41%. Als „onkerks" zijn hierbij beschouwd zij, die in de twee weken voorafgaande aan de ondervraging niet naar de kerk waren geweest.

Op het agrarisch platteland komt televisie relatief weinig voor. Naarmate de verstedelijking groter is, stijgt het t.v. bezit aanzienlijk. Daarom kan men zeggen dat t.v. bezit een typisch stedelijk verschijnsel is, dat zich vooral in de grote en middelgrote steden openbaart.

Per avond zet gemiddeld circa 70% van degenen, die thuis kunnen kijken, zijn toestel langere of kortere tijd aan. Dat betekent dus, dat bijna een derde der t.v. bezitters 's avonds niet kijkt.

In vergelijking met 1960 is het percentage kijkers praktisch niet gestegen. Alle t.v.-beziters tezamen kijken per avond gemiddeld 1,5 uur, dat is ca. 10 minuten langer dan in het najaar van 1960 het geval was.

Sluiten wij degenen, die op een avond niet kijken uit en beperken wij ons dus tot degenen, die werkelijk ten minste een kwartier aan hun toestel hebben gezeten, dan blijkt dat de gemiddelde kijktijd per avond 2 uur en 10 minuten bedraagt, dat is circa 10 minuten meer dan in 1960.

Van de jongens en mannen, bij wie t.v. in huis is, kijkt een groter deel dan in 1960 het geval was (65%) hun percentage (ca. 70%) ligt thans even hoog als dat van de meisjes en vrouwen. Ook in kijktijd bestaat er geen verschil meer tussen mannen en vrouwen. In 1960 resp. 77 en 84 minuten per avond, in 1962 resp. 92 en 91 minuten.

De grootste verschillen in kijkgedrag vinden wij tussen de leeftijdsgroepen: het percentage kijkers zowel als de gemiddelde kijktijd zijn hoger naarmate men ouder is. Speciaal bij de bejaarden is het kijken in de afgelopen twee jaar merkbaar toegenomen; dit geldt ook voor hun kijktijd. Voor personen van 60 jaar en ouder was de kijktijd in 1960 89 minuten en in 1962 114 minuten per avond.

Onder de sociale groepen hebben de leidinggevenden en welgestelden een duidelijk afwijkend patroon: een groter gedeelte van hen zet 's avonds het t.v. toestel niet aan. Van hen, die dat wél doen, is bovendien de kijktijd aanzienlijk korter. De kijkgewoonten van deze groep zijn sinds 1960 nauwelijks gewijzigd. De andere milieugroepen daarentegen vertonen dooreengenomen een grotere kijktijd.

Gedurende de eerste 4 jaar dat men t.v. bezit blijkt het kijkgedrag — globaal genomen — niet te veranderen. Pas wanneer men zijn toestel langer dan 4 jaar bezit, zet men het minder vaak aan. Wanneer deze laatste groep echter kijkt, doet ze dit niet korter dan de eerstgenoemde.

In 1960 bleek, dat het N.T.S.-journaal het grootste publiek trekt: 1, 7 miljoen kijkers. Daarna volgen: de speelfilms met eveneens ongeveer 1, 7 miljoen en de amusementsprogramma's met 1, 6 miljoen kijkers. De overige programmasoorten liggen duidelijk lager.

De diverse bevolkingsgroepen vertonen ten aanzien van de programmakeuze opvallende karakteristieken. Zo hebben bijv. de leidinggevenden en welgestelden relatief veel belangstelling voor t.v. spellen, voor het nieuws en voor informatieve programma's; maar zij hebben een veel lagere belangstelling voor speelfilms en amusementsprogramma's. Arbeiders hebben veel belangstelling voor het nieuws en voor de sport, evenals (net als. landarbeiders en boeren) voor amusementsprogramma's en speelfilms; met betrekking tot informatieve programma's sluiten de arbeiders zich min of meer bij de leidinggevenden en welgestelden aan. Tussen de beide middenstandsgroeperingen bestaan ten aanzien van de grotere of kleinere belangstelling voor bepaalde programma's gemeenschappelijke trekken; het grote verschilpunt vormen de concerten, waarvoor de risicodragende middenstand relatief grote belangstelling heeft, de loontrek­kende middenstand niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE ONTWIKKELING VAN DE TELEVISIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's