DE TOEKOMST DER KERK
De toekomst der Kerk hangt onmiddellijk samen met haar verkoren zijn tot de gemeenschap van het Lichaam vaaa Christus. Daardoor toch zijn de uitverkorenen op een bijzondere wijze bij de werken Gods betrokken, die een eeuwige bestemming hebben.
Omtrent die eeuwige bestemming als zodanig is ons zeer weinig geopenbaard gelijk ook de apostel Johannes getuigt: „Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen ; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is". (1 Joih. 3 : 2).
Op een andere plaats spreekt de Schrift met betrekking tot het uitverkoren volk : van een koninklijk priesterdom, m.a.w. een volk, dat in de dienst des Allerhoogsten tot koninklijke waardigheid is geroepen. (1 Petrus 2:9; Openb. 5 : 10).
Zij zullen delen in de heerlijkheid van Christus : „Die overwint, ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon". (Openb. 3 : 21 ; Matth. 19 : 28 ; 1 Kor. 6 : 2).
Er is derhalve volgens de Schrift een grote en heerlijke toekomst voor de Kerk weggelegd. De ingang en verwezenlijking daarvan wacht op de openbaring van Christus in Zijn heerlijkheid.
De bijeenvergadering der Kerk.
Aangezien de Heere Zijn gemeente vergadert uit alle tong en volk en natie en dat door alle tijden heen, zal de Kerk in haar geheel, derhalve als het Lichaam van Christus in zijn volheid, eerst aanwezig zijn aan het eind dezer aardse bedeling. Indien God deze toevergadering in het verborgene voltrok, zouden we op aarde daarvan niets bemerken. Dat is echter, zoals we in ander verband reeds hebben opgemerkt, niet het geval. Daarin komt ook het persoonlijk karakter der uitverkiezing zozeer tot openbaring.
Er zijn ook voorbeelden te noemen van verkiezing in een meer algemene zin, zelfs ook in verband met de toevergadering van de gemeente, die zalig wordt. Zo is het volk Israël verkoren tot een drager der Godsopenbaring tijdens het oude verbond en zo ikan men in het nieuwe verbond volken aanwijzen met een bijzondere bestemming ten aanzien van de verbreiding van de christelijke religie en haar doorwerking in de samenleving. De uitverkiezing ten eeuwigen leven is echter een persoonlijke zaak. (Matth. 20 : 16; 22 : 14; 24 : 22 ; Mark. 13 : 20, 22 ; Rom. 8 : 33 ; 11 : 7; 1 Petr. 1 : 2; 2 : 4.
De Heere, Wiens macht over het ganse universum gaat, heeft n.l. gewild, dat Zijn Kerk reeds op aarde tot openbarinig zou komen. En dat niet alleen. Hij heeft het ook zo beschikt, dat de Kerk op aarde betrokken wordt bij Zijn werk der toevergaderinig, zodat ze doel krijgt aan die arbeid Gods. Het is n.l. zó, dat God de Zijnen bij Zijn openbaring betrekt.
De geroepene heiligen worden door de Heilige Geest aan de goddelijke Waarheid van Zijn Woord ontdekt. Zij worden aan die goddelijke waarheid door het geloof verbonden. Zij komen onder de macht en de bekoring van het Woord Gods en worden in de levende gemeenschap met de Christus zelf, de Weg en de Waarheid en het Leven opgenomen. Het geloof is de levende kracht van deze gemeenschap en een van God gegeven orgaan voor de kennis der Waarheid. (Hebr. 2:4; Luk. 22 : 32 ; Hand. 16 : 5; Rom. 3 : 28 ; 4 : 5, 9 ; 4 : 11 ; 4 : 12 ; 5 : 1, 2 ; 9 : 30 ; 14 : 23 ; •Gal. 3 : 7, 9, 23, 25 ; Ef. 1 : 15; 4 : 5 ; 2 : 5 ; 4 : 13 ; 3 : 17 ; Col. 1 : 23 ; 2 : 7, 12; 1 Tim. 6 : 12; 2 Tim. 4 : 7; Hebr. 11 : 1; 12 : 2 ; 1 Petr. 1 : 21 ; 1 : 5 ; 5 : 9 ; 2 Petr. 1 : 1).
Dit geloof is zo zeer onderscheiden van de werkingen van verstand en hart, welke aan alle mensen eigen zijn, zo geheel anders dan de gewone aardse betrekkingen, zo gericht op het Woord en door het Woord, — dat immers gekend wondt als de weg van de Heilige Geest naar het mensenhart — dat zij, die het waarachtig geloof deelachtig zijn, elkander herkennen als deelgenoten van de weldaden in Christus.
Door deze werking der gemeenschap wordt de Kerk des Heeren ook op aarde openbaar in een grotere of kleinere vergadering, „een heilige vergadering der ware Christgelovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheeligd en verzegeld door de Heilige Geest". (Art. 27 der Ned. Gel. Bel.).
Deze Kerk is op aarde wel eens zeer klein „en als tot niet gekomen in de ogen der mensen", maar God houdt haar in stand „tegen het woeden der gehele wereld". (Art. 27 der Ned. Gel. Bel.).
Zij wordt in het geciteerd artikel een heilige vergadering genoemd, d.i. afgezonderd van de wereld — en dat niet alleen in navolging van de Heilige Schrift, die de verkorenen Gods heiligen, d.i. afgezonderden noemt, maar ook de ervaring leert, dat er een antithese ligt tussen de Kerk en de wereld, en dat de wereld in kritieke ogenblikken een klaar bewijs levert, dat zij de Kerk haat. (Joh. 15 : 18 v.v.).
De openbaring van Chrisitus lichaam in deze wereld doet zich dan voor in de vorming van door het geloof verbonden gemeenschappen, die gemeenten of kerken worden genoemd en zoals reeds eerder gezegd, een geheel eigen karakter dragen.
Verschillende oorzaken, waaronder in de eerste plaats het persoonlijk karakter van het deelgenootschap in de verkiezende genade Gods, maar ook andere aangelegenheden, waarover wij nog in ander verband willen handelen, dragen er toe bij, dat de vergadering, die met de naam Kerk wordt onderscheiden van andere lichamen en verenigingen, althans in haar georganiseerde gestalte, zelden of nooit een vergadering van ware Christgelovigen, maar gewoonlijk een mengeling van geloof en ongeloof is. (Art. 29 Ned. Gel. Bel.).
Het zou trouwens voor mensen onmogelijk zijn de hypocrieten uit te zuiveren. Zelfs in de jonge gemeente te Jeruzalem werden ze gevonden, zoals we weten uit de geschiedenis van Ananias en Saffira. (Hanid. 5 : 1-11).
Mogdlijk zou de gemeente in clubjes en gezelschappen zijn opgegaan, als de Heere Zijn Kerk niet daadwerkelijk bij Zijn arbeid had betrokken. Maar dat is wèl het geval. De Kerk heeft een taak: „Ga dan heen, predik het Evangelie onder alle creaturen, maak ze tot discipelen, d.i. leerlingen, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden al wat ik u geboden heb". '(Matth. 28 : 19).
Christus wil Zijn discipelen onderscheiden hebben van degenen, die Zijn discipelen niet willen zijn. Hij wil ze gedoopt hebben in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Hij zet ze daarmede onder de beloften van Zijn verbond en verklaart alzo, dat de discipelen in het verbond staan.
Dat is niet hetzelfde als deel hebben aan de verkiezende genade, maar het zegt wèl, dat de aardse openbaring van het Lichaam van Christus, de vergadering, die recht heeft op de waardering van Kerk, uit discipelen en kinderen Gods bestaat, die tezamen in het verbond staan, maar niet allen in dezelfde mate in de genade delen. Daarom spreekt men wel van tweeërlei kinderen des verbonds. Ook de onderscheiding van inwendig en uitwendig verbond vindt daarin zijn aanleiding, hoewel deze in concreto toch niet kan worden doorgevoerd. In de eerste plaats zijn wij geen hartekenmers, vervolgens komt ons het oordeel niet toe en ten slotte, die vandaag nog gerekend moet worden onder de discipelen (uitwendig verbond) is morgen door Gods genade onder de kinderen Gods geplaatst. (inwendig verbond).
Daarom heeft die onderscheiding slechts theoretische waarde. Voor de practijk bevelen we liever de regel van Calvijn aan om degenen, die in leer en leven geen aanleidinig geven tot het tegendeel, met een oordeel der liefde te bejegenen, ook b.v. aan het Heilig Avondmaal, hoewel dit, ook volgens Calvijn, voor de gelovigen is gegeven.
Het bevel om het Evangelie te prediken gaat in de eerste plaats uit tot de discipelen des Heeren, die getuigen zijn geweest van Zijn lijden, sterven en opstanding, die daarom ook apostelen, gezondenen, afgezanten worden genoemd. Zoals de Vader de Christus in de wereld heeft gezonden, zo zendt Hij ook Zijn discipelen. (Joh. 17 : 18). Zij zijn Zijn eerste getuigen : maar de Kerk heeft wel verstaan, dat zij de getuige van Christus op aarde is tot aan de voleinding der wereld en dat zij de opdracht van Christus om het Evanglie te prediken, heeft te verzorgen.
De gemeente te Antiochië in Syrië, waar de discipelen met de naam Christenen werden aangeduid, heeft op bevel van de Heilige Geest Barnabas en Saulus uitgezonden. (Hand. 13 : 1-3).
Deze opdracht Christus' getuige te zijn in de wereld en Zijn Evangelie te verkondigen tot aan de einden der aarde en tot de dag van Christus' wederkomst, heeft tengevolge gehad, dat de Kerk op aarde niet opging in gezelschappen van gelovigen, maar een organisatie nodig had en de vorm van een instituut moest aannemen.
Aanvankelijk werd de Kerk door de apostelen geleid en dreef zij op de gaven Gods (1 Cor. 12). Onder die leiding verkreeg zij ook haar ambten en diensten: ouderlingen, die in het Woord arbeiden, ouderlingen, die als opzieners der gemeente met de eerstgenoemden waken over de zuiverheid van leer en leven in de gemeente, diakenen en hun hulpen.
Zonder enige twijfel kwamen de geestelijke krachten in geloof, onderscheiding, gezondmaking en liefdewerken in de Christelijke Kerk der eerstelingen in veel rijkere mate tot openbaring dan doongaans in de latere eeuwen der gevestigde Kerk.
De vraag dringt zich op, hoe dit moet worden verklaard. Het is toch Gods Kerk en wij geloven, dat die Kerk zonder Zijn levendmakende Geest niet zijn kan en dat er aan de volheid van het Lichaam van Christus in de voleindiging niets zal ontbreken. Doch alvorens tot beantwoording van deze vraag over te gaan, kan het z'n nut hebben bij de goddelijke huishouding terzake even stil te staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's