De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

In ons vorig persoverzicht schreven we over het artikel van prof. van Itterzon, getiteld Vreemde Vrijzinnigheid. Ook in het Hervormd Weekblad zelf wordt er nu gereageerd, en wel in een ingezonden stuk. Zo'n reactie is natuurlijk veel meer waard dan enkele opmerkingen die wij er over maken in ons blad; vandaar dan ook dat we gretig dit ingezonden stuk overnemen:

Dit bewijst voor mij weer eens, dat onze kerk een aangelegenheid is van vrijzinnigheid en midden-orthodoxie, tot in de hoogste regionen. (De synode zal ook ongetwijfeld van deze kwestie op de hoogte zijn). Zij die zich van deze beide richtingen distantiëren, tellen niet meer mee. Die kunnen maar beter de kerk verlaten. (Dit betreft heus niet alleen de gereformeerde bonders!) Steeds meer ontmoeten we in onze kerk een lonken naar links en een grommen naar rechts. Indien in de gemeente X het geval omgekeerd lag, was deze kwestie vermoedelijk heel anders aangepakt. Al het mogelijke wordt gedaan om de sfeer voor de vrijzinnigen zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Jeugdclubs mogen zich niet aansluiten bij het C.J.V., want dat krenkt links. Een Cefa-film mag om dezelfde reden niet worden getoond. Dat allerlei dingen wel doorgevoerd moeten worden, ook al krenkt het rechts, is schijnbaar vanzelfsprekend.

Een grote vraag is, ook voor mij, tot hoever we momenteel in onze kerk van vrijzinnigheid moeten spreken. Van vrijzinnigen weten we dat ze de belijdenis dat de Bijbel Gods Woord is niet onderschrijven. Hoe dat precies staat met vele midden-orthodoxen weten we niet. Wel horen we door dezen nogal eens verkondigen dat in de Bijbel Gods Woord is, als het ware verpakt in allerlei, verpakkingsmateriaal. Zoals een kind vroeger niet zomaar, zonder meer, in een kribbe werd gelegd, maar daar in kwam te liggen in een nestje van stro, zo zou ook Gods Woord in de Bijbel liggen. Dat is natuurlijk wel gemakkelijk.. Wat niet in onze kraam van pas komt is verpakkingsmateriaal, is stro. Maar is zoiets in wezen ook niet vrijzinnig?

Zegt het ons verder ook niets dat bij middenorthodoxe predikanten „Vrije geluiden" als radiogids dient? Hoe moet onze houding in deze situatie zijn? Heel zoet maar een beetje meespelen. Nee, zeg ik, nooit en nimmer! We krijgen dan natuurlijk het advies om over te gaan naar de Gereformeerde Keuken, maar dat advies moeten we dan maar naast ons neerleggen. Zoals het nu gaat in onze kerk gaat het onherroepelijk verkeerd! Of zijn we blind voor de feiten? Let eens op in welke gemeenten de kerkgang teruggaat!

De burgerlijke gemeenten groeien vaak met reuzesprongen, maar in een groot aantal dezer gemeenten is dezelfde kerk van voor twintig, dertig jaar nog steeds groot genoeg. Welke gemeenten zitten finanicieel aan de grond? De middenorthodoxe-vrijzinnige gemeenten, met veel leden op papier maar weinig leden die echt meeleven.

Bij vergelijking van links met rechts wordt ook steeds weer dezelfde fout gemaakt. Wat getal betreft is links dan in de meerderheid en daar wordt naar gehandeld, maar men vergeet dat misschien wel tweederde van dezen de kerk verder helemaal koud laat. Ze staan geregistreerd, maar komen zelden of nooit in de kerk en geven praktisch geen financiële steun. Of ik mij nog thuis voel in deze kerk? Nee, helemaal niet!! En toch blijf ik nog!!

We zijn echt blij met dit geluid uit de confessionele kring, en vurig hopen we dat deze inzender steeds lid van de confess, vereniging blijven zal en daar ook bij de voortduur op deze wijze zijn mond zal opendoen. Het zou zonder meer een beduidend verlies voor de geref. bond zijn als deze inzender ook lid van de bond zou worden uit overweging dat ze daar ook wel soortgelijke geluiden laten horen. Het moet de G.B. immers niet gaan om een aantal leden, maar in de eerste plaats om de begeerte dat de waarheid die zij voorstaat zo ver en zo luid mogelijk moge doorklinken. En dat laatste is veel meer het geval als hij in het Hervormd Weekblad een ingezonden stuk schrijft, dan wanneer hij enige plaatsruimte vraagt in de Waarheidsvriend.

Overigens doet deze inzender in feite niets anders dan in totaal andere bewoordingen de vraag herhalen die wij de vorige maal reeds stelden naar aanleiding van het artikel van prof. van Itterzon. Als de schrijver van het ingezonden stuk een trouw lezer is van bet Hervormd Weekblad, dan zal hij zich toch ook nog wel de artikelen herinneren die één van de redacteuren van het blad, namelijk dr. Streeder, schreef om het integreren van de vrijzinnigheid in Den Haag in de kerkelijke gemeente goed te praten. Deze redacteur schreef toen zelfs een artikel om zich te verdedigen tegen een zeer raak ingezonden schrijven, nog vóór dat het ingezonden stuk zelf gepubliceerd was.

De redactie heeft overigenis zijn excuus voor deze vergissing aangeboden, maar dat neemt niet weg, dat hier het paard achter de wagen kwam te lopen en zodoende een heel stuk van het zielige in die verschikkelijke artikelen bedekt werd.

En verder is het nog een vraag voor mij of de inzender uit Emmeloord op het punt van de Schriftbeschouwing zich zo erg gelukkig zal voelen met de mening van de eindredacteur van zijn Weekblad. Deze schijnt namelijk de Schriftbeschouwing van K. Barth toch wel onovertrefbaar te vinden. In het nummer van 24 okt. (blz. 27) stelt hij namelijk o.a. deze vraag: Welnu, wat geeft men zelf voor deze ketterij (van K. Barth in zijn Schriftbeschouwing; UdP.) in de plaats, dat beter, en dieper is, dat meer op de hoogte is van al de problemen die hiermee samenhangen?

De zojuist aangehaalde zin namen we over uit een artikel van ds. Groenewoud onder het opschrift: Handhaving der belijdenis. Hij schrijft daar uitvoerig over de geref. synode van Groningen waar de besluiten van Assen 1926 weer ter tafel kwamen. Ds. Gr. schrijft dan met name over het Schriftgezag en het handhaven van de belijdenis. In het geref. Weekblad (Kok) gaat prof. Ridderbos uitvoerig op dit artikel in en maakt duidelijk dat de problemen die hier liggen nog niet zo eenvoudig zijn. Hij schrijft o.a.: 

Men kan echter naar mijn mening zich niet tevreden stellen met de verklaring, dat men op het formele gezag van de Schrift niets wenst af te dingen. De vraag, die niet minder de confessie raakt, is deze, hoe men zich bij een andere uitlegging van Gen. 2 en 3 dan Assen voor noodzakelijk achtte, tegenover het historisch karakter van de in Gen. 3 verhaalde zondeval meent te moeten opstellen. Dat deze historiciteit tot de materiële inhoud; van het in de confessie beleden Schriftgezag behoort, kan m.i. — welke uitleggingsmethode men ook meent te moeten toepassen — niet worden betwijfeld. En ik ben er van overtuigd, dat niemand op de Synode deze ook maaar een ogenblik in twijfel wilde gesteld zien. De vraag dringt zich echter aan mij op of het verband tussen beide zaken — de hermeneutische (uitleggings-) vraag en de confessionele implicaties daarvan — al voldoende uit de verf is gekomen. Mijn bedoeling methet stellen van deze vraag is niet om de legitimiteit van de nieuwe probleemstelling te ontkennen! Ik meen zelfs, dat deze onvermijdelijk is. Ook wil ik niet suggereren, dat men de historiciteit van de zondeval alléén zal kunnen handhaven bij de, door Assen geëiste uitlegging van de desbetreffende Schriftgedeelten. Maar men zal mi. anderzijds niet moeten denken, dat dit twee heel verschillende kwesties zijn, die niets met elkaar te maken hebben of ook op synodaal niveau afgescheiden van elkaar behandeld kunnen worden. Of ds. Goenewoud dit met mij eens is en of hij dit ook een gezichtspunt vindt, dat voor een confessioneel- Hervormde van belang is, kan ik uit zijn artikel niet afleiden.

In Waarheid en Eenheid gaat prof. Zuidema in op enkele artikelen van zijn collega prof. Waterink. In dit (volgens de mededelingen van prof. Zuidema, zoals u straks zult lezen) wel zeer centrale weekblad voor het gereformeerde leven beklaagt prof. Waterink er zich over dat men in allerlei kerkelijke bladen maar raak schrijft en verschillende onware en oneerbiedige dingen lanceert over prominente figuren in de geref. kerken. Prof. W. schreef boven zijn artikelen dan ook het opschrift: Babbel maar wat raak.. . We verbazen ons er over dat prof. W., die we steeds nog al wat rechts gedacht hadden in de geref. kerk in zulk een heftige botsing komt met zijn collega Zuidema. Onder het opschrift: Een stille revolutie schrijft Zuidema:

Mijn oog zou hierop niet gevallen zijn, indien mijn plaatselijke toentonaad mij ndet idiwoiug, het „Centraal Weekblad" te lezen. Want ik kan niet meer met mijn eagen (kerk meeleven, tenzij ik dit .blad Qiees. Ware dit niet liet geval, ao zou dit scttirjjwen van dr. Waterink mij wel zijn ontgaan. ImmierB amwdlte - van mijn gemoedsirust en térwille ivan mijn eigen taak distantieer ik mij zoveel mogelijk van lectuur, die, hoe centraal zij aich ook moge noemen, op mij meer dian eens een oentrifuigaJe uitweifcing heeft.

TegedijOoeitijd kreeg ik nu edhter te lezen, dat er een „stout" iemand os geweest, die er meer dan aan twijfelen, of dir. Van Peursen wei calvinist is. iDr. Waterink geeft iiem „van dik hout zaagt men planken". Stel u zrich 'voor: de faoiüteit der letteren en wijsbegeerte der V.U. diroeg hem ter ibenoeming aan de V.U. ivoor. De Senaat der V.U. dieed niet minder. De Curatoren idem idem. En dius, zo concludeert prof. Waiteiink, ibet stellen van de gedacihte, dat prof. Van Peursen niet calvinist is, is een „mep aan ihet adires van heel de V.U.". Opnieuw die autoriteiitenKmetbode. De „duisteire Middeleeuwen". In onze tijd tot nieuw leven gebraciht in oonamimistisohe landen. Maiar in het „vrije Westen" en in de kerken der Reformatie als tieginjsel en methode niet aüleen niet aanvaard, maar zelfs uitdrukkelijk verworpen. Masur pok afgeaien hiervan. De conclusie is bezijden de waarheid. En dat wéét dr. Waterink. Hij beter dan menigeen van zijn collega's. Ik zou dit niet openbaar gemaaikt hebben — en zeker niet langs deze weg — als prof. Waterink niet uit de söhool geklapt had. En uit de school klappende, onbetrauwbare en verkeerde inlidhtóng geeft. - Immers, bet is niet waar, dat „heel de V.U." achter dr. Van Peursen staat. In de door dr. Waterink genoemde faculteit der letteren en wijsbegeerte was heel de wijsgerige sectie tegenstandster van een voordracht van dr. Van Peursen tot hooglenaax in de wijsbegeerte aan de V.U. Zij was dait op principiële gronden. Zij dadht dus hetzelfde, als die scterijver uit een blad, die zo oovoorzadhtig en oneerbiedig is, volgens prof. Waterink, dat hij dit neersöhreef. Hetzelfde als „die kleine man". Dat weet prof Waterink. Dat heeft hij meebeleefd. Hij weet dus ook, dat juist degenen, die bij het onderwijs 'in de wijsbegeerte betrokken zijn, tegen de benoeming van dr. Van Peursen tot het einde toe principiële beawaren hadden en nog hebben. Hij weet ook, dat zijn argumentatie ten gunste van deze ibenoeming door mij ibestreden is vooral met mijn bewijs, dat het bleek, dat dr. Waterink ter zake onkundig was: waamran de weerlegging nog steeds is uitgebleven. Nu lundert dat niet, want ook dr. Waterink kan niet op alle gebieden terzakekundig zijn. Net zo min als idie kleine man uit dat blad. Maar het hindert wel, 'als prof. Waterink desondanks Eadh als paladijn opwerpt van wat hij niet .'^^^^^- •'-'^ '^'^^^ ^'''^ "^^^ ^ autoriteitenmethode .hantee(rt, en zacteelf een autoriteit acht, en dus ... JMaar het kan niet onder gereformeerden, en het ikan ook niet op wetensdhappelijk gelbied, alttians buiten het commuinistiiscihe etpf. Het is dus niet waar, dat die kleine man „een mep aan het adres van Iheel de V.U." uitdeelde. Waar is, dat hij het niet deed, -, Betioorlijkheidjseisen vorderen, dat dr. Waterink dit in het „Centraal Weekblad" onomwonden, ruiterlijk en duidelijk erkent. En excuus aanbiedt aan het adres van zijn collega's, die hij tegen beter weten in verantwoordelijk stelde voor datgene, waar zij met al hun macllit tegen gestreden hebben. Alsmede aan liet adires van de „kleine man". Excuus voor eigen onbetrouwbare en verkeerde inlichibing. En daailbij eens rustig, zoals hij dat in de vakantie pleegt te doen, gaat nadenken; ditmaal over de kop van eijn artikel, geheten: „Babbel maar wat raak ... ".

Wij heiblbeii in de voor ons ildggende tijd dtis nog heel wat te verwachten in de igerefoimeerde keikelijike pers onder het hioofd: HeiToepen, comigeren en reöhitzeitten. We waöhten immers ocdk nog steedis op zoiets uit de pen van prof. Polman, die op niet mis te verstane wijze door prof. Kamphuis beschuldigd werd van veidraaiinig van de feiten of söhromelijke onk'unde; het Iging toen over het stuk van de verwerping zoals dit in^de Sohriftelijke Conferentie werd besdhreven en toegeHcht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's