De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KERK TEMIDDEN VAN HET TORADJAVOLK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KERK TEMIDDEN VAN HET TORADJAVOLK

9 minuten leestijd

Dat een kerk moet leven te midden van het volk zal onder ons niet veel tegenspraak ondervinden. Dat een kerk zich niet mag terugtrekken uit de wereld en zich niet mag onttrekken aan het leven van het volk, waaronder God haar deed ontstaan, is duidelijk uit Gods Woord. Was het niet de Christus, Die zijn kerk vergadert en beschermt. Die het gezegd heeft, dat de kerk moet zijn een zoutend zout en een lichtend licht ? Hij zeide tot Zijn Vader: „Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze". Het tegendeel van terugtrekken uit de wereld beveelt Hij: „Gaat dan heen in de gehele wereld". De kerk moet getuigen (= laten zien en horen) van Hem in deze wereld.

Maar al is deze opdracht van Christus duidelijk, toch heeft de kerk er zich niet altijd aan gehouden. De kerk heeft niet altijd haar taak verstaan.

Ook op sommige zendingsvelden is men er wel toe gekomen om de christenen uit hun dorps- of volksgemeenschap los te maken en ze bij elkander laten wonen om een eigen gemeenschap te vormen. In de Toradjalanden is deze kwestie meerdere malen ter sprake gekomen. En geen wonder. Er waren heel wat redenen aan te voeren ten gunste van deze gedachte.

Daar gaat een grote zuigkracht uit van de oude adat op de zo pas geworden christen. Die oude adat is een gemeenschap die zeer sterk is. Zij is eigenlijk één geheel. En als men daar van kindsaf in opgevoed is dan valt het niet mee om daarmee te breken, maar ook niet om er zich blijvend aan te onttrekken, wanneer men nog midden in die gemeenschap leeft. Voor menig Toradja bleek die zuigkracht op de duur te sterk te zijn. Men viel weer terug in het heidendom.

De vijandschap van de gemeenschap tegen de enkeling die christen werd was vaak ook niet gering. De weinige christenen, die er in het begin waren, hadden het niet gemakkelijk. De Toradjaman die christen werd had vaak zijn vrouw tegen. Het is wel gebeurd dat de vrouw, haar kinderen meenemend, de man verliet. Ook is meerdere malen voorgekomen dat een man, wiens vrouw christin was geworden, haar terugstuurde naar haar ouders. Er waren ouders die zich geheel en al terugtrokken van we de familieleden en dorpsgenoten ten kreeg men geen gehoor. Een christen werd als een soort pest gezien en behandeld in de dorpsgemeenschap. Ik denk aan die 6 jonge mannen, die zondags in een naburige gemeente gedoopt waren en mij vroegen de volgende dag met hen mee te gaan naar hun dorp. We waren nog een heel eind van hun dorpen en huizen verwijdend, toen we de familieleden en dorpsgsnoten hoorden schreeuwen en gillen van boosheid. Toen we bij de woningen kwamen waren ze gesloten en geen mens was er meer te zien. De ouders, de broers en zusters wisselden geen woord met hun gedoopte familielid. Door familie en dorpsgenoten werden ze genegeerd. Men deed alsof ze niet bestonden. Zo vaak ik ze bezocht, had ik met hen te doen. Een gebed steeg er vaak op of de Heere hen sterken en standvastig maken wilde. Twee van deze jonge mannen konden het op de duur niet uithouden en zijn weer heiden geworden. Genegeerd worden is voor niemand gemakkelijk, maar voor een Toradja zeker niet. Meerdere malen kwam dan ook de gedachte op, is het niet beter de christenen uit hun omgeving te halen en een apart dorp voor hen te stichten, waar men elkander tot steun kan zijn.

Ook door de dorpsbewoners werd deze gedachte geuit. 

Men meende, een christen hoort toch eigenlijk niet meer in een Toradja-gemeenschap thuis. Zij kunnen eigenlijk nergens meer aan meedoen. Geen offers meer aan de goden brengen, wanneer de rijstvelden bewerkt moeten worden. En wanneer de rijst rijp is, kunnen ze eigenlijk niet mee rijst snijden, want de rijstgod zou immers boos worden en de rijstoogst bederven. Jaren geleden was er een muizenplaag gekomen die de te velde staande rijst dreigde te vernielen. Wie kon men anders de schuld geven dan de paar christenen die in hun dorp woonden ?

Ik denk aan die jonge man, die maar geen vrouw kon vinden omdat hij christen was geworden. Was het voor de dorpsgemeenschap ook niet beter wanneer die christenen maar weggingen ? zo vroegen de Toradja's dikwijls. We zouden de Toradja's een dienst bewezen hebben, wanneer de christenen in christelijke „gettho's" waren ondergebracht.

Toch werd een dergelijk verzoek altijd weer afgewezen.

En wat is dit besluit zegenrijk geweest.

Menig christen Toradja is nu een getuige geweest te midden van een hem vijandige omgeving. Soms was er vreugde in een familie en in een dorp, wanneer een christen weer ging meedoen aan de heidense offers. Maar anderen gingen door met vertellen van wat zij gehoord hadden over de Heere Jezus. Twee mannen waren samen aan de arbeid op de sawah en de christen leerde aan de heiden de 12 geloofsartikelen of de tien geboden of vertelde wat hij zondags in de kerk had gehoord.

Zo werd vaak op zeer eenvoudige wijze het Woord van God verder gebracht. En nu na jaren zouden we kunnen zeggen, en velen der Toradja's geloofden in Hém, om het woord der vrouw of van de man, die getuigde. En later zouden ze zeggen: „Wij geloven niet meer om uws zeggens wil, want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld". Naast schoolarbeid, medische dienst, vertaal- en colportagewerken evangelisatie, heeft het verblijf van de christen Toradja in eigen omgeving veel meegewerkt aan de verbreiding van de kennis van het Evangelie. Al deze dingen heeft God in Zijn genade willen gebruiken tot uitbreiding van Zijn kerk. In bijna alle dorpen vindt men thans grotere of kleinere groepen christenen.

Thans staat de Toradjakerk in het midden van het Toradjavolk. En welk een plaats die kerk inneemt onder het volk is wel duidelijk gebleken op de jubileumdagen in juli 1963.

De gehele bevolking was in actie.

Vele niet christenen hebben meegeholpen het jubileum te doen slagen. Bij alle verscheidenheid van kerken en secten is er voor het Toradja-volk toch eigenlijk maar één kerk, de Toradja-kerk.

Deze plaats wordt haar wel benijd. Het verzet en de bestrijding van het heidendom is er nog wel bij enkele personen en in sommige dorpen, maar daar liggen de grote moeilijkheden op het ogenblik voor de Toradja christenen niet. De Toradja-kerk zal nu een open oog moeten hebben voor het gevaar, dat door de achterdeur weer binnen kan komen wat men vroeger vanuit de voordeur bestreed. Toen men vroeger door de oude adat bestreden werd, wapende men zich daartegen. Wat is er vroeger veel gesproken over de boekoe leso — (heupbeen van een geslachte buffel — die aan het adathoofd gegeven moest worden. Nu hoort men het niet meer noemen, maar op verschillende plaatsen wordt het stilzwijgend gegeven. Bij de oude adat was het haast een strijd, wie wel het grootste dodenfeest kon geven. Thans wil de een de ander wel eens overbluffen bij een huwelijksfeest.

Een van de grootste moeilijkheden voor de Toradja-kerk is wel gelegen in de actie van de R.K. missie. De missie benijdt de Toradja-kerk haar plaats te midden van het Toradja-volk. Op allerlei wijze probeert zij de Toradja-kerk te overvleugelen. Haar strijdmiddelen zijn niet altijd open en eerlijk. Een van de Pastoors uit de Toradja-landen zeide : „over tien jaar zijn wij de eersten in de Toradja-landen".

De Toradja-kerk heeft ons aller gebed en steun nodig.

Geve de Heere haar rust van de vele vervolgingen, waar zij aan bloot gestaan beeft. Hij geve haar open ogen voor de gevaren, waarin zij vefkeert. Hij geve baar ook de kracht om te strijden de goede strijd des geloofs en om pal te staan bij de aangenomen belijdenis.

Eén dezer dagen ontving ik nog weer een brief, waarin bij vernieuwing werd aangedrongen een paar theologen te zenden voor een te openen theologische school. Om in de predikantennood te voorzien worden thans mensen met een lagere opleiding tot predikant beroepen. Dit mag toch eigenlijk zo niet voortduren. Hier moet geholpen worden, opdat zij haar plaats te midden van dit volk mag behouden.

De Toradja is in het algemeen Toradja gebleven.

De loodsen, gebouwd voor het jubileum, waren geheel in Toradja-stijl opgetrokken en met allerlei Toradja-motieven versierd. Rondom de helder witte kerk waren deze loodsen gebouwd. De kerk in het midden. Daar wilde men ook op dit juibileum uitdrukking van geven. De grote boot, van bamboe opgetrokken, wees met de voorsteven naar de kerk. De naam die men de boot gegeven had sprak duidelijke taal: „Bahtera Indjil" = het schip van het Evangelie.

Een van de oudere onderwijzers, wiens zoon een leidende fuctie heeft in de Toradja-kerk en wiens tweede zoon tot assessor op de laatst gehouden synode gekozen werd, zeide tot mij: „De Toradja-kerk heeft aan jongeren en ouderen willen tonen dat wij Toradja's ook christenen kunnen zijn, maar dan moet het Woord van God in het middelpunt staan en dan moet dat Woord het richtsnoer voor ons zijn".

De Kerk, maar dan met het Woord in het midden.

Zo behoort het te zijn. De kerk heeft dat Woord te laten horen en heeft zelf onder de tucht van dat Woord te leven. „Niet het volk der Toradja's met zijn rijke cultuur en folklore" stond in het middelpunt, maar de kerk met het Evangelie des Kruises. Dat Evangelie des kruises heeft onder de zegen des Heeren wonderen verricht in het Toradjaland.

Dat wondere werk, dat harten verbrak, maar ook heelde; eerst vijandschap wekte, maar toch ook verzoende; dat tegenwerkers maakte tot medewerkers ; dat de duisternis van geesten- en voorouderverering verdreef en het licht van het Woord liet schijnen.

De kerk met het kruis-Evangelie in het midden. 

Is het niet om jaloers op te worden. Heel het volk leefde mee met dit jubileum. En dat terwijl deze kerk de laatste 10 jaren telkens weer aan vervolging bloot stond en door veel nood en lijden is heengegaan. Door de nood en de strijd heen zijn kerk en volk saamgegroeid. Niet, dat : dit jubileum verviel in een volksfeest. Dat werd heel duidelijk bij de dankstonden die gehouden werden, waar alle nadruk werd gelegd op wat God door middel van Zijn Woord heeft gedaan en waarbij terecht alle folklore werd geweerd.

Gods Woord en werk stond in het middelpunt, zoals een kerk past.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1963

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

DE KERK TEMIDDEN VAN HET TORADJAVOLK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1963

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's