De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In gesprek met Israël

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In gesprek met Israël

13 minuten leestijd

De Kerk bevindt zich doorlopend met Israël in gesprek. Zodra zij zoekt de Schriften te verstaan, tast naar de waarde van het Oude Testament, haar geloof belijdt in de Messias Israels, getuigt van haar toekomstverwachting, bevindt zij zich in gesprek met Israël. De hele christelijke prediking is niet anders dan het luisteren naar het Woord Gods, dat bij monde van Israël tot ons komt en de reactie daarop. Ieder christelijk dogma is een beslissende wending in dit gesprek. Ook de gedachte, dat Israël in het heil zou hebben afgedaan en dat de kerk haar volledige erfenis zou hebben overgenomen, is een fase, zij het dan de eindfase, van dit gesprek.

In dit artikel willen wij spreken over het huidige jodendom. Het is de vraag of wij ons daarmee wel in gesprek bevinden. De kennis van de lotgevallen van dit volk is sterk toegenomen en het land werd 't doel van een uitgebreid tourisme. Maar dat betekent nog allerminst, dat er een werkelijk gesprek gevoerd wordt. De kennis van het moderne jodendom is ook onder theologen ontstellend gering. Wat weet men van figuren als Leo Baeck, Martin Buber en anderen? Israël 'staat in een slechts zeer oppervlakkige zin in de belangstelling. Ook voor het heil voor Israël hebben wij doorgaans weinig oog. In de prediking komt het tenminste amper aan de orde. Het zou interessant zijn na te gaan hoe de zegen van Simeon in de doorsnee-prediking wordt verkondigd, dat Hij gegeven is tot verlichting der heidenen en tot vertroosting van zijn volk Israël. Wanneer de tweede helft van deze zegen onder de tafel valt zou men dat antisemitisme moeten noemen en dan nog wel van een zeer venijnige soort. In elk geval verraadt het een hardnekkige onwil om zich in het gesprek te begeven.

Het woord „gesprek" is tegenwoordig een modewoord. Het is een uiting van het relativisme. Wij zijn naar alle kanten in gesprek. Men zou wellicht beter kunnen zeggen, dat wij met alles en iedereen babbelen, erg interessant en toch vrijblijvend. Er zit vaak niet zozeer de hartstocht voor de waarheid achter als wel de zorg, dat wij ergens niet voor vol zouden wonden aangezien. Het gesprek is vaak de camouflage van ons diepgaand gebrek aan zekerheid.

Wanneer wij ten aanzien van Israël het woord „gesprek" gebruiken en daar ook een hardnekkige voorkeur voor aan de dag leggen bedoelen wij daarmee juist ernst te maken met de waarheid. Lange tijd werd vrijwel algemeen gesproken over de zending onder de joden. Wanneer wij daar kwaad van zouden willen spreken zouden wij tekort doen aan de ernst en de liefde van veel arbeiders onder Israël. Toch zijn wij over vrijwel de gehele linie op dit spraakgebruik teruggekomen, omdat het al te zeer de 'gedachte suggereert, dat het werk onder Israaël samen met de heidenzending valt onder de opdracht: gaat heen en onderwijst alle volken. Juist Israël behoort immers niet tot de volken, maar is het volk, het unieke volk Gods. Israël staat wel buiten het geloof in Christus, maar niet buiten de bijbelse openbaring.

Wij hebben het een en ander met Israël gemeenschappelijk, namelijk het Oude Testament, het verbond, de belofte, de wet, de Messias. Zelfs dat wij dat met Israël gemeenschappelijk hebben is nog te zwak gezegd. Wij hebben het van Israël ontvangen; het heil is uit de joden. Wij ontmoeten Israël binnen de ruimte van de openbaring Gods en van Zijn verbond. Daarom spreken wij bij voorkeur van het gesprek met Israël om deze ontmoeting scherp te onderscheiden van onze venhouding tot het heidendom. Israël is immers een serieus te nemen gesprekspartner; het heeft van God ook het een en ander ontvangen en geleerd. En in het gesprek met Israël is de Kerk niet alleen leraar, maar ook zeer wezenlijk leerling.

Vanuit Israël wordt vaak dat „leerling-zijn" van de Kerk onderstreept. Zo zegt de Zwitserse rabbijn dr. Ehrlich, dat hij graag het gesprek wil voeren met de christelijke kerk. Niet omdat hij dat als jood nodig zou hebben, want de joden hebben de volle openbaring Gods. Maar omdat de christenen het nodig hebben door de joden vanuit hun euwen oude schat aan Schriftervaring en Schriftkennis te worden onderwezen. Men zou zo'n uitspraak hautain kunnen noemen. Hij verraadt in elk geval, dat wij een zeer ernstig en zeer moeizaam gesprek moeten verwachten. Martin Buber zegt trouwens iets dergelijks wanneer hij stelt, dat Christus voor de joden niet nodig is omdat die God al lang kennen, maar dat Hij positieve betekenis heeft voor de heidenvolken, omdat Hij voor hen de weg is tot de kennis Gods. In dit artikel laten wij de orthodoxie buiten beschouwing, omdat die voor het huidige joodse geestesleven amper interessant genoemd kan worden.

Dat wij met Israël het Oude Testament gemeenschappelijk hebben zegt veel minder dan het lijkt. Zodra wij het immers samen gaan lezen wordt de afstand pijnlijk zichtbaar. Tegenover het christelijk dogma van de zonde zou men van het joodse dogma van de erf-deugd kunnen spreken, in zoverre een joods dogma denkbaar is. Het jodendom is er immers diep van overtuigd, dat de mens onschuldig wordt geboren. Er is wél een zekere „boze neiging", maar die kan door berouw, gebed en goede werken worden overwonnen. Het menselijk initiatief en het menselijk handelen zijn wezenlijk voor het totstandkomen van het heil. Het joodse denken vertoont een sterke verwantschap met het moderne humanisme en het Oude Testament wordt gelezen als de oorkonde daarvan. In het joodse denken staat niet de verzoening, maar de verlossing centraal. Men denkt aan een wereld waarin enkeling en samenleving bevrijd zullen zijn van alle kwaad, van ziekte en dood, haat en oorlog en waarin de gerechtigheid en de vrede alles zullen beheersen. En daarbij gaat de samenleving voor de enkeling. Dat betekent, dat de christelijke problematiek in het joodse denken hoogstens een randverschijnsel vormt.

Daarom is het onjuist het zo te stellen, dat het verschil tussen jodendom en christendom hierin zou liggen, dat het christendom Christus belijdt als de gekomen Messias, terwijl het jodendom zou uitzien naar de komende Messias. Daar ziet het jodendom vrijwel in zijn geheel juist niet naar uit. Het gaat daar veel meer om het messiaanse rijk, om de nieuwe sociale wereldorde. Wie de joden ziet als het volk, dat uitziet naar de komende Messias koestert een romantisch beeld van Israël. Scholem ben Chorin heeft gezegd: in het christendom stelt Christus het Rijk in de schaduw, terwijl in het jodendom het Rijk de Messias in de schaduw stelt. Israël houdt zich niet met de Messias bezig, maar met zichzelf, met de vraag: wie zijn wij, wat is onze opdracht en onze bestemming? In welk opzicht heeft ons lot en ons handelen deel aan de messiaanse werkelijkheid? Deze visie heeft Israël geholpen om te komen tot een welhaast blijmoedige aanvaarding van haar harde lijdensweg.

Israël heeft nooit de Messias kunnen zien als de lijdende Knecht des Heeren. Reeds in het Nieuwe Testament ontmoeten wij dit conflict. De tekst uit Deut. 21, dat die aan het kruis hangt van God vervloekt is speelt in de joodse afwijzing van Christus een zekere rol. Men vindt dit argument nu nog, b.v. bij J. Klausner. Het kruis is voor Israël het skandalon, de ergernis, het bewijs van Zijn ontmaskering. Het maakt Hem voor Israël tot op de huidige dag onaannemelijk. De echte Messias moet immers herkenbaar zijn aan Zijn voorspoed; Hij komt niet om de nederlaag te lijden, maar om te overwinnen. Bij iemand als Maimonides wordt het „succes" nadrukkelijk onderstreept. Men leze het volgende citaat: „Als er een koning uit het huis van David op zou staan, die zijn geest tot de thora zou wenden en evenals de stamvader David de geboden vervult, zowel de schriftelijke als de mondelinge leer en geheel Israël er toe zou brengen naar de thora te leven en die te bevestigen dan kan hij voor de Messias gehouden worden. Neemt zijn werkzaamheid een voorspoedig verloop, overwint hij de volkeren der wereld, herbouwt hij de tempel en vergadert hij de verstrooiden van Israël, dan is er geen twijfel meer, dat hij de echte was. Werd hij echter door het geluk niet begeleid en viel hij in de strijd, dan was hij niet degene, die ons naar de belofte zal gezonden worden, maar een van de andere vrome koningen uit het huis van David, die omgekomen zijn". Tot zijn echtheid wordt dus geconcludeerd op grond van het welslagen van zijn opdracht.

Maimonides leefde zoals u weet in de Middeleeuwen. Het is begrijpelijk, dat zo de verwachting van de persoonlijke Messias steeds meer vervaagt en vervangen wordt door de voorspoed van het Rijk, dat met zijn komst aan zal breken. Het gaat steeds minder om de Messias zelf en steeds meer om de daden van de Messias, het herstel van de rechte orde. Steeds weer zijn er in de benauwdheid soms wilde speculaties over de komende Messias, maar die lopen allemaal op een mislukking uit. Al die teleurstellingen doen het accent des te zwaarder vallen op zijn Rijk, dat komt. Leo Baeck brengt het als volgt onder woorden: „Niet het geloof in de ene mens, die de wereld vernieuwen zal, maar het geloof in het nieuwe leven, dat op aarde zal ontstaan, wordt beleden. Bovendien is het in tegenspraak met het wezen van het jodendom, dat een mens in die zin uit de mensheid zou worden afgezonderd, dat hij voor haar alles zou betekenen en haar alles zou geven".

Dat de Messias reeds gekomen zou zijn en verlossing zou hebben teweeggebracht, is voor Israël onbestaanbaar, omdat er nog steeds van die verlossing niets te bespeuren valt. Geen volk is er zo diep van overtuigd als Israël, dat wij in een onverloste wereld leven. En het werk van de Messias zal zijn daar een beslissende wending in te brengen. Zijn komen moet immers het aanbreken van de heilstijd zijn. Zolang dat niet bespeurd kan worden is het bericht van Zijn komen slechts een loos gerucht. Zo zegt Leo Baeck: „Aan het lot van de joden kan worden afgewezen hoeveel van de weg er nog moet worden afgelegd, totdat de dagen van de Messias aanbreken". In een chassidische legende wordt verhaald, dat in de tijd van rabbi Menachem een dwaas ongezien de Olijfberg besteeg en daar op de bazuin blies. Onder het volk ging het gerucht, dat die bazuin de verlossing verkondigde. Toen het gerucht ook tot rabbi Menachem doordrong opende hij het venster, keek naar buiten en sprak: „Er is nog geen vernieuwing".

Wij zouden kunnen zeggen, dat bij Israël de verlossing dermate centraal staat, dat de verzoening amper meer ter sprake kan komen. Daarop richt zich alle hoop onder de harde last van de onverlostheid, zelfs in klimmende mate. Het wrede verlangen waaraan het volk werd blootgesteld heeft dit verlangen niet kunnen doven, integendeel. Maar het gevolg is ook, dat het gesprek over de persoon van Jezus van Nazareth als de Messias op meer weerstanden stuit dan ooit. En dat niet alleen omdat Israël zo herhaaldelijk in de naam van Christus en onder de vlag van de christelijke beschavinig naar het leven werd gestaan. Wij beseffen dat met diepe schaamte en grote ootmoed. Het christendom in al zijn gestalten vertoont een brede antisemitische onderstroom. En konden wij maar volstaan met van een onderstroom te spreken. Het rooms-katholicisme en het protestantisme hebben elkaar weinig te verwijten en 'n onderzoek in te stellen naar de verdeling van de verantwoordelijkheid heeft weinig zin. Het behoeft niet te verbazen, dat Israël er bitter weinig voor voelt de kruisvlag te laten hijsen in eigen land. Die is voor haar een even weerzinwekkend teken als voor ons het hakenkruis. Bij telkens nieuwe uitingen van agressiviteit tegen de christelijke geloofsverkondiging in Israël hebben wij weinig reden tot ergernis. Wij tobben des te meer reden in een diepgaand theoloigisch en geestelijik onderzoek te trachten zo aan het ons opgedragen gesprek deel te nemen, dat niet ons christendom, maar de werkelijke gestalte van Jezus van Nazareth zichtbaar wordt. De verleidinig is groot tot Christus-getuigenis in tot gesprek voorlopig maar terzijde te laten. En er zijn wegen van de Kerk tot Israël, die voor deze verleiding capituleren. Maar wij kunnen niet anders; wij moeten van Christus getuigen, anders tobben wij niets meer te zeggen. Wanneer het gesprek een vorm van benadering zou zijn waarin aan Israël de ergernis zou worden bespaard heeft dr. Ehrlich gelijk, dat wij veel te leren, maar niets te geven hebben. Ik hoop op deze wijze duidelijk gemaakt te hebben welke problemen er ontstaan zodra de Kerk zich met Israël in gesprek begeeft. 

Intussen hebben wij niet alleen te geven, maar zeker ook te leren. Men zou dan kunnen denken aan de schat van rabbijnse wijsheid, die voor ons bij ernstige schriftstudie onontbeerlijk is. Tot onze grote schade hebben wij deze schatten al te zeer verwaarloosd. Maar ik bedoel nu vooral, of het niet waar is, dat bij ons de persoonlijke Christus het Rijk heeft overschaduwd. En ook of het niet waar is, dat de verzoening en dan met name naar haar individueel aspect zozeer centraal gesteld is, dat de verlossing in het geloofsleven amper meer aan de orde komt. Zijn wij het messiaanse visioen niet goeddeels kwijtgeraakt? Horen wij nog wat Paulus hoorde, dat het ganse schepsel zucht als in barensnood, verwachtende de dag van de Messias? Weten wij nog, dat de komst van Christus betekenis heeft voor enkeling en samenleving, voor cultus en cultuur? En dat de verwachting ons richt naar die toekomst waarin God zal zijn alles en in allen?

Zuchten wij wel onder de onverlostheid van deze wereld en weten wij nog, dat God een andere wereld wil, een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont? Het geloof in Christus en in zijn verlossend handelen kan zich onmogelijk verdragen met een christelijke aanvaarding van de status quo. Het betekent juist de critiek op het bestaande en de verwachting van ligt nieuwe. De ware volgelingen van de Messias Israels hebben iets rebels. Ik dadht, dat wij het gesprek met Israël nodig hebben om dit opnieuw te leren in zoverre wij het tenminste ooit geweten hebben.

Dan staan we met Israël samen in de verwachting: wat is er van de nacht? Het is nog nacht. Maar wij weten dat wanneer de hoop van Israël in vervulling gaat en het verwachte heil van de Kerk tot werkelijkheid wordt Kerk en Israël samen zullen knielen voor de Ene: Jezus de Messias van Israël en van de volkeren.

(Utrecht)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1963

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

In gesprek met Israël

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1963

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's