Het bestaansrecht van de reformatie
Heel de christenheid viert straks weer Kerstfeest, het feest van Hem die kwam om vrede te brengen op aarde.
Intussen is het echter nog lang geen vrede, ook niet tussen de kerken. Die liggen voor het merendeel nog even ver uit elkaar als sinds tientallen of zelfs hondendtallen jaren.
Dat roept als vanzelf de vraag op of ze dan nooit ernst gemaakt hebben met de vrede die Jezus Christus, hun Heere op aarde gebracht heeft, en die toch niet slechts bestaat in het innerlijke, in het hart van Zijn gelovigen, maar ook in heel hun leven, ook samenleven zich dient te openbaren.
Sinds ongeveer vier eeuwen spreekt men van reformatiorische kerken, ontstaan uit het optreden van Luther en Calvijn en de andere reformatoren.
Nooit zijn ze er toe gekomen „terug te keren" tot de rooms-katholieke kerk, hoewel die al menigmaal daartoe heeft opgeroepen. Het ziet er ook niet naar uit, dat dit binnen afzienbare tijd gebeuren zal. De kloof tussen de rooms-katholieke kerk en de reformatorische kerken lijkt vaak iets blijvends te zullen zijn.
Het kan zijn nut hebben, ja het is zelfs nodig dat wij bij tijden ons afvragen of het verantwoond is, verantwoord jegens Hem die kwam om vrede te brengen en die om de eenheid gebeden heeft. Het is de vraag naar het bestaansrecht van de Reformatie!
Er zullen er in de reformatorische kerken zijn — misschien zelfs velen — die per sé weigeren deze vraag ooit te stellen. Het bestaansrecht van de Reformatie wordt door hen zomaar zonder meer aanvaard, ze geven zich er geen rekenschap van, of willen dat zelfs niet.
Het staat te vrezen dat deze zelfverzekerde houding meestal voor een groot deel voortkomt uit een zeker onvermogen, een zekere onmacht die men juist onder reformatorische christenen het allerminst zou mogen aantreffen. De Reformatie immers heeft er altijd grote nadruk op gelegd dat de christen „mondig" zal zijn, dat hij zal weten wat hij gelooft en daar ook verantwoording van af zal kunnen leggen.
Bovendien, de reformatoren zelf, hoe fel hun strijd ook was tegen Rome, hebben nooit nagelaten zich af te vragen waarom ze Rome afwezen. Ze hebben het niet zomaar gedaan. In ieder geval hebben ze daarin niet alleen maar zich door hun sentiment, in dit geval hun antipathie jegens Rome laten drijven.
Ze zijn ook niet afgegaan op het oordeel van enige drijvers of raddraaiers, die hier ook toen wel waren. De zaak waar het hen om ging was daarvoor veel te ernstig, en hun geweten was daardoor te zeer gebonden aan het oordeel Gods, ja aan dat oordeel alleen.
Daarom hebben ze de rooms-katholieke kerk ernstig genomen, ernstiger dan die kerk zelf vermocht te doen in de 16e eeuw. Het was hen niet om revolutie te doen maar om reformatie. Ze verloren het geheel van de christenheid niet uit het oog. Ze betreurden het dat de kerk niet naar hen luisteren wilde, d.w.z. naar hun evangelieverkondiging, want graag hadden ze heel de kerk teruggebracht tot het Woord Gods. Het pausdom konden ze niet anders dan verwerpen, maar daarom schreven ze nog niet heel de kerk af waarin ze geboren waren en waarin ze aanvankelijk geleefd en gewerkt hadden, maar die hen tenslotte op de keien had gezet.
Sinds Luther en Calvijn is er het een en ander en zelfs een heleboel gewijzigd. De rooms-katholieke kerk is evenmin als andere dezelfde gebleven. Ze is er naar de maatstaf van het evanigelie gemeten niet beter op geworden, al werden bepaalde misstanden opgeruimd. Ze heeft zich in haar verzet tegen de Reformatie verhard in de dwaling en is daarin verder gegaan. Er is een enorme verwijdering ontstaan tussen de leer der reformatorische kerken en die der roomskatholieke kerk.
En toch zullen we ook nu nog ons niet zonder meer van die kerk mogen afmaken. Het blijft zinvol te vragen naar het bestaansrecht der Reformatie. Waarom zijn we van de rooms-katholieke kerk gescheiden en zullen we dat — zoals de zaken ook nu nog staan — moeten blijven?
Er is op deze vraag onlangs een antwoord gegeven door de in Duitsland en ook wel daarbuiten bekende Duitse lutherse hoogleraar Heinrich Bornkamm in een pocketboek dat tot titel draagt: Das bleibende Recht der Reformation (Hamburg 1963). Er staan in dit boekje vele waardevolle dingen. Bornkamm is iemand die allerminst de verschillen tussen de Reformatie en Rome verdoezelt of bagatelliseert; hij is niet een eenheidsdrijver. Nuchter overweegt bij de tegenstellingen en komt dan tot de conclusie dat de Reformatie tegenover Rome nog altijd bestaansrecht heeft, en dat ze dat in de 20e eeuw zeker niet minder heeft dan in de 16e eeuw, omdat er in die tijd het een en ander is gebeurd waardoor Rome zich nog verder van het evangelie heeft verwijderd.
Het boekje kan in wat het tegenover Rome naar voren brengt bijna geheel onze instemming hebben, maar er blijven vragen over. En dat niet alleen, ook een zekere onbevredigdheid, omdat we een diepere peiling van de controverse tenslotte missen.
We willen daar in dit artikel wat dieper op ingaan, omdat we de visie van Bornkamm niet bij hem alleen, maar al zo vaak tegenkwamen. Door zovelen wordt het eigenlijke verschil tussen Reformatie en Rome geschetst als door Bornkamm, die er vooral een verschil in kerk-opvatting in ziet.
Hij geeft eerlijk toe dat Luther en de andere reformatoren zelf hier niet zozeer aan gedacht hebben. Voor hen zat de zaak met Rome veeleer vast op andere punten, vooral dat van de rechtvaardiging door het geloof.
Maar dat zou volgens Bornkamm in wezen toch niet het eigenlijke punt zijn waarop tenslotte Rome en de Reformatie uiteen gingen.
Deze gedachte werkt hij als volgt uit. Luther heeft al dadelijk toen hij in conflict kwam met de roomse autoriteiten, zich beroepen op de Heilige Schrift. Hij heeft in allerlei debatten, daarbij denken we vooral aan die met Cajetanus en Eck zeer dringende vragen aan Rome gesteld. Maar Rome ging er niet op in. Luther kreeg geen antwoord. Had zij dat wel gehad dan was de ontwikkelinig waarschijnhlijk heel anders gelopen dan nu het geval is. Er was maar een ding waar Rome, zelfs in haar meest eminente vertegenwoordigers, Luther telkens mee op het lijf viel, dat was n.l. de eis van herroeping. Rome eiste gehoorzaamheid, onderwerping.
Tendele berustte dit op het feit, dat Rome in de 16e eeuw eenvoudig niet bij machte was om Luther te antwoorden zoals het behoorde. Hij was allen in kennis van de Schrift verre de baas.
Maar er zit toch ook nog meer achter. Namelijk het specifiek rooms-katholieke kerkbegrip, dat zich in de middeleeuwen ontwikkeld had. Het ambt had in de kerk een gezag gekregen dat alle proporties te buiten ging. Wat conilies hadden besloten gold als goddelijke waarheid. Men had maar te geloven wat de kerk leerde.
Op dit punt nu botsten Luther en Rome. Luther wilde niet herroepen, hij wilde zich niet onderwerpen, hij kón het niet. Er was tussen hem en Rome een diepgaand verschil in waarheidsopvatting. In Luther presenteerde zich een nieuwe wereld, n.l. die van geloven krachtens persoonlijke overtuiginig tegenover de oude wereld van geloven op gezag. Het was het recht van de Reformatie neen te zeggen tegen de pretenties van Rome. En dat recht bezit de Reformatie nog steeds. Omdat Rome nog nooit van haar zelfverzekerde kerkopvatting afstand heeft gedaan; nog altijd onderwerping eist, n.l. aan haar dogma's en aan de hiërarchie, sinds 1870 toegespitst in de figuur van de paus.
Twee dingen zitten Bornkamm dan ook in het bijzonder dwars. In de eerste plaats het dogma van Maria's hemelvaart (1 nov. 1950). Niet in de eerste plaats de inhoud van dit dogma vindt hij verwerpelijk (hoewel dat ook), maar nog meer de manier waarop het gerechtvaardigd wordt. Rome zelf moet toegeven dat er voor een hemelvaart van Maria uit de H. Schrift geen getuigenissen zijn aan te halen. Trouwens, ook in de eerste eeuwen van 't christendom, tot in de middeleeuwen toe is er niets over te vinden. Dus ook de traditie, waar Rome zich altijd op beroept, kon hier geen bron zijn. Tenminste niet de traditie in de zin van Trente, die haar laat teruggaan op de tijd van de apostelen. De kerk zélf is het die als bron van de waarheid gaat fungeren, en bij het woord „kerk" moeten we dan vooral denken aan de hiërarchie, of zelfs alleen aan de paus. Wat Pius IX eens in 1870 zou hebben gezegd, n.l. : Ik ben de traditie, dat heeft Paus XII in 1950 waargemaakt. De Reformatie kan niet anders dan deze kerkelijke en pauselijke zelfoverschatting weerspreken.
Het tweede wat Bornkamm dwars zit is Rome's houding tegenover de oecumenische beweging. Rome heeft nog steeds geweigerd andere kerken als kerken te erkennen. De rooms-katholieke kerk is de enige ware kerk. Het is geen koppigheid, als we daar neen tegen zeggen, zoals Luther ook deed. Rome heeft Luther tenslotte in de ban gedaan, dat was het begin van de Reformatie, d.w.z. van de Reformatie, als eenmalig historisch gebeuren in de 16e eeuw. Deze Reformatie heeft tegenover de aanspraken die Rome laat gelden, tegenover het Selbstverstandnis van de rooms-katholieke kerk, dus haar eigen kerkopvatting nog altijd bestaansrecht!
Nogmaals, veel is er in deze argumentatie dat we van harte kunnen beamen. Het is inderdaad een feit dat Luther niet heeft kunnen en willen herroepen. Dat hij weigerde te geloven op gezag van de kerk. Dat hij allleen durfde staan met Gods Woord en zijn geweten. En het is óok waar, dat dit tenslotte ertoe leidde dat Luther in de ban werd gedaan, en dat het tot het ontstaan van zelfstandige reformatorische kerken kwam.
Hoewel dit alles echter zo is, lijkt het ons toch niet juist de beschrijving van het ontstaan van de Reformatie, en daarmee van het eigenlijke verschilpunt tussen Rome en de Reformatie, hiermee te besluiten.
Het eigenlijke verschilpunt zat idieper, en het zit dat nóg ! Het meest wezenlijke verschil tussen Rome en de Reformatie zit niet in de visie die men wederzijds op het ambt en op de kerk heeft.
Het is niet juist dat de Reformatie ontstond op het moment waarop Luther openlijk weigerde zich aan de kerk en aan de paus te onderwerpen. Ze was er toen al. Ze is ontstaan in de jaren dat Luther in zijn stille kloostercel, geleid door Woord en Geest, het evangelie herontdekte.
Wie zijn preken leest uit de jaren 1514-1517 maakt als het ware mee de strijd die hij heeft moeten strijden om los te komen van een christendom waarin het geloof verduisterd werd door de werken, waarin van de genade slechts een schaduwbeeld was overgebleven.
Of er een nieuwe wereld met Luther ontstaan is weet ik niet, maar wèl dat er een nieuwe vroomheid is ontstaan, en die was in wezen de oude vroomheid van het Nieuwe Testament, van Paulus en de andere apostelen.
Voor deze vroomheid was er blijkbaar in de rooms-katholieke kerk van de 16e eeuw geen plaats, tenminste niet officieel. En zo kwam Luther er buiten te staan.
Dat Rome van hem en allen die hem volgden herroeping en onderwerping eiste, was uiteindelijk niet slechts onvermogen om in te gaan op de vragen die Luther stelde, maar onbekeerlijkheid, verharding.
Nooit zou de Rooms-katholieke kerk aan haarzelf, aan haar ambten, aan haar paus kunnen toeschrijven wat ze nu doet als ze uit het evangelie leefde, want dat werpt ale menselijke hoogheid ter neer.
We behoeven onze hoop niet te bouwen op zich wijzigende structuren in de rooms-katholieke kerk zolang daar niet het evangelie dat de Reformatie ontdekte en preekte, ingang vindt.
Hier ligt dan ook het bestaansrecht van de Reformatie. Niets minder dan het evangelie, van de rechtvaardiging door het geloof alleen, van de vrije onverdiende genade, van Christus als de enige en volkomen Zaligmaker, is de grond waarop de Reformatie staat (en waarmee ze dus ook valt).
Maar daar zal dan ook, juist tegenover Rome van getuigd moeten worden. De Reformatie getuigt — en dan vervuilt ze haar opdracht, of ze doet dat niet — en dan verzaakt ze haar opdracht.
De rooms-katholieke kerk niet losliaten betekent haar roepen tot de gehoorzaamheid aan het Woord Gods. Zoals we ook onszelf en onze kerken daar steeds weer toe te roepen hebben. Dat Woord staat boven de kerk, zo hebben de reformatoren ons geleerd, en we doen goed daaraan vast te houden.
Dit getuigen behoeft niet een roepen zonder antwoord te zijn. Ook de reformatoren hebben niet tevergeefs gesproken en gewerkt. Het mag gepaard gaan met waardering voor alles wat in de richting wijst van een vernieuwde aandacht voor de H. Schrift. Het is een worsteling met Rome die in de eeuwen waarin we gescheiden leven, teveel op de achtergrond is geraakt. We hebben teveel losgelaten wat we niet mochten loslaten.
Vergaten we soms dat de God van de Reformatie en dat is de God van de bijbel nog altijd leeft ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1963
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1963
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's