UIT DE PERS
In het Hervormd Weekblad van 12 december geeft prof. Van Itterzon een vervolg op zijn artikel „Vreemde Vrijzinnigheid". Er heeft namelijk een vrijzinnig oud-diaken uit Franeker (over die gemeente ging het dus blijkbaar) een brief geschreven aan prof. v. Itterzon waarin hij protesteert tegen verschillende zogenaamde onjuiste beweringen in genoemd artikel. Het antwoord van prof. v. I. is, wat men noemt, afdoende. Er blijft werkelijk nóch van de briefschrijver, noch van de kerkeraad van Franeker in de aan de orde zijnde affaire een stukje heel.
De briefschrijver wijst er o.a. op, dat de vrijzinnige kerkeraad het gewraakte besluit er niet , doorgedrukt heeft, want de kerkeraad bestond uit 19 personen, waarvan er 9 rechtzinnig en 10 vrijzinnig waren. Prof. v. I. behoefde dus niet het hoofdbestuur van de Ver. van Vrijz. Hervormden te hulp te roepen; en daarom is ook de „krachtterm" over de vreemde vrijzinnigheid krenkend en niet ter zake. In zijn antwoord wijst prof. V. I. er nu op dat in het laatste en nieuwste jaarboek van de Ver. van Vrijz. Hervormden in Nederland — met bladzijde en regel er bij — vermeld staat, dat de kerkeraad van Franeker aangesloten is bij de Prov. Ver. van Vrijz. Hervormden, terwijl hij in het voorbijgaan nog even wijst op de „aardigheid" dat bij deze richtings- of modaliteitsorganisatie blijkbaar kerkeraden, kerkvoogdijen en zelfs gemeenten aangesloten kunnen zijn.
Deze kerkeraad is dus krachtens zijn eigen besluit uitgesproken vrijzinnig. Die 9 rechtzinnigen zijn mede-verantwoordelijk voor dit aangesloten-zijn. En als deze rechtzinnigen, lees: middenorthodoxen, daarin meegaan, dan laden zij de schijn op zich evengoed middenvrijzinnig te kunnen worden genoemd. Prof. V. I. schrijft:
Concreet: als die 9 rechtzinnige kerkeraadsleden het een onverschillige zaak achten, dat hun kerkeraad, waarvan zij deel uitmaken, officieel, voor ieder te cotroleren, bij een vrijzinnige organisatie is aangesloten, heb ik op dit soort orthodoxie de nodige kritiek. En als deze zelfde rechtzininige kerkeraadsleden geheel of gedeeltelijk aan het kerkeraadsbesluit van 1960 mochten hebben meegewerkt, ben ik van mening, dat de begrippen recht- en vrijzinnig bij hen toch gemakkelijk stuivertje kunnen wisselen.
Eerlijk gezegd en zonder patrtijdigheid: Ik heb meer waardering voor de vrijzinnige oud-diaken D, . doe in 1960 tegen stemde, dan voor die rechtzinnige kerkeraadsleden, die voor hebben gestemd.
lk kan mij dan ook levendig voorstellen, dat deze midden-onthodoxe kerkeraadsleden straks het vertrouwen van de orthodoxen in Franeker duidelijk zullen verliezen. Als dit momenteel al niet het geval is.
Ik denk dat verschillende leden van de Conf. Vereniging en lezers van dit hun Weekblad, bij het lezen van deze woorden een beetje een kleur zullen krijgen. We verwijzen daartoe naar onze opmerkingen bij het eerste artikel van prof. v. I. en bij het ingezonden schrijven dat daarover in een volgend nummer verscheen.
Van het oecumenisch erf valt te vermelden, dat Montreal een nogal pijnlijke teleurstelling heeft opgeleverd. We zullen daarvan reeds kennis genomen hebben uit de dagbladen; de Grieks- Katholieken en Oosters-Orthodoxen die voor het eerst daar de conferentie over Faith and Order (geloof en kerkorde) meemaakten, hebben roet in het eten gegooid. Zij bleven teveel op hun stuk staan. Dat is een heet hangijzer, want er moet toch ten koste van alles eenheid zijn, de Ene Kerk van Christus. Volgens deze uitlatingen is de Wereldraad dus niet alleen maar een gesprekscentrum van verschillende kerken, maar een geloofscentrum; dus toch zoiets als een super-kerk.
Dr. Gramberg schrijft daarover in Woord en Dienst van 7 december. Met brandend verlangen ziet hij nu uit naar allerlei doorbraken, met name in ons eigen vaderland; u moet namelijk weten dat Nederland op oecumenisch terrein een „achtergebleven gebied" is. Deze doorbraak in ons land zal dan wel moeten bestaan uit veel water dat we bij onze toch al waterige wijn moeten doen. We zullen toch wel minstens — zoals we wel eens meer opgemerkt hebben — moeten gaan overschakelen op het Anglicanisme; dan pas zullen we echt op weg zijn naar de christelijke eenheid. Op het ogenblik zijn we nog achtergebleven gebied, we zitten nog veel te vast aan de bijbel. Maar we zullen dr. Gramberg zelf aan het woord laten:
Maar er is meer. Dr. Minaer, de Director van Faith and Order moest aan het einde van Montreal bekennen: „We have failed". Natuurlijk is dit al te gretig door die op-nieuws-beluste journalisten over de wereld heen getriand, naderthand door de spreker zelf gekwaliffiseerd en door de deelnemers van een vraagteken voorzien. Inderdaad, nu de verslagen beschikbaar komen, worden we steeds meer dankbaar voor het vele goede wat daar is gezegd en gedaan. Maar ik blijf onder de indruk van die eerlijke belijdenis van mislukking. Het zal steeds minder mogelijk zijn om als nog gescheiden kerken over de grote leer- en levensvragen van de kerk te blijven confereren. Hoe zullen wij ooit een antwoord vinden op de vraag wat de kerk is naar Gods bedoeling en wat de verhouding is van Schrift en Traditie, tenzij we de Ene Kerk van Christus zijn? Dan zal die ene kerk kunnen spreken als het Lichaam van Chistus in gemeemschap met de kerk van alle tijden en plaatsen. Zelfs dan zal het alleen gehoord worden in de wereld als dat woord vertolkt wordt in de daad en de staat in de spanning van het uitzien naar de wederkomst, als God alles in allen zal zijn.
Nu die toon van zelfverzekerdheid, die nog teveel de conferenties van deze eeuw heeft gekenmerkt, is doorbroken, mogen we vertrouwen, dat de grote gebeurtenissen op ons eigen kerkelijk erf niet te ver meer af zijn. We mogen nu geloven, dat Montreal gelijk had, zelfs voor dit oecumenisch achtergebleven gebied, dat Nederlad heet, toen het als de eerste zin van de Boodschap, die deze conferentie aan de kerken zond neerschreef: „WIJ ZIJN OP WEG NAAR CHRISTELIJKE EENHEID".
In Waarheid en Eenheid lezen we een hoofdartikel dat handelt over de Belijdenis in de Ned. Herv. Kerk. De schrijver keert zich daarin tegen de voorstanders van de 18, die er op uit zijn om de eenheid met de Ned. Herv. Kerk te bereiken. Deze voorstanders zingen een lofzang over de verbetering van die hervormde kerk, maar:
Deze lofzang mist alle grond. Dat kan dacht ik al heel gemakkelijk worden aangetoond. De leiders van de synode zijn op een enkele na geen voorstanders van de leer van de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift. Men kan dacht ik wel stellen, dat behoudens misschien enkele uitzonderingen niemand van de toonaangevende mensen in het synodaal leven van de Hervormde Kerk er aan denkt, aan de Heilige Schrift, zoals zij ons geschonken is, heerschappij te verlenen, zodat zij onaantastbaar is en gehoorzaam moet worden geloofd en aanvaard. Men heeft wel allerlei mooie termen voor de gehoorzaamheid, aan de Heilige Schrift, maar dan bedoelt men niet de Heilige Schrift, zoals wij die ontvangen hebben, de bijbel, als onfeilbare en feilloze openbaring van de levende God, de God der waarheid. Ik veronderstel, dat niemand tegen wat ik hier stelde bedenkingen zal willen inbrengen. Het is dacht ik zo duidelijk, dat de onfeillbaarheid en de feilloosheid van de bijbel geen kans hebben in de kerkelijke leervaststelling van de Ned. Hervormde Kerk, dat verdere verdediging onnodig mag worden geacht.
Als dat nu zo is, wat is men dan opgeschoten met dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schirft? Is er dan wezenlijk wel enige beterschap ten aanzien van de „geest en hoofdzaak" clausule? Eerder is er van geen verbetering maar van achteruitgang te spreken. Want als men de term, geest en hoofdzaak" kiest, dan is het duidelijk, dat men zich heeft losgemaakt van de volstrekte gehoorzaamheied aan de Heilige Schrift naar gereformeerd belijden. Al is ook deze term nog veel te mooi voor wat zij menigmaal als lading dekken moet, toch wordt hier een sein opgetrokken. Men weet, dat men niet met mensen te maken heeft, die geheel zich onderwerpen aan de belijdenis.
Wanneer men echter spreekt van dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, dan gebruikt men een machtige uitspraak, maar dan deugt daar wezenlijk niet veel van, als men tegelijk ten volle ruimte geeft aan de schriftkritdek en er niet over peinst, zich in alles te onderwerpen aan de inhoud van de Heilige Schrift als volstrekt gezaghebbend.
Welnu, zo staat het in de Ned. Hervormde Kerk. Dat wordt ook in heel het kerkelijk leven openbaar. De vrijzinnigen behouden rustig hun legale positie, de midden-orthodoxen mogen vrij leren, wat de belijdenis der vaderen weerspreekt. De leiding wil de vrijzinnigheid niet missen, acht haar 'n onmisbare vocaal in 't kerkelijk koor. Nog kort geleden is ruimte opgeëist voor het experimenteren met de waarheid. En daarmede wordt klaarblijkelijk bedoeld, dat men alleelei experimenten moest toelaten om achter de ware waarheid te komen.
Daarom is het een zich blijmaken met een dode mus, wanneer men meent, dat de strijd voor de ware belijdenis goede resultaten heeft geboekt, dat er metterdaad op dat gebied winst is behaald.
Men heeft de groep rondom Waarheid en Eenheid wel eens genoemd: De Geref. Bond in de Geref. Kerken. Als we zo dit blad lezen is deze vergelijking meermalen voor de hand liggend en begrijpelijk. Maar er is toch ook nog een verschil. Dat wordt duidelijk als men de volledige naam van de (herv.) geref. bond bekijkt. Deze is namelijk ter verdediging en verbreiding van de waarheid IN de herv. kerk. Maar deze genoemde groep is nog steeds druk bezig (zie boven) met de verdediging en verbreiding der waarheid VAN de geref. kerken. Toch zouden we hen zo langzamerhand in overweging willen geven om eens te denken over het verwisselen van het woordje „van" in „in". Ik geloof dat we dan ineens heel wat dichter bij elkaar zouden komen.
We kunnen deze dingen ook met gehele andere woorden zeggen. In het begin van het artikel wordt kritiek geleverd op de verbetering van de herv. kerk, waardoor de eenheid met de herv. kerk in het zicht komt. Als men nu met wat praktische zin deze lofzang wat vrij vertaalt, is men er meteen. Het wordt dan een lofzang op de verslechtering van de geref. kerken, maar men komt dan bij de begeerde eenwording uit. In de praktijk is Waarheid en Eenheid al vaak bezig om de waarheid in de geref. kerken te verdedigen en te verbreiden ; in de toekomst verwacht ik ook een hoe langer hoe meer verstommen van de verwijtende vraag aan de G. B. in de hervormde kerk hoe die nog één ogenblik langer in de herv. kerk kan blijven. Hoe kan Waarheid en Eenheid nog langer blijven in de geref. kerk, waar toch al een brede schare is, die geen enkel verschil meer opmerkt tussen een geref. en een midden-orthodoxe preek ? En hoe is het met de Schriftbeschouwing en interpretatie in de G.K. gesteld ? Ik meen dat we het daar ook wel eens moeten doen met „mooie termen" en „machtige uitspraken" ; of niet soms ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's