DE CATECHISMUS
16
Van God afgevallen.
Vraag en antwoord 7.
Vr. Vanwaar komt dan zulke verdorven aard van de mens ?
A. Uit de val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het Paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
Ten dage, als ge daarvan eet, zult ge de dood sterven. De voltrekking van dit vonnis vond in principe terstond plaats, nadat de mens zijn oor had geleend aan de duivel en God met hart en hand de gehoorzaamheid had opgezegd. Onmiddellijk lag hij - ontvallen aan de oorsprong van het leven - onder het oordeel Gods. Hij was de dood toegevallen en gekomen onder de heerschappij van de satan.
Dat Adam en Eva niet aanstonds wegzonken in de eeuwige dood, is alleen vrucht van de ophoudende genade. Want God had van eeuwigheid af gedachten des vredes in de Middelaar.
Maar dat doet niets af aan het feit, dat de mens vanaf dat ogenblik ligt onder het oordeel des doods. Gods Woord is vervuld. Er staat toch: Ten dage . . . . Niets mag daarvan worden afgedaan, of men moet het durven bestaan om God tot een leugenaar te maken, en . . . . juist daarin zijn dood uitleven. Want wat is de dood anders dan dat alle krachten van het bestaan van de mens gaan werken in de tegenovergestelde richting. Niet naar God heen, maar naar zichzelf heen; niet tot Gods eer, maar tot oneer Gods en tot handhaving van zijn eigen goddeloze eigengerechtigheid en hoogmoed. Van God afgevallen is de mens dood, zoals een afgesneden vinger dood is, en een afgesneden bloem aan de dood vervallen is. Dat wil echter niet zeggen, dat er niets meer gebeurt in dat afgesneden lid. Neen, het gaat tot ontbinding over. Denk aan het graf. Nu verstaan we aanstonds wat ontbinding is, n.l. dat alle krachten in liet lichaam, dat in het graf is neergelaten, negatief beginnen te werken, niet opbouwend, maar vernietigend, alles omzettend in het tegendeel. Deze negatieve krachten beheersen nu de gevallen mens van zijn geboorte af. Hij draagt de kiem des doods in zich. Daarom spreekt ons Doopformulier over ons leven als een gestadige dood, een langzaam sterven : geestelijklichamelijk. En dit sterven is een actiefnegatief-gericht-zijn van al de krachten van ons bestaan. Al de gaven, die de „dode" mens van God ontvangen heeft, gebruikt hij tegen God in. Hij heeft een oor, maar hoort Gods woord niet, doch zijn eigen gedachten. Hij heeft een oog, maar ziet Gods heerlijkheid niet, doch zijn eigen glorie. Zijn voet wandelt niet op Gods weg, maar op zijn eigen weg. Zijn hand doet geen goddelijke, maar ongoddelijke dingen. Zijn hart is dood, d.i. in vijandschap gekeerd tegen God. De mens is dood in zonden en misdaden. Ontstellende werkelijkheid!
Het ontnuchterende besef van de afval van God klom in Adam en Eva naar boven, zodat wroeging hen aangreep. Geleidelijk werd aan hun verstand de diepte der verlorenheid ontdekt. Zij gevoelden, dat de verhouding tussen God en hen en tot elkaar onherstelbaar geschonden was : zij zagen, dat zij naakt waren.
In het gericht, dat God met hen houdt, werden ze nader voor de vreselijke werkelijkheid gesteld. Het vonnis, dat over hen geveld is, werd hen bekend gemaakt. Geen weg zou er van hen uit zijn naar de boom des levens. De cherub met het vlammend zwaard aan de ingang van de hof zal dat bevestigen. Het oordeel Gods heeft ze verbannen uit het paradijs.
Als we iets daarvan inleven en ons in ons bondshoofd zien staan, beven we. Iets vreselijkers is niet denkbaar: In moedwil de duivel omhelsd en weggezonken in ongeloof aan Gods Woord, in hoogmoedswaan, verachting van Gods geboden en vuige ondankbaarheid ; en dat, terwijl we daar stonden in de volle wapenrusting, bekwaam om zonder enige moeite in de kracht Gods de boze te weerstaan.
Dat er voor zulken een weg der verlossing is, is goddelijk-wonderbaar ! Dat is dan ook alleen te danken aan het zwoegen van de Borg, want Hij moest als de Tweede Adam herstellen wat de eerste Adam moedwillig bedorven had.
Gods recht moest zijn loop hebben. De Man van Gods rechterhand heeft daartoe het strijdperk betreden en de machten van duivel, dood en hel bedwongen, hoewel Hij de Man van smarten was, verzocht in krankheid. Steeds is gewezen op de machtige tegenstellingen, waarbij Gods Woord ons bepaalt : de verzoeking van Jezus in de woestijn als tegenhanger van de verzoeking van de eerste mens in het paradijs. De eerste Adam stond in de lusthof, waar hij de beschikking had over de onmetelijke rijkdommen, die God hem naar ziel en lichaam had gegeven; de Tweede werd verzocht in de woestijn, die een beeld is van de vloek, waaronder Hij gesteld was en die Hij vrijwillig op Zich had genomen. De eerste Adam stond daar in de ongebroken heerlijkheid van zijn pas geschapen, volmaakte menselijke natuur. Zijn lichaam droeg nog niet de sporen der zonde en zijn ziel was onbevlekt. De tweede Adam droeg daarentegen de door de zonde aangetaste en geheel verzwakte, aan de dood onderworpen menselijke natuur. Dat Hij kon zeggen „wie overtuigt Mij van zonde ? ", en dat van Hem geschreven staat, dat geen bedrog in Zijn mond is geweest, ja, dat Hij onschuldig, onbesmet en afgescheiden van de zondaren was, - dat Hij verzocht is geweest en in alles den broederen is gelijk geworden, doch zonder zonde - dat is al een ondoorgrondelijk mysterie op zichzelf. Daarbij had de - Immanuël niet alleen de wet volkomen te vervullen, maar ook haar vloek en straf te doordragen. - Hoé ontzaggelijk zwaarder is dat alles voor de tweede Adam geweest, dan het voor de eerste was. Doch... de eerste is gevallen, de tweede is staande gebleven.
Het is te begrijpen, dat iemand, die als een in Adam verlorene deze Immanuël in het oog krijgt, Hem niet meer vergeten kan: „Dat Hij vrijwillig op Zich genomen heeft om voor zulke verdorven Adamskinderen, die zich vrijen moedwillig in de armen van de duivel hebben geworpen, de satan te lijf te gaan en te knevelen, en hen aan zijn greep te ontrukken!"
Uit de wijze, waarop de mens, toen God hem voor Zich riep en hem onderzocht, reageerde, blijkt wel de waarheid van wat we geschreven hebben over de dood. God sprak eerst tot Adam, omdat hij immers het verbondshoofd is. Maar hoe verdorven blijkt dan de menselijke natuur op eenmaal te zijn geworden. Adam wierp de schuld op de vrouw, die God hem had gegeven en de vrouw gaf de slang de schuld. Daar merken we het werken van de krachten in het tegendeel: niet naar God toe, maar van Hem vandaan naar zichzelf toe : God van de troon en ik er op! - En dan staan we nergens meer voor. Er is niet maar sprake van blote afval, maar ook van openlijk verwijt aan het adres van God. De duivel beschuldigt God van leugen en lastert Hem, terwijl de mens dat niet alleen laat geschieden, maar ook nog onderstreept. Ongeloof en twijfel openen de deur voor de eerzucht. Wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij. en beeldendienst. Zo aanbidden we de afgod „IK".
Ook blijkt de werking van de dood in de verduistering van het verstand. Toen Adam en Eva de stem Gods hoorden, verborgen zij zich in het geboomte, als zou God hen daar niet zien. En van vijgeboombladeren hadden zij zich schorten gemaakt, als zag God er niet dwars doorheen. - Hoe hardnekkig is de dood. Want hoewel ze hun naaktheid gewaar werden - dat hun ogen geopend werden is toch een bewijs van schuldontdekking - , zochten ze nochtans zichzelf te bedekken.
Zijn we misschien Adam en Eva vergeten, en lezen we onze eigen geschiedenis ? - Dan weten we hoe nodig het is om door bediening van Woord en Geest recht ontdekt te worden aan onze verlorenheid en ellende. Hier ligt een machtige taak voor de dienaren des Woords. Want met zware woorden te spreken over hel en verdoemenis zonder meer, schieten we net ons doel voorbij. En .... hoe nodig zelfkennis op te doen, met God onder vier ogen. Opdat de prediking ontdekkend en ... vertroostend mag zijn.
Wij lezen nog van de eerste mensen, dat zij hoorden de stem van de Heere God, en ... zij vreesden. - Gods stem drong door tot in hun binnenste. De mens zoekt redmiddelen, maar voor de achtervolgende God blijft niets verborgen en Hij stelt onze heimelijkste zonden in het licht Zijns aanschijns. We worden door het „Waar zijt gij ? " gedagvaard voor de rechterstoel. Daar valt al het onze van ons af; daar krijgen we ook te horen wat in Christus kan worden terugontvangen.
Moge de vermaning van Calvijn ons ter harte gaan : Laat ons daarom met wegwerping van al ons zelfvertrouwen ons geheel ledig aan Christus aanbieden, opdat Hij ons vervulle met Zijn rijkdommen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's