DE GODDELIJKE HUISHOUDING
De bijeenvergadering der kerk is een deel van het Middelaarswerk van Christus. Want de vergadering van Zijn kerk, d. w. z. van degenen, die Hem van de Vader gegeven zijn (Joh. 17 : 9), omvat toch niets minder dan de mededeling van de onverderfelijkheid en onsterfelijkheid, welke Hij door Zijn lijden en sterven voor hen verworven heeft. Ons sterfelijke vlees heeft Hij aangenomen om het in onsterfelijkheid te doen opstaan. Ons vlees in en door Hem onsterfelijk. (Calvijn IV. 17. 8).
Dat neemt niet weg, dat wij zo zonder meer die onsterfelijkheid nog niet deelachtig zijn. Ons vlees is sterfelijk en bovendien ten dode opgeschreven. In Hem is het menselijk vlees onsterfelijk. Hij is in onsterfelijkheid opgestaan als de volkomen mens naar de verkiezing Gods.
Bijeenvergadering van Zijn kerk, zo zeiden we, is mededeling van die onsterfelijkheid aan degenen, die Hem van de Vader gegeven zijn. Dat wijst dus op een intieme levensbetrekking met de Christus, welke door de Heilige Schrift ook als een scheppende daad wordt voorgesteld : „Die in Christus is, is een nieuw schepsel". (Efeze 2 : 10).
Het is de wil des Vaders ulieden het Koninkrijk te geven. (Joh. 6 : 39, 40). Terwijl de Zoon alle gerechtigheid heeft vervuld en de toegang tot het Koninkrijk Gods heeft geopend voor een volk van Bondsbrekers, is Hem alle macht gegeven in de hemel en op de aarde, zodat niets Hem ook maar in het minst kan belemmeren dat Koninkrijk op te richten en daaraan gestalte te geven. En de Geest Gods, die de diepten Gods doorzoekt en de tweede Persoon, het Woord, bij alle werken Gods vergezelt, is de levenwekkende adem Gods, die alle schepselen kracht en leven geeft.
Deze goddelijke huishouding, welke over de gehele schepping en haar eeuwige bestemming waakt om de Raad Gods te vervullen, gaat, zoals gezegd, ook over de kerk en haar aardse geschiedenis, m.a.w. over de toevergadering tot het Lichaam van Christus.
Het is op het ogenblik niet onze bedoeling om op die goddelijke huishouding, welke alle werken Gods omvat, in te gaan. Eén opmerking mogen we echter niet achterwege laten, n.l. deze, dat we reppende van de werken Gods, inzonderheid van de oprichting van het Koninkrijk Gods en de wedergeboorte der dingen, de ganse wereldgeschiedenis kunnen verstaan in het licht van Gods scheppende werkzaamheid. De menselijke wetenschap weet van die geschiedenis eigenlijk slechts heel weinig. Als we die willen vergelijken bij een boek, dat, bij wijze van spreken, de ganse Raad Gods zou omvatten, het bestek der wereld van de goddelijke Bouwmeester en Kunstenaar zou beschrijven en zijn voltooiing zou afmalen, — dan zou onze menselijke wetenschap de kennis van alle faculteiten bij elkander genomen, nog maar enkele regels uit een paar verspreide bladzijden vertegenwoordigen.
De vergelijking gaat mank, meent iemand. Natuurlijk gaat ze mank, maar niet zo kreupel als gij denkt. Denk maar eens aan Art. 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, die aldaar ook over een boek spreekt: De ganse kosmos als een schoon boek, waarin alle dingen als letteren zijn, groot en klein.
God zelf schrijft Zijn Raad in de schoonste hieroglyfen, waarin de schepselen de sprekende symbolen van Zijn goddelijke heerlijkheid en macht vertolken. Hij is de Auteur van het boek, de Alpha en de Omega.
Stel u dat goddelijk boek voor: de wereld van de dingen, die gezien worden, en de wereld van de dingen, die niet gezien worden. Wat betekent daarbij dan onze menselijke wetenschap, hoe bewonderenswaardig en waardevol voor ons en voor wat wij cultuur noemen ?
En toch. Ook de menselijke arbeid, wetenschap en cultuur zijn in het goddelijk bestek begrepen, hebben daarin een plaats en bestemming tot opbouw en verwoesting, maar altijd in dienstbaarheid aan de grote Auteur.
Velen weten dit niet vanwege de zonde en de daarmede saamhangende beschadiging van ons kenvermogen, maar de naar Gods beeld geschapen mens neemt in de werken Gods een heel bijzondere plaats in. Gods beeld ! Dat betekent de bijzondere zorg van de Schepper over hem, bijzondere zorg over zijn schepping en bestemming, maar ook bijzondere eis aan de bevoorrechte, terecht voor de kroon der werken Gods gehouden en bijzondere straf der hemelse gerechtigheid, als hij in gebreke blijft en zijn roeping verzaakt.
In de dienst Gods zijn is het voorrecht van alle schepselen, maar het redeloos creatuur is zich daarvan niet bewust. Het dient, het dient zonder wetenschap, zonder kennis van vrijheid en zonder besef van verantwoordelijkheid. Het dient.
Vele mensen weten het ook niet, ze dienen in de vervulling van de Raad Gods, maar leven in een wereld van inbeelding en ijdele dromen, omdat ze geen oog hebben voor de werken Gods.
In de goddelijke huishouding wordt de gemeente van Christus mede betrokken en door het Woord Gods ingeleid in de werken der schepping en onderhouding tot enig begrip van de majesteit Gods — en welk een voorrecht — zij wordt betrokken in het werk der toevergadering van de kinderen Gods : „Gaat dan heen, predikt het evangelie aan alle creaturen, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes". (Matth. 28 : 19). De gemeente wordt betrokken in de arbeid van de toebereiding van de woonstede Gods.
De kerk in de handen der mensen.
Als we dat zo stellen, mag dat niet absoluut genomen worden. De kerk is van Christus. Hij is haar Hoofd en Koning. Hij vergadert haar door Zijn Woord en Geest en de mensen kunnen niemand aan Christus onttrekken en niemand kan buiten Hem het Koninkrijk der hemelen beërven.
Mensenwerk is altijd vol van gebreken, ondanks de beste bedoelingen. Dat is zo met zijn alledaagse aardse arbeid, maar dat is ook zo in de dienst des Woords. De kerkhistorie kan aantonen, hoezeer de kerk door clerus en theologie wordt bedorven en onttrokken aan haar eigenlijke roeping. Degenen, die als leidslieden na-volgers van de apostelen behoorden te zijn en schuldig zijn de kerk te leiden in gehoorzaamheid aan het woord der apostelen, binden de mensen aan menselijke inzettingen en leren ze theologische beschouwingen, die afvoeren van de Schriftuurlijke kennis van God en Zijn dienst. Dat geschiedt maar niet zo eens een enkele keer, maar de eeuwen door. De oud-christelijke kerk is geworden tot een hiërarchisch machtsinstituut onder de hoogste bisschop, die tot een „plaatsvervanger" van Christus op aarde is verheven, en zelfs als een vorst onder de koningen der aarde zetelt, niettegenstaande de Christus, terwijl Hij voor de vertegenwoordiger van het Romeinse Rijk stond, heeft gezegd: „Mijn Koninkrijk is niet van deze aarde".
Ook menige reformatorische kerk heeft geen verweer gehad tegen de menselijke neiging naar een min of meer hiërarchisch instituut met bisschoppen en aartsbisschoppen, mentoren, superintendenten en permanente synoden, met prijsgeving van de zelfstandigheid der plaatselijke gemeente, hoewel de Geneefse kerk ook in dit opzicht tot de oorspronkelijke wijze der apostolische kerk was teruggekeerd.
Waar men formeel de Schriftuurlijke orde aanhield, zoals in de Gereformeerde kerken in Nederland van 1886, kon men binnen een halve eeuw een groeiende synodale macht constateren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's