De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

HOOFDSTUK V, AKTIKEL 3

9 minuten leestijd

Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde en ook vanwege de aanvechtingen der wereld en des satans, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zo zij aan hun eigen krachten worden overgelaten.Maar God is getrouw, Die hen in de genade, hun eenmaal geschonken, barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtiglijk bewaart.

Een geschonken genade.

In artikel 3 wordt gesproken over bekeerden. Wat zijn dat voor mensen? Dat zijn gevallen Adamskinderen, die tot zichzelf gekomen zijn en zich schuldig en verloren hebben leren kennen. In mijn praktijk zijn het zeldzame mensen. Van de kerkgangers zijn er meer godsdienstig dan verloren en schuldig. Soms ontmoet ik er, die een kast met oude schrijvers bezitten en er geregeld in lezen, maar zelf zeggen, dat ze zich niet schuldig gevoelen en nog minder verloren. Ik ontmoet er ook, die naar geen oude schrijver omzien, maar zeer ijverig zijn in allerlei kerkelijke arbeid, doch evenmin weten, wat het is : tot zichzelf gekomen te zijn en als een schuldige en verlorene aan het zoeken te zijn geraakt. De Heere Jezus heeft hen al getekend met de woorden: „Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere!, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd, en in Uw naam duivelen uitgeworpen, en in Uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt".

Ontzettende aangrijpende woorden zijn dit voor predikanten (die zijn wel in de eerste plaats bedoeld) en ouderlingen, diakenen, onderwijzers en zoveel meer. De Heere Jezus spreekt niet over een enkele, doch over velen, die niet wedergeboren zijn, tot de tollenaarsgestalte niet gebracht zijn, en niet verloren zijn geraakt. Zij zijn altijd wijzen en verstandigen gebleven.

Nochtans, er zijn bekeerden. Zij hebben zich schuldig en verloren leren kennen. Dat zijn twee woorden van een machtig diepe inhoud. Niemand, die het ervaart, kan uitspreken wat het betekent: zich verloren te gevoelen. Maar deze bekeerden zijn ook verder gekomen. Zij hebben de weg terug gevonden. Eerst zaten zij in duisternis, doch toen is hun het licht opgegaan. Christus is hun verschenen. De Vader heeft Hem geopenbaard (Matth. 16 : 17; Gal. 1 : 12, 16). De Vader heeft hen tot Christus getrokken. (Joh. 6 : 44). Christus heeft hen tot de Vader daarna gebracht. (Joh. 14 : 6). Sommigen denken, dat dit nu wondermensen zijn.

Maar artikel 3 zegt, dat zij zo zwak zijn, dat zij in die genade niet zouden kunnen blijven, als zij aan hun eigen krachten werden overgelaten.

God is getrouw.

Hoe staat het nu met dit overlaten? Is er niet de mogelijkheid, dat de mens zich van de genade afwendt? In Lukas 15 lezen we van de verloren zoon. Is hij altijd thuis gebleven? Heeft later het verlangen naar het verre land zich niet wederom van zijn ziel meester gemaakt of is hij zo geschrokken door zijn honger en nood, dat hij er voor goed van genezen was? De ervaring leert ons, dat de bekeerde nooit een genezene is." Hij verlangt telkens weer naar de zonde. Soms valt hij heel diep in de ongerechtigheid. Blijft de band met God nochtans bestaan, en gaat hij in de grond nooit meer in het verre land wonen? Zo is het, zegt de Heilige Schrift. Er is een volharding der heiligen. Maar hoe geschiedt dat? Rome is juist zo bang voor het verliezen der genade. Koestert Rome ten onrechte die vrees? Deze kerk meent, dat God het goede werk, dat Hij begon, ook voltooit, onder één voorwaarde, n.l. dat de bekeerde zich niet zelf van de genade afwendt.

De Leerregels zeggen, dat dit afwenden nooit gebeurt. Is de mens dan zo getrouw als sterk? Het is er verre van, maar God is getrouw.

Het feit, dat iemand een bekeerde is, dus als een goddeloze tot God teruggekeerde, betekent ook, dat hij een uitverkorene is. Dat leert ons de gouden keten des heils met de woorden: „En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen". (Rom. 8 : 30). God nu is trouw aan Zijn eeuwig voornemen, trouw aan Zichzelf. De grondslag van de volharding der heiligen is dus de volharding van de Heilige.

De bekeerde wordt in de Schrift getekend als een zwak mens. Het wonderlijke is nu: hoe zwakker, hoe sterker. Hoe zwakker in zichzelf, hoe sterker in Christus. Paulus zegt: „Als ik zwak ben, dan ben ik machtig". De bekeerde blijft staan, omdat hij vastgehouden wordt, ook in zijn vallen.

We lezen in Coll. 1 : 11: „met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap". Als we nu lijdzaamheid lezen als volharding, wat het waarlijk is, zien we de bron der standvastigheid van de bekeerde aangewezen.

God bevestigt de bekeerden.

De Grieken hadden ook hun standvastigheid. Dat was een deugd des mensen. De Griekse volharding schijnt heldhaftiger. Maar de bijbelse volharding geeft de eer aan God. Voor het vlees geen verheffende leer, doch voor het kind des Heeren vol troost en sterkte. Hoe worden de bekeerden nu bevestigd? Worden zij sterker in zichzelf door allerlei ondervindingen? Hoeft men van een oude gelovige geen zware misdragingen te verwachten, omdat hij vaster is komen te staan in de geboden? Vertrouw er maar niet teveel op. Hebreen 12 : 1, 2 zegt: „Laat ons met lijdzaamheid (volharding) lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus".

De volharding ligt niet vast in een zware strijd van de christen, maar in de strijd van Christus. Daarmee is niet gezegd, dat we niet elke dag aandachtig moeten luisteren naar het vermaan van ditzelfde hoofdstuk: „Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde".

Maar in onze strijd ligt de volharding niet gefundeerd. Zij heeft haar grondslag in Christus, in het geloof aangenomen. De Schrift troost de gelovige met de woorden: „Maar de Heere is getrouw, die u zal versterken en bewaren van de boze". Betekent dit dat de mens zijn armen over elkaar kan leggen en zich alleen maar laten bewaren? Volstrekt niet. Paulus gaat verder in 2 Thess. 3 : 4 met de woorden: „En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij, hetgeen wij u bevelen, ook doet, en doen zult". Maar dan moeten zij het toch weer van Boven hebben. De apostel vervolgt: „Doch de Heere richte (neige) uw harten tot de liefde van God en tot de lijdzaamheid (volharding) van Christus".

De belijdenis van de volharding der heiligen is waarlijk in de Schrift gefundeerd, wanneer we het zo verstaan, dat de zin en de mogelijkheid dezer belijdenis uitsluitend gelegen zijn in het bewaard-worden.

Hoe bevestigt dus God de bekeerden? Door hen meer en meer aan zichzelf te ontdekken en hen bevreesd te maken, dat zij zichzelf in het verderf zullen brengen. Daar liggen veel sombere mogelijkheden in ons. Wie zou niet vrezen?

Doch daartegenover doet God toenemen in de kennis van Christus. Door onze wisselvalligheid en zwakheid brengen we altijd weer teleurstelling aan anderen en aan onszelf. Maar de Christus is de Onveranderlijke. Zo dikwijls als wij herinnerd worden aan onze verlorenheid in onszelf, is daar ook de zekerheid, dat de Zoon des mensen gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. De bekeerde wordt gebracht tot en gehouden bij de zekerheid, dat het met hem en met het zijne ten allen tijde verloren is. Maar tegelijk werkt de Heilige Geest, die doet zeggen, dat Jezus de Heere is. (1 Cor. 12 : 3). In Hem is het wonder van vrije genade. Het geeft niet hoeveel malen de bekeerde struikelt of valt. Hij richt hem altijd weer op. Van Zijn kant wordt de band niet verbroken. Zodoen­ de blijft de bekeerde in Christus. Daar staat geschreven, dat alle dingen moeten medewerken ten goede. Welnu, dat is ook waar, wat de middelen der genade betreft en de leidingen Gods. Alles is er op gericht om aan de Heere Jezus groter plaats te geven in leven en denken. Het geloofsleven kan door eigen schuld kwijnen, maar het kan niet vernietigd worden. Het is merkwaardig, hoe de belofte en het vermaan in dezen samengaan. Jezus sprak van zijn schapen: „Niemand zal ze uit Mijne hand rukken". Maar Hij vermaande ook: „Blijft in Mij". En zo lezen we in 1 Joh. 2 : 28: „En nu, kinder kens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij voor Hem niet beschaamd staan bij Zijn komst". Zo groeien zij in de kennis en in de genade van Christus, en dit betekent, dat God „hen in de genade, hun eenmaal geschonken, barmhartiglijk bevestigt".

God bewaart de bekeerde ten einde toe.

Het gaat in artikel 3 over een bijzonder volk. God heeft het van eeuwigheid liefgehad. Het is Zijn volk. De duivel heeft een veel groter volk. Maar de Heere heeft uit de macht van de duivel en uit de macht der duisternis dit bepaalde volk getrokken. Die duivel tracht ze weer terug te krijgen. Hij gaat om als een briesende leeuw en hij probeert het ook als een engel des lichts. Menigmaal heeft de duivel een kind des Heeren te pakken. Doch telkens komt de laatste weer los. Zal dat nu nooit eens gebeuren, dat er één van Gods kinderen voor goed terugvalt in de handen van satan? Neen, dat zal nooit gebeuren. Zij vrezen het vaak. De bekeerden denken menigmaal, dat zij in de hand van Saul zullen* vallen en omkomen. Maar dit zal nooit geschieden. Het is immers niet hun zaak, maar de zaak van Christus. Vele mensen kunnen verloren gaan: ongelovigen, mondgelovigen, belijdende lidmaten, doopleden, predikanten, ouderlingen, professoren, bezoekers van gezelschappen, oefenaars, ministers, hervormden, roomsen, pausen, aartsbisschoppen, noem maar op. Maar bekeerden, kinderen Gods, uitverkorenen kunnen niet verloren gaan. Hoemeer zij het zelf denken, belijden dat ze het verdiend hebben, roepen uit de gedachte, dat ze verloren zullen gaan, des temeer staat het vast, dat zij niet verloren zullen gaan. Het gaat hier om de eer van onze God. Hoe meer zij voor zichzelf verloren zijn, des te minder kunnen zij verloren gaan. Iemand zei: „Ik zou verloren gegaan zijn, als ik niet verloren gegaan was". David, Petrus, ze gaan niet verloren. „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijne hand rukken". (Joh. 10 : 28). Waarom niet? God is getrouw, die hen ten einde toe in de genade krachtiglijk bewaart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's