KRONIEK
A.i.
De tijd slijt. Ook de lettertjes A. i. Slechts eenmaal behoefden ze te fungeren. Het behaagde de Heere dominee Bartlema weg te nemen uit het midden van zijn familie en van zijn vrienden, waartoe ook behoren de lezers van De Waarheidsvriend, niet in het minst degenen die met graagte de veertiendaagse kroniek lazen. Dominee Bartlema heeft velen daarmee aan zich verplicht. Een kroniekschrijver, die uiteraard nog wel eens een in memoriam in zijn rijtje merkwaardigheden opneemt, moet — ik zou haast menen: ambtshalve — beseffen dat ook eenmaal de schrijfstift hem ontvalt en dat een ander in „zijn kolom" enkele regels wijdt aan zijn nagedachtenis. Het is niet mijn bedoeling een levensbericht te schrijven. Evenmin om me te wagen aan een persoonsbeschrijving. Nog minder aan een persoonsverheerlijking. Dat zou dominee Bartlema nimmer gewild hebben. Vele ouderen in ons midden hebben in de dagen van hun jongelingschap dominee Bartlema gekend en gewaardeerd als hun pittige Bondsvoorzitter, begaafd met historische zin. Hij behoorde tot de groep van predikanten, die voor hun vorming veel te danken hadden aan prof. Visscher en die dat ook niet verzwegen. In de bundel „Waarheid, Wijsheid en Leven", opgedragen aan prof. Severijn ter gelegenheid van zijn zilveren ambtsjubileum, schreef R. Bartlema een bijdrage, getiteld: „Dr. H. Visscher en zijn strijd om de Kerk". Uit dit artikel blijkt hoe de schrijver dit alles van nabij heeft beleefd. Dominee Bartlema was een man met een eigen trant. Niet zo gemakkelijk te vergelijken of te verwisselen met een van zijn tijdgenoten, ook al waren dat zijn geestverwanten. Als we onze ogen sluiten zien we hem, als we onze oren dwingen tot luisteren is het alsof we hem nog enigermate horen, vooral wanneer we zijn geschriften of preken voor ons hebben. Hij heeft het zijne bijgedragen tot vorming van jongeren, die hij naderhand, toen ze tot de mannelijke leeftijd gekomen waren, in de Mannenbond is trouw gebleven.
Moge hij rusten van zijn arbeid en mogen zijn werken ook in de gestalte van hen, die hij geleerd heeft, hem volgen. In zijn artikel over dr. Visscher zegt hij : „Elk moet als Einspänner sterven". Elk.
1963.
Een jaar vergleed. We hebben onze oudejaarspreek gehad. Misschien vrij algemeen, hoewel heilzaam, over de vergankelijkheid van het leven en over de vluchtigheid van de tijd. Mogelijk trachtte onze predikant zich rekenschap te geven van het bijzondere van het jaar dat voorbijging. Het ontbrak niet aan schokkende gebeurtenissen. Een jaar van rampen. Een concentratie van het vele leed en van wat verbijstert was wel de „onnatuurlijke" dood van Amerika's president. We zouden kunnen spreken van een wereldbegrafenis. Het is altijd moeilijk na een jaar dat voorbijsnelde, te bepalen wat de betekenis van zon periode nu feitelijk is. Zijn we dichter genaderd het einde van wereld en geschiedenis? Natuurlijk. Elk jaar komen we een streep in de richting van de laatste dag. Maar in hoeverre en op welke wijze? Het is zo moeilijk de gebeurtenissen apocalyptisch in te delen. We weten niet hoe laat het is op de wereldklok? Toch moeten we er degelijk op letten, dat de antichrist werkt en dat er vele antichristen zijn.
Hoogkerkelijke geesten vinden de oudejaarsdienst een zielige vertoning. Men vindt het geboortejaar van de oudejaarsdienst onder geen gelukkig gesternte. Maar laten we toch wel bedenken dat God lichten schiep in het uitspansel om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, om te zijn tot tekenen en gezette tijden, tot dagen en jaren.
Het is moeilijk om een jaar, mitsgaders al wat in dat tijdvak geschiedde, te taxeren. Want we weten dat bij God eersten laatsten en laatsten eersten zullen zijn. Laat ons daarom niet proberen waar ook en hoe ook een eerste viool te spelen. We riskeren zodoende veel of alles. Laat ons de laatste en de laagste plaats innemen. Dan kunnen we nog heel veel, ja alles winnen. Vernederen we ons voor Hem, die deze vernedert en gene verhoogt.
1964.
Wat zal het nieuwe jaar met vele nieuwe leiders aan het bewind ons, brengen? We kunnen moeilijk een voorbij jaar waarderen. Het is ook bezwaarlijk om een komende tijd door ons geloof en door onze wandel een gezicht te geven. We hebben zo kleine kracht. Maar de Heere werkt toch immer door geringe middelen. We moeten zijn, zegt de Heere, een zout. Het ergste probleem is de ontzilting van het zout. Het is zeer noodzakelijk dat we ons van dat vraagstuk gezamenlijk rekenschap geven. Waarmee zal het gezouten worden? Op deze vraag geeft de hoogste Profeet en Leraar geen antwoord.
Ik las eens dat geestigheid, echte geestigheid, meer werd gevonden naarmate men er minder naar zocht. Zo is het stellig ook met een waarachtig geestelijk leven. Als we krampachtig zulk een levenshouding zoeken, slagen we daarin niet. Laten we slechts — maar het is heel veel — de Heere zoeken. Zijn Koninkrijk. Hoevelen willen de wereld hervormen en verlossen. Hervorm uzelve. Wordt verlost. Want de Verlosser leeft. Tracht niet naar hoge dingen, maar voegt u tot de nederige.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's