De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Veranderingen in de prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Veranderingen in de prediking

7 minuten leestijd

Een artikel onder deze titel van ds. F. J. Pop in „Woord en Dienst" d.d. 21 december, maakt nogal wat ophef van wat er veranderde n.l. in de prediking, zeg gedurende de laatste vijfentwintig jaar.

Nu geven wij gaarne toe, dat er in de laatste kwart eeuw veel veranderd is in het kerkelijk leven en in de prediking. Ziende op deze veranderingen is er toch wel aanleiding om met dr. Graafland op te merken, dat elke verandering nog geen verbetering is. (Zie „Woord en Dienst" d.d. 21-12-1963, achter het zo-even genoemde artikel).

Ds. Pop heeft de indruk, dat in de kerken een algemeen aanvaarde erkenning is van de noodzaak, dat de prediking bijbels moet wezen.

Dat is nu wel een zeer sprekend kenmerk van de prediking. Ze moet bijbels wezen. De prediking is Dienst des Woords, prediking van het door God gegeven Evangelie. Als de prediking dat niet is, heeft ze het recht op de naam en waardering van Dienst des Woords verbeurd. In een gezond kerkelijk leven zal daaromtrent geen kwestie zijn.

,,Vroeger stond in de prediking de enkele mens centraal", zo begint de volgende alinea. Het „ik" in de psalmen werd persoonlijk verstaan, zo volgt daarop, aangevuld met een scheefgetrokken voorstelling van de lijdensprediking.

Volgens deze scribent heeft het nieuwe bijbelonderzoek aangetoond, „dat het in de bijbel gaat om de grote en boeiende geschiedenis van God met zijn wereld". Als je zo'n zinsnede leest, sta je even te kijken en als je daarop de bijbelse grond ziet genoemd, of eigenlijk de bijbelse toepassing van die merkwaardige stelling, dan verdient dat z.g. theologisch gedoe niet anders dan de naam van geknoei. Zeker: er staat in Joh. 3 : 16: Alzo lief heeft God de wereld gehad . .. Maar wat volgt dan verder? Dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Daar komt waarlijk weer die individuele mens in de tekst.

Het persoonlijke is zo kenmerkend in de Schrift. Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. (Joh. 3 : 27). Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3 : 16). Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven. (Joh. 5 : 24). Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. (Joh. 8 : 12). En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. (Joh. 11 : 26).

Dit zijn slechts enkele voorbeelden uit hetzelfde evangelie naar Johannes om aan te tonen, dat niet de preekmode van een tijd, maar de Heere Jezus Christus op de persoon afgaat.

Dat ligt ook besloten in de verkiezing Gods. Het is niet Schriftuurlijk een algemene verkiezing en een algemene verzoening van Godswege te prediken. Wie dat doet, bazelt over de Schrift, zijnde Gods Woord en bedriegt zichzelf en anderen.

En dat is heel erg en een bedriegelijke neiging van het verzondigd mensenhart, waartegen met klem en met verwijzing naar de Heilige Schrift gewaarschuwd dient te worden door de Dienst des Woords. Wat betekenen de woorden van aardse theologen, die vrede, vrede roepen en bazelen over de hemelse gaven, ondanks de klare en duidelijke onderwijzing en vermaning van de Heere Jezus Christus. We noemen een sprekend voorbeeld: Matth. 7 : 13-23: „Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt en velen zijn er, die door dezelve ingaan".

„Want de poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt en weinigen zijn er, die dezelve vinden", (vs. 13 en 14).

En dan de waarschuwing, welke daaraan wordt toegevoegd: Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. (vs. 15).

Heel deze passage is vol van vermaning en waarschuwing tegen een „eigengemaakte heilsweg".

Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is. (vs. 21).

Ds. Pop stelt zich tegen het persoonlijke, ook onder de gerichtsprediking. Daarbij noemt hij de twee wegen, niet als een ernstig vermaan van de Heere Jezus Christus, maar als een gedachte van mensen: „Beiden gingen er van uit, dat er slechts twee wegen waren, de smalle naar de hemel en de brede naar de hel". „Thans hoort men dit accent in de prediking nauwelijks meer".

Wij verheugen er ons over, dat de ouderwetse prediking, d.w.z. de Schriftprediking nog niet overal zo vergeten is als ds. Pop onderstelt. En wij gevoelen ons verplicht, ds. Pop er op te wijzen, dat we hier niet te doen hebben met een vinding van vrome mensen uit een vorig tijdsverloop, maar met een ernstig woord van de Heere Jezus Christus. En hoezeer ook dominees gevaar lopen zich te misleiden en misleid te worden in deze ernstige dingen, moge blijken uit Christus' woorden in vs. 22 en 23 van het genoemde hoofdstuk. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?

En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!

„Men denke niet, dat dit alles zou wijzen op het kleiner worden of verdwijnen van het geloof aan de realiteit van Gods gericht", zo lezen wij verder.

Wij kunnen op alle slakken geen zout leggen, en daarom is het ons ook niet begonnen. Doch het kan ook zo zijn, dat men niet kan nalaten te wijzen op doodsgevaar. Dat hebben we zoeven beproefd en de opmerking over het geloof aan de realiteit van Gods gericht geeft er ongetwijfeld ook aanleiding toe.

Voorzover een mens aan de God der Schriften gelooft, gelooft hij zeker ook aan de realiteit van Zijn gericht. En voorzover hij niet aan de God der Schriften gelooft, houdt hij zich mogelijk wel eens bezig met een of andere afgod.

De God der openbaring, die Zijn Zoon Jezus Christus in de wereld gezonden heeft om de Zijnen te verlossen uit het oordeel des doods, — om hierbij maar te blijven in dit verband — heeft Zijn Wet geopenbaard om de mens aan zijn zonde te ontdekken: Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet. Want zonder de wet is de zonde dood. En zonder de wet zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer levend geworden, doch ik ben gestorven. Want de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid en door hetzelve gedood. (Vgl. Rom. 7 : 7-12).

De christen van vandaag heeft niet minder dan die van gisteren en eergisteren, ja de eeuwen door, nodig bij zijn verzondigde natuur en dadelijke zonden te worden bepaald, om de gave Gods in Christus te kunnen verstaan en daarin zijn rust te vinden.

De weg in Christus is een zeer radicale. Die verdorven natuur wordt niet enigermate opgeknapt of bijgewerkt. Zij is verdorven voor God en de mens ten dode opgeschreven. Daarom de verlossing in Christus eist niet alleen vergeving, maar ook vernieuwing. Dat is een wonder Gods in Christus geschonken.

Hoor, wat de Schrift zegt: Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd; indien gij naar Hem gehoord hebt, en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is; t.w. dat gij zoudt afleggen aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding en dat gij zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, en de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. (Efeze 4 : 20-24).

En wat de wereld betreft, de wereld van vandaag, de wereld onder het oordeel?

Christus zegt: Ik bid voor hen (n.l. Zijn discipelen). Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want ze zijn Uwe. (Joh. 17 : 9).

En de wereld gaat voorbij, en hare begeerlijkheid; maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. (1 Joh.2 : 17).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Veranderingen in de prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's