De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Misschien herinnert u het zich nog wel dat we al wat langere tijd geleden in onze rubriek schreven over de Slapende Kerkganger. Onder deze titel schreef indertijd K. Heeroma een paar boeiende, vlotte en geestige artikelen in In de Waagschaal, waarin hij de lezers overigens 'n hoop onzin voorzette. Hij typeerde min of meer het vorige geslacht als de (geestelijk en lichamelijk) slapende kerkgangers, . De tegenwoordige kerkganger is dan ontwaakt; dat betekent dat hij iets artistieks verwacht van preek of liturgie. En dat gaat nu eenmaal niet altijd. Vandaar de geeuw van verveling bij de tegenwoordige kerkganger. Toch heeft Heeroma nog enige hoop op verbetering; we hebben immers nu onze dichters, die in opdracht van de Kerk werkzaam zijn.

Dat we op dit verhaal nog eens terugkomen, vindt zijn oorzaak in het feit dat ds. F. Mooij er in In de Waagschaal in een artikel op terugkomt. Blijkbaar is hij een vriend van Heeroma. Hij schrijft „jij en „jou" en noemt hem bij zijn voornaam, tenminste met de eerste letter daarvan. Verder vertelt hij dat ze meermalen met elkaar „bomen". Maar vooral wordt deze vriendschap voor ons duidelijk als we lezen dat ds. M. op een zeer vriendelijke en innemende wijze zijn vriend Heeroma op een indrukwekkende wijze de waarheid zegt. En het spreekwoord zegt immers dat dit met name een bezigheid van je vrienden is.

Wat het lichamelijk slapen van de kerkgangers vroeger betreft, vertelt ds. M. van een Fries dorp, waar kerkgangers (na de middenzang) zelfs in de bank gingen staan om niet in slaap te vallen. Vrouwen bleven zitten, maar sliepen niet. Er waren dus blijkbaar ook nog wel uitzonderingen op Heeroma's regel.

Vooral over de wakker geworden kerkganger van tegenwoordig, die een geeuw van verveling niet kan onderdrukken, maakt ds. M. verschillende rake opmerkingen. Enkelen er van willen we citerend doorgeven:

Je bent het met me eens, dat het in de kerkdienst gaat om de ontmoeting van de gemeente met haar Heer. Dat is al direct een zaak van geloof. Deze ontmoeting is niets minder dan een wonder. Er staat — voorzover ik weet — nergens geschreven, dat we naar de kerk moeten gaan, maar er is wel de belofte van de Heer: „Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden". En er wordt ons bericht, dat Jezus, naar zijn gewoonte de synagoge bezocht. Hij! Hij was temidden van zijn volk in de ontmoeting met God door het Woord en de woorden. Hij, het vleesgeworden Woord! En welke woorden zal Hij in de synagoge vernomen hebben...? !....

Ons probleem is — het mijne evengoed, want als mens van deze tijd heb ik er evenveel moeite mee — dat we eerst van alles zijn en dan misschien ook nog gemeentelid en dan komen we in de kerk in de kwaliteit van onze specialismen en we vervelen ons er gruwelijk. Natuurlijk. En nogmaals: ik ook. Als theoloog moet ik echter wel zeggen: het persoonlijke kan pas opbloeien op de bodem van de gemeenschap. Pas als gemeentelid kun je ook nog melkboer, dominee of dichter zijn. Die geweldige bekering moeten we onder ogen zien, als we over de kerkdienst spreken.

Ik kan ook thuis tot God bidden en de bijbel lezen en verstaan, misschien wel beter soms, dan hij in een preek tot spreken wordt gebracht, maar ik kan het alleen bij de gratie van het feit, dat de kerk er is, die mij de bijbel geeft in deze tijd, en dat ik, hoezeer aan de rand misschien, toch nog gemeentelid ben. Maar ik mis dan de gemeenschap, en dat is heel wat, want de belofte is aan de gemeenschap gegeven en het gaat uiteindelijk om het Rijk van God ...

Toch zijn er steeds diensten gehouden en er worden diensten gehouden. En er komen mensen in de kerk, veel of weinig, te weinig of te veel... Ik verbaas mij hierover evenzeer als bijv. over het voortbestaan van Israël als volk. In wezen zijn beide onverklaarbaar. Men kan er sociologisch, psychologisch, historisch, religionswissenschaftlich heel rake dingen over zeggen, evenals over het feit, dat er zoveel mensen niet (meer) naar de kerk gaan. Toch is dit laatste oneindig veel gemakkelijker te verklaren en te begrijpen, dan het klaarblijkelijke wonder, dat er altijd weer kerkgangers zijn, dat hij en ik het zijn, jij ambtshalve als gemeentelid, ik ambtshalve als predikant en dat we het bij tijd en wijle — Sancto Spiritu iuvante — echt zijn ...

Al redenerende en afgaande op bepaalde ook in mij levende gevoelens en met de statistiek in de hand, kan ik best tot dezelfde conclusie komen Maar ik geloof er niet in. Het geloof doorbreekt de esthetische sfeer der aanschouwelijkheid en beschouwelijkheid en zelfs de ethische sfeer van „wij moeten het op een of andere wijze doen". Het geloof ontdekt hier op aarde altijd weer God in de dienstknechtgestalte, zonder veel heerlijkheid, en Hij dóét het...

Werkelijk, we zouden veel ongeruster moeten zijn, als onze gevoelens en conclusies uit de kerkdienst ons het beeld zouden opleveren van een gestroomlijnd bedrijf, een kerk die het dééd in de wereld, met gemakkelijke plaatsen voor iedereen, en diensten die zenuwartsen, waterbouwkundigen, gepensioneerde postboden, kern-fysici, arbeiders en boeren, technische, literaire, sociologische en weet ik wat voor experts, kruideniers niet te vergeten, gelijkelijk zouden vermogen te boeien. Ik ontken niet, dat dit allemaal eigenlijk zo zou moeten zijn en dat we er enigermate naar moeten streven, om het in die richting te leiden, en misschien is het soms ook wel eens even zo, maar het constante en geruste bevinden, dat het zo was met de kerk, zou ons meteen de griezel dienen te bezorgen, dat er iets radicaal mis is, of het Koninkrijk zou in volheid gekomen moeten zijn. Maar daar worden geen kerkdiensten meer gehouden. We leven zolang nog — met Paulus gesproken — in geloof en niet in aanschouwen. Dat geldt ook, dacht ik, en niet in het minst, van de Kerk en de kerkgang ...

Kerkgang is van het begin tot het einde een zaak van geloof, of het is een onzinnige gewoonte, die we uit bijgeloof nog wat aanhouden. Kerkganger zijn is een ambt, een opdracht, een roeping, die we slechts in geloof kimnen vervullen, en dan maar net als Abraham, niet wetende, waar wij komen zuUen, maar verwachtende God die komt. En Hij kwam in een stal, in de achtergebleven dorpen van een zekere provincie Galilea, in de vernedering en bittere ellende van een kruiseling, die sterft, van God en de mensen verlaten. Dat was de heilige liturgie Gods in en aan onze wereld.

Dit waren zo enkele grepen uit het goede artikel van ds. Mooij, getiteld: De Slapeloze Kerkdienst. We dachten zo dat z'n „wakkere" vriend 't hier voorlopig mee zal kunnen doen, en hopen dat door dit rustige en gefundeerde betoog de heer Heeroma uit een andere slaap tot een ander wakker-zijn zal gewekt mogen worden. In een levend en wakend geloof kan de koning David zijn vreugde uitjubelen tezamen met arbeiders en slavinnen. Maar als hij ingedommeld is, zal deze zelfde David het doodvonnis uitspreken over een man, die Nathan in zijn verhaal hem voortekent, zonder dat het ook maar een ogenblik tot hem doordringt dat hijzelf die man is.

Zoals te verwachten was, heeft het officieel orgaan van de Geref. Gemeenten, de Saambinder, aandacht geschonken aan de Poliogevallen in Tholen met daaraan verbonden de vraag van de vaccinatie. Stellig zullen verschillenden in verlegenheid gekomen zijn en hebben leiding en voorlichting nodig. De hoofdredacteur van de Saambinder wijdt er een artikel aan, maar wij zullen het wel niet helemaal begrepen hebben. Want niet alleen ontbreekt er leiding en voorlichting in, maar voorzover wij er in kunnen lezen, komt de hoofdredacteur met zijn verlegenheid staan naast degenen die met hun vragen over de inenting in verlegenheid zitten. De raad die uiteindelijk gegeven wordt, komt hierop neer: Een ieder moet het voor zichzelf maar zoeken uit te maken en zelf kiezen. Er zijn twee mogelijkheden:

Wanneer wij. ons vertrouwen stellen op deze inenting, is dit zonder meer in flagrante strijd met Gods Woord en zondag 10. Duidelijk zegt de Heere: „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben".

Wanneer deze inenting gevaarlijk zou zijn, en schade aan onze gezondheid kan aanbrengen, zou deze ook moeilijk in overeenstemming met het geloof in de voorzieningheid Gods te brengen zijn.

Dit wordt echter in betrekking tot deze injectie of pil door doktoren ten stelligste ontkend, daar deze injectie of pil meer gezien moet worden als middel tot verwekking van meerdere weerstand van het lichaam bij eventuele gevallen.

Velen willen deze behandeling dan ook zien als een middel, dat onder biddend opzien tot de Heere, Die alle dingen in Zijn hand heeft, tot heil in de omstandigheden, waarin men verkeert, kan strekken.

Het blijft echter in al deze beslissingen een persoonlijke zaak voor ieder.

Als ik tussen de regels door lees en deze raad vrij vertaal, dan hoor ik persoonlijk er in de gedachte: In dit poliogeval zou ik maar tot inenting overgaan, maar ik kan en durf dit nog niet zo openlijk en onomwonden te zeggen. Doch dat is ook maar een zuiver persoonlijk iets van aanvoelen. Overigens is er wel enige aanleiding tot deze persoonlijke mening. Ds. R. is hier namelijk bezig wat water bij de wijn te doen, dacht ik. Hij zit in verlegenheid, zoals gezegd. Misschien zullen sommigen in zijn gemeenten dit afzakking of verraad noemen.

Als ik zijn redenering goed begrepen heb, komt zijn betoog namelijk hierop neer. Het al of niet geoorloofde van inenting als voorbehoedmiddel is een zaak van het geloof in de voorzienigheid Gods. In het artikel valt dan de nadruk op „geloof"; het is cursief gedrukt.

En nu is het geloof een persoonlijke zaak. De apostel zegt: Hebt gij geloof, heb dat voor uzelf. De verantwoordelijkheid blijft dus altijd voor de betrokken personen zelf. En hier komt nu de verlegenheid van ds. R., want de Geref. Gemeenten hebben dit niet gedaan; zij hebben dit geloof (het al of niet geoorloofde van inenting) niet bij zichzelf gehouden voor God (Rom. 14 : 22), maar zij hebben dit aan anderen opgelegd. Ds. R. vertelt tenminste dat zijn gemeenten in verschillende synoden uitgesproken hebben, dat de vaccinatie als voorbehoedmiddel in strijd met het geloof in de voorzienigheid Gods moet worden geacht. Die synoden spreken dus niet uit dat de vaccinatie in de vrijheid van 't geweten overgelaten wordt, maar in strijd is met het geloof in de voorzienigheid. En nu probeert ds. R. uit de verlegenheid te komen door te zeggen: Die synoden hebben niet uitgesproken dat inenting in strijd is met Gods voorzienigheid, maar in strijd is met het geloof in Gods voorzienigheid. En dan voegt ds. R. er aan toe: „En daarom hebben onze gemeenten ook geen kerkelijke behandeling van betrokkenen eraan verbonden".

Denkt u het zich eens in; telkens lezen we in de Ned. GELOOFSbelijdenis: Wij (de kerk) geloven .... enz. Wanneer nu iemand de onfeilbaarheid van de H. Schrift of een ander leerstuk loochent, dan handelt hij in strijd met het geloof, dat in art. 7 van de N.G.B, door de kerk wordt uitgesproken. En daarom zal er in de Geref. Gemeenten geen kerkelijke behandeling van betrokkenen aan verbonden zijn, want hij handelt niet in strijd met de Schrift of met de drie-eenheid, doch alleen maar wijkt hij af van het geloof der kerk aangaande Schrift, drie-eenheid, enz. En het geloof is toch een persoonlijke zaak.

U voelt wel hoe voorzichtig een kerk heeft te zijn. Het geloof dat een kerk belijdt en uitspreekt, zal zij volledig hebben te putten uit Gods Woord alleen; dan zal het stand houden en de eeuwen verduren. Maar als een kerk als geloof gaat uitspreken dat wat A, B of C er van gelooft, loopt men vroeg of laat vast. In deze impasse zit kennelijk de roomse kerk vandaag de dag te zweten. En daar is het natuurlijk nog erger, want hun uitspraken zijn zonder meer onfeilbaar. Dat is in het protestantisme niet alzo. De Gereform. Gemeenten kunnen dus op een synode herroepen hun onjuiste uitspraak, dat vaccinatie in strijd is met het geloof in de voorzienigheid Gods. En daarvoor in de plaats kan de synode dan uitspreken, dat ze de inenting in de vrijheid van het geweten overlaten.

We zullen eens afwachten!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's