UIT DE PERS
In het Hervormd Weekblad van 2 januari schrijft de eindredacteur ds. Groenewoud een nieuwjaarsboodschap onder de titel: Tijd en Taak. In dit artikel spreekt hij zijn bezorgdheid uit over de koers, de gang van zaken, in de kerk; met name in haar confrontatie met de moderne niet-christelijke cultuur. Hij heeft de indruk dat de kerk bezig is een gevaarlijk experiment te wagen en een kant uit te gaan, die de kern van het evangelie langzamerhand uit het oog doet verliezen.
Nu ziet hij in de kerk twee groepen tegenover elkaar staan. Er is een groep die capituleert voor de moderne cultuur, maar deze groep ziet dit dan zelf niet als een capitulatie, doch als een overwinning der kerk op zichzelf. Ds. G. acht dit onmiskenbaar een vreugdevol capituleren. Tegenover deze groep staat een andere groep in de kerk, die een strenge afkeer heeft van de cultuur. De twee groepen minachten elkaar en leven geheel langs elkaar heen; men neemt elkaars standpunt niet ernstig. Ds. G. tast duidelijk naar een soort tussenpositie: De kerk moet zich thans niet afkeren van de moderne niet-christelijke cultuur, maar evenmin kan zij deze clutuur zonder meer aanvaarden. Voor zichzelf heeft ds. G. deze tussenpositie wel min of meer gevonden, getuige het feit, dat hij de gereformeerden in de hervormde kerk en daar buiten uitnodigt naast hem te komen staan, maar tegelijkertijd aan hun adres nog een vriendelijke vermaning en waarschuwing plaatst. Welnu, graag willen we naast hem komen staan en naar zijn waarschuwing luisteren:
De instelling op deze tijd, zucht naar actualiteit, vrees om voor ouderwets te worden gehouden, wellicht ook de overtuiging dat de hoorders (tengevolge van het gebrek aan kennis) „vaste spijs" niet kan (kunnen) verdragen, en het al gauw te zwaar of te moeilijk vindt, bezorgdheid dat de mensen, vooral de jeugd niet meer in de kerk zal komen, dit alles zal daarbij wel een rol spelen. Maar op zichzelf is het een bedenkelijk verschijnsel, als ook de centrale grote woorden vam de Reformatie in de predking worden verdrongen.
„GILDEKERKEN"
Ik reken, wat dit betreft, op de bijval van al wie zich gereformeerd noemt in de hervormde kerk; en ook daar buiten. Toch vrees ik, dat ik die niet mag aanvaarden alhans niet, zonder hen gewaarschuwd te hebben. Wel meen ik, dat we met de daareven gesignaleerde prediking een verkeerde weg op gaan, maar ik kan begrijpen dat men er toe komt; en ik kan er ook een motief voor vinden en zelfs waarderen. Men wil natuurlijk voor de moderne mens spreken. En dat is bitter hard nodig. Alleen ik ben er van overtuigd, dat men op deze manier niet werkelijk het evangelie aan de waarlijk moderne mens verkondigt. Deze moderne mens heeft er niets aan, dat de hardheid van het woord Gods wat wordt verzacht en verzoet; noch, dat dit woord wat oppervlakkiger wordt verkondigd. Er is in allerlei benadering van de moderne mens een zeker infantilisme, dat in wezen een belediging voor deze mens is. Naar mijn smaak is menige I.K.O.R.-uitzending hierom ongenietelijk.
Men moet juist tegenover deze mens diep graven, en de werkelijkheden van zonde en genade in volle kracht laten gelden.
Maar nu moet ik aan bovenvermelde gereformeerden toch voorhouden, dat ook zij juist in dit opzicht in gebreke blijven. Ze verkondigen wel de waarheid naar Schrift en belijdenis, maar juist door hun afgekeerdheid van de moderne cultuur, is er ook bij hen een gemis, namelijk van de worsteling om dit woord zo te verkondigen dat het de moderne mens in zijn situatie, met zijn gedachtenwereld, aanspreekt. En door het zelf niet anders en beter te doen, werken zij zelf, tegen wil en dank mee aan de voortgang van datgene waarover zij klagen en wat zij becritiseren. Er is geen ontkomen aan, de kerk zal in deze tijd, aan de moderne mens het evangelie moeten verkondigen. Dit is de kern van haar taak. Maar het vervullen er van vergt veel bezinning, diepgaande studie, zorgvuldig oppassen voor allerlei gevaren die hier dreigen. We kunnen niet zeggen, dat de kerk in dit opzicht tot nu toe de rechte weg heeft weten te vinden. Aan ons dringt zich het beeld op van een kerk die bezig is zich te verwijderen van het hart van haar boodschap; een kerk die daardoor straks niets meer heeft te zeggen en uit gerangeerd is; een kerk die haar eigen karakter verliest.
Nogmaals, ds. G. heeft niet misgerekend; graag willen we onze bijval betonen met deze en vele andere opmerkingen uit dit artikel.
Bovendien willen we ook graag zijn waarschuwing voluit ter harte nemen. Ook daar zal hij wel min of meer op gerekend hebben; het bewogen worstelen met dit probleem, dat uit het hele stuk duidelijk spreekt, maakt dit vanzelfsprekend. Toch zouden we van onze kant er nog een voorzichtige waarschuwing aan willen toevoegen. Zouden we in deze tijd van afval ook niet moeten gaan rekenen met de aangrijpende mogelijkheid en werkelijkheid dat grotere aantallen zich bewust afkeren van God en Zijn evangelie; ook langs de weg van de moderne cultuur? Paulus heeft daar in zijn tijd ook kennis mee gemaakt en hij heeft ze — zij het dan wenend — moeten loslaten (Fil. 3 : 18 e.v.). Het zou toch ook wel eens tot het zich niet schamen voor 't evangelie, voor het verkondiging van de boodschap in al zijn dwaasheid en ergerlijkheid kunnen behoren om een duidelijk „neen" te laten horen tegen een niet-christelijke cultuur. Het heeft Paulus tot in het diepst van zijn ziel geschokt, dat Demas uit liefde voor de tegenwoordige wereld hem in de steek liet. Maar Paulus is er niet achteraan gegaan, ook niet halverwege. In ieder geval is dit toch een zijde van het kerk-zijn in deze wereld die wel eens aandacht verdient, om de eenvoudige reden dat ook de Schrift er voortdurend op wijst. Ook op dit punt, dachten we, zal de kerk zich hebben te realiseren dat de laatste resten van het corpus christianum aan het versterven zijn.
We zeggen dit, juist omdat we van harte instemmen met de bezorgdheid die uit het artikel van ds. G. zo duidelijk spreekt. Het is zo te vrezen dat hij gelijk heeft als hij schrijft: En na verloop van tijd zal een nieuwe generatie ontdekken, hoe ver we zijn afgeweken.
In Waarheid en Eenheid lazen we het volgende over het onderwerp dat in het opschrift vermeld werd: De paus op pelgrimstocht.
Paulus zal de ge-improviseerde tocht naar het Heilige Land wel heugen. Het excuus, dat hem is aangeboden vanwege de excessen, is wel een duidelijk bewijs, dat van een eigenlijke pelgrimage niet zo bar veel terecht gekomen is.
Nieuwsigierige belangstellenden hebben hem verdrongen en voortgestuwd, zodat voor aanbidding en meditatie weinig gelegenheid overbleef. St. Nicolaas kan rustiger Amsterdam binnen trekken dan de paus het Heilige Land, al hebben beiden, bij alle verschil, gemeen, dat het gros der kijkers niet in hen gelooft.
Trouwens kan men hier nog van een pelgrimstocht spreken?
De Ontmoeting met de patriarch Athenagoras van Constantinopel is toch al van andere strekking. Dan drong zich rond de reis het staatkundige vraagstuk op van de verhouding van de staat Israël tot de omliggende Arabische staten. Daar zitten tegelijk ook weer godsdienstige vragen aan vast, zelfs een pijnlijke vraag naar de houding van paus Pius XII, t.o.v. de Jodenvervolging.
Opzienbarend was de reis zeker. Of de successen navenant zijn? Komt de toenadering tusen de rooms-katholieke en orthodoxe kerken er nader door? Worden de betrekkingen tussen Israël en zijn buren er beter van?
Zal het aanzien van de rooms-katholieke kerk in de Arabische en Israëlische wereld er door stijgen?
Zal de reis ook nog stimulerend werken op het tweede Vaticaanse concilie? Allemaal vragen, waarop het antwoord moet worden afgewacht.
Hiertegenover staan wel enkele zekerheden. Een kerkvorst, met een rijk, dat van deze aarde is, betrad de voetsporen van de Koning Wiens koninkrijk niet van deze wereld was. En men zag er de grote tegenstelling tussen Christus, die het kruis droeg tot verzoening van de zonde der wereld en de kerkvorst, die door gebrek aan organisatie wel tijdelijk in de knoei zat, maar die door Israëliër en Islamiet, in naauwkeurig berekend evenwicht, met onderscheiding werd behandeld en in Rome op glorieuze wijze met alle luister aan zijn waardigheid verbonden werd binnengehaald.
Voorts kan men constateren, dat van een werkelijke belangstellng voor of propagande van de boodschap van Chistus als Redder der wereld weinig of niets gebleken is. Voor de komst van Christus' koninkrijk heeft de reis niets opgeleverd, ondanks alle spectaculaire aspecten.
Wel kan men zeggen, dat de rooms-katholieke kerk aldus weer in de aandacht is geweest. De politieke betekenis van deze kerk heeft in het brandpunt gestaan, al is alles niet zozeer een onmiddellijk succes geworden. Van rooms-katholiek standpunt uit is dit waarschijniijk wel belangrijk. De boodschap met oproep tot eenheid is trouwens niet anders dan eenheid onder de paus. Deze is meer rooms dan katholiek.
Het is weer helemaal mis tussen ons; tussen de eindredacteur van het Herv. Weekblad, ds. Groenewoud, en mij. Hard en fel reageert hij op dat wat ik schreef over het ingezonden stuk, waarin instemming werd betuigd met de artikelen van prof. v. Itterzon over vreemde vrijzinnigheid, waarmee wij ook duidelijk een en andermaal onze hartelijke instemming betuigden. Tot mijn verbazing heeft ds. G. daaruit gelezen zoiets als een bedekte aanval op hem en de mederedacteuren van zijn blad. Ik heb bijv. nagelaten mijn blijdschap uit te spreken over het feit dat dit ingezonden stuk zonder critiek in het blad opgenomen werd. Gelukkig wel. Wat zou ik naar mijn hoofd gekregen hebben als ik mijn verheuging uitgesproken had over het opnemen van een ingezonden stuk waarin instemming betuigd werd met enkele hoofdartikelen uit het blad van prof. v. I.?
Ik voel me echt niet geroepen open deuren te gaan intrappen.
Je vraagt je natuurlijk af: Wat is toch de oorzaak van deze nogal felle uitbarsting. Ik heb het idee, dat ds. G. verkeerd gelezen heeft. En het eigenaardige in dit geval is, dat hij wel goed gelezen heeft wat er stond, maar niet waar het stond. Als in een boze droom heeft hij het zitten lezen alsof mijn hele stuk achter de rug van de eindredacteur om terecht gekomen was in het Hervormd Weekblad. Het stond echter in de Waarheidsvriend om de lezers van dit blad op de hoogte te brengen van hetgeen er in andere bladen geschreven wordt en in andere sectoren van het kerkelijk leven aan de orde is. Ds. G. doet net alsof ik eens één keertje kans gezien heb, lezers van en schrijvers in zijn blad op te stoken tegen de redactie; hij laat mij bijv. als maar praten tegen die inzender. En ik heb geen ogenblik de gedachte dat ik tegen deze inzender praat als ik in de Waarheidsvriend schrijf.
Tot deze gedachte kwam ik vooral toen ik, al lezende, tot deze passage kwam:
Waarom nu niet eens royaal erkend dat de Waarheidsvriend menigmaal met instemminig ons blad geciteerd heeft, en in bepaalde gevallen ons volgde waar wij voorgingen in belangrijke kerkelijke strijd omtrent de Schriftuurlijke waarheid? Waarom ons niet volledig aanvaard als medestrijiders? Waarom nu deze in verdenking brengende opmerkingen?
Deze passage heeft natuurlijk alleen maar zin wanneer dit „royaal erkennen" geschiedt bijv. in het Hervormd Weekblad. Maar het is volkomen onzinnig om in de Waarheidsvriend royaal te gaan erkennen dat de Waarheidsvriend het H. W. met instemming citeert en in bepaalde gevallen volgt.
Tenslotte maakt ds. G. zich nogal boos over een opmerking mijnerzijds over het feit dat hij de Schriftbeschouwing van K. Barth onovertrefbaar achtte. Tussen twee haakjes, onovertrefbaar is heel wat meer, ja heel wat anders dan onovertroffen. Maar naar aanleiding van deze opmerking daagt hij mij uit om op vier vragen een antwoord te geven, uitsluitend met „ja" of „neen".
De vragen gaan over ouderdom van de aarde, de afstamming van het menselijk geslacht, de schepping in zes dagen en de historiciteit van Gen. 1—3,
Met mijn ja of neen moet ik kiezen tussen Schrift of wetenschap; dit dan in verband met de Schriftbeschouwing, Het zal ieder wel zonder meer duidelijk zijn, dat dit dwaasheid is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's