De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EUTHANASIA

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EUTHANASIA

7 minuten leestijd

Inleiding.

In 1651 verscheen te Utrecht van de hand van Johannes Hoornbeek een boekje onder de titel Euthanasia ofte Wel Sterven. Het is ons voornemen dit werk in de Waarheidsvriend te herdrukken. Regelmatig zal een gedeelte worden opgenomen en zo mogelijk zal het geheel later in boekvorm verschijnen. Telkens blijkt ons, dat er voor de stichtelijke geschriften uit de oude tijd nog belangstelling is. Helaas zijn deze meeste boeken slechts tegen hoge prijzen te koop, vandaar dat wij naar een mogelijkheid zochten om deze goede boeken tegen weinig geld onder de mensen te brengen.

Het spreekt vanzelf, dat het niet mogelijk is de eerste druk letterlijk over te nemen; verscheidene woorden zijn volkomen in onbruik geraakt; ik mag niet veronderstellen, dat de lezers het woord omtiegen of overschutten kennen. Ook zijn zinsconstructies die drie eeuwen geleden gewoon waren, geheel verouderd; vandaar, dat sommige zinnen geheel zijn omgezet. Ook neem ik de vrijheid om soms iets uit te laten, al zal ik daarmee zeer zuinig zijn, omdat het boek geen uittreksel van het oorspronkelijke werk mag worden; zoveel mogelijk moet het het eigen karakter bewaren.

De tweede druk is van 1660; de derde verscheen te Arnhem in 1742, verzorgd door Wilhelmus van Eenhoorn, predikant te Arnhem. Hij voegde een zeer uitvoerige opdracht, een levensbeschrijving en een voorrede aan het werk van Van Hoornbeek toe. In de voorrede (133 blz.) vermeldt ds. Eenhoorn, dat hij een exemplaar van de eerste druk „in 't geheel so als het is, sonder iets af, of by te doen, heeft laten drukken". Ook heeft hij „de spellinge, die hier en daar wat ouderwets was, eenigsins na onse tyden verschikt".

Johannes Hoornbeek werd in 1617 geboren; in 1644 werd hij hoogleraar te Utrecht aan de in 1636 gestichte Universiteit, waar Voetius de eerste hoogleraar was. In 1645 werd hij als predikant te Utrecht-beroepen, welk ambt hij naast zijn professoraat heeft waargenomen. Na herhaalde aandrang heeft hij een benoeming tot hoogleraar te Leiden aanvaard, waar hij in 1666 op 48-jarige leeftijd is overleden. Hij heeft zich op velerlei terrein bewogen. In de sabbathstrijd heeft hij zich sterk in het debat gemengd; zijn geschriften ademden een anti-coccejaanse geest. De Staten van Holland hebben in 1659 het de Leidse hoogleraren verboden verder over de sabbath te schrijven. De zaak van de Zending ging hem zeer ter harte. Ook schreef hij over Homeletiek; hij legde een sterke nadruk op de praktijk der godzaligheid, zoals ook in het geschrift Euthanasia uitkomt.

Het woord euthanasia hangt samen met het Griekse woord thannatos dood. Tegenwoordig verstaat men onder euthanasie het pijnloos beëindigen van het mensenleven. Suetonius vertelt van Keizer Augustus, dat als hij hoorde, dat iemand plotseling en met weinig smarten gestorven was, het zijn wens was dat hij ook zo sterven mocht; dat noemde hij euthanasie. De euthanasie van een christen is het in den Heere sterven, nadat hij in den Heere geleefd heeft.

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

of Wel Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald. 

Hoofdstuk 1.

Wat de dood is en hoe hij in de Schrift genoemd wordt.

De natuur heeft niets voortreffelijker dan het leven van de mens. Onder alle dingen is de mens hier het heerlijkste; in hem zijn leven en welleven. Een levende hond is beter dan een dode leeuw (Pred. 9:4). Niet dat een leeuw minder is dan een hond, maar alle dingen worden naar het leven gewaardeerd. De dood is de wegname van het leven en dit is des te zwaarder, naarmate het voorafgaande leven te beter is geweest. De dood is in strijd met het leven der natuur. Het wil zeer gaarne het leven, niet sterven en door niemand wordt de dood gewild om zijns zelfs wil; wij willen wel overkleed, maar niet ontkleed worden, zegt Paulus (2 Cor. 5:4). Het uittrekken van de ziel of het afleggen van het opperkleed, van het kleed des lichaams, is voor de natuur angstwekkend, hoewel ook de mens gaarne met de onsterfelijke heerlijkheid bekleed en bedekt wil worden. Maar nu is het zo en dat vanwege de zonde, dat men sterven moet. Het is de mens gezet eens te sterven, zegt de apostel (Hebr. 9 : 27). En: door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood (Rom. 5 : 12), want ook de bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6 : 23). De dood volgt op de zonde gelijk de draad de naald volgt, die haar vooruit trekt. En de dood vindt geen plaats in de natuur, dan waar de zonde eerst een breuk gemaakt en de natuur bedorven heeft.

Op verschillende manieren wordt de dood in de Heilige Schrift aangeduid; als vallen; van de kinderen Israels, die in de woestijn zouden sterven, zegt God uwe dode lichamen zullen in de woestijn vallen (Num. 14 : 29). En zo is het sterven van de mens, gelijk het vallen van een boom: als de boom naar het zuiden of als hij naar het noorden valt, in de plaats waar de boom valt daar zal hij wezen (Pred. 11 : 3). Het wordt met een gewone manier van spreken genoemd de geest geven: Abraham gaf de geest en hij stierf (Gen. 25 : 8); Jakob: als hij voleindigd had zijn zonen bevelen te geven zo legde hij zijn voeten tesamen op het bed en hij gaf de geest en hij werd tot zijn volkeren verzameld. Daarop doelt ook: de ziel afeisen (Luc. 12 : 20), en de ziel uittrekken (Job 27 : 8). Het is ontbonden worden (Fil. 1 : 23): hebbende begeerte om ontbonden te worden. Petrus noemt het een afleggen van de tabernakel (2 Petr. 1 : 14). Alzo ik weet, dat de aflegging mijns tabernakels haast zal zijn. Paulus: zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt. Een uitgang noemt Petrus het ook: dat Gij na mijn uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben (2 Petr. 1 : 15). Van Rachels dood: als haar ziel uitging, want zij stierf (Gen. 35 : 18). Weggaan: eer ik heenga en niet weder kom, zegt Job (Job 10 : 22). David spreekt van de weg der ganse aarde.

Het is als gaan slapen, want de dood is een slaap gelijk. Zelfs van Stephanus, die met stenen ter dood geworpen is, wordt gezegd, dat hij ontslapen is (Hand. 7 : 60).

Er zijn vier dingen, die men ten aanzien van de dood ter harte moet nemen nl. dat hij noodzakelijk is, algemeen, zeker en schielijk. Van zijn noodzakelijkheid is gesproken; de algemeenheid ziet men daarin, dat hij geen tijd, geen slag van mensen of stand of jaren ontziet of spaart, maar welke tijd ook, wat geslacht van mensen, welke staat of waardigheid, groot en klein, van welke ouderdom, het moet alles wijken, als dit geweld komt sterk als de dood, zegt Salomo (Hooglied 8:6), evenals Ismaël, wiens hand was tegen allen, daarom wordt de dood terecht door Jozua de weg der ganse aarde genoemd (Jozua 23 : 14). Job spreekt van het huis der samenkomst van alle levenden, als hij zegt, ik weet, dat gij mij ter dood brengen zult en tot het huis der samen­ komst aller levenden (Job 30 : 23). Waarlijk, daar komen allen samen, groot en klein, prins en knecht, koning en onderdaan; de kleinen en de groten zijn daar en de knecht vrij van zijn heer (Job 3 : 19). En men zal daar geen onderscheid tonen in de beenderen of in het stof van een vorst en van een bedelaar, noch het één van het andere onderkennen. Dit is onze nietigheid. Morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn, zegt het spook tegen Saul (1 Sam. 28 : 9). In de gelijkenis van Lazarus: en het geschiedde dat de bedelaar stierf en de rijke stierf ook (Luc. 16 : 22, 23); zie ook Hand. 7 : 15. De één sterft even als de ander. Daarop doelde Elia als hij levensmoede klaagt: neem nu Heere mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen (1 Kon. 19 : 4). Zacharias vroeg: uwe vaderen waar zijn die (Luc. 1 : 5). En daarom zegt Johannes in zijn Openbaring, als hij de doden ziet: ik zag de doden klein en groot (Op. 20:22). De jongen kunnen, de ouden moeten sterven, zeggen wij met een spreekwoord, dat meer dan duizend jaar oud is, want het wordt al in de geschriften van de kerkvaders Hieronymus en Basilius gelezen. Keizer Constantius, zoon van de grote Constantijn, toen hij in Rome kwam waar hij met grote pracht vverd ingehaald, bevond dat waar was hetgeen tevoren door de ambassadeur van Pyrrhus gezegd was: dat hij te Rome zoveel burgers gezien had die er als koningen uitzagen.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EUTHANASIA

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's