De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BRIEVEN VAN KOHLBRÜGGE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BRIEVEN VAN KOHLBRÜGGE

4 minuten leestijd

Hier volgt een brief van Kolhbrügge, geschreven aan zijn grootmoeder. Aan deze grootmoeder had hij bizonder veel te danken. Door allerlei omstandigheden heeft hij in zijn jeugd veel dagen bij haar doorgebracht. Zij heeft grote invloed op haar kleinzoon uitgeoefend. Deze brief is overgenomen uit: Brieven, uitgegeven door dr. E. Böhl, Utrecht 1877.

Hartelijk geliefde Grootmoeder,

Nu moet ik u toch wat schrijven, geliefde grootmoeder, namelijk, dat u uw zonden vergeven zijn in de Naam van Jezus Christus, de Zoon van God, en dat ze afgewassen zijn, ja dat gij afgewassen zijt in dat overdierbare bloed van het Lam Gods, dat de zonden der wereld heeft gedragen, indien gij van ganser harte gelooft.

Zie, gij kunt, de tijd van het leven, die de mens gezet is, in aanmerking genomen, niet lang meer hier zijn en staat haast geopenbaard te worden voor de rechterstoel van Jezus Christus. Ik zeg, van Jezus Christus, en Hij leeft; Hij is dood geweest en zie Hij leeft, en draagt de sleutelen van de hel en van de dood. Hij kan volkomen zaligmaken en maakt volkomen zalig allen, die door Hem tot God gaan. Hij helpt de armen en ellendigen heerlijk, Hij richt de gebogenen op. Hij is nabij de verbrokenen van hart, de verslagenen van geest en versmaadt ze niet, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, maar spreekt ze zalig en belooft hun verzadiging.

Het gekrookte riet verbreekt Hij niet en de glimmende vlaswiek zal Hij niet uitblussen. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen! Hij hoort het gebed en het zuchten der ziel om Zijn genade, om licht, om vrede bij God, om het eeuwige leven te mogen hebben in Hem, verstaat Hij van verre. De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven; die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moest ook de Zoon des Mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. En God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld oordele, maar opdat de wereld (dat is allen, wien het er om te doen is, dat God de eer krijge, al gingen zij er ook zelf mee te gronde, of allen, die God rechtvaardigen en zichzelf veroordelen) door Hem behouden zij.

Na deze bijbelse inleiding, die vol Geest en leven is, komt Kohlbrügge tot zijn doel, namelijk de sluiers, die haar geestelijk leven omgeven, wegnemen. Dat is wonderlijk. Immers heeft hij via haar niet de eerste indrukken van God en Zijn dienst in zijn jonge leven ontvangen. Had zijn grootmoeder hem niet geleerd, dat alleen de Heilige Geest de verborgenheden van 't Evangelie openbaart in het hart? Ja, dat had zij gedaan. Intussen blijkt haar kleinzoon een klaarder geestelijk leven te kennen dan de grootmoeder. Hij heeft zorg voor haar, ontroerende zorg.

Lees maar verder:

O, waarin zal ik mij meer verblijden, dat ik nog voor uw verscheiden van hier de goede belijdenis van u mag horen: Ik weet, in Wie ik geloofd heb. Mijn Vriend is mijn en ik ben Zijn! Daarom gelijk het mijn gedurige zucht en bede tot God is, dat gij, mijn lieve grootmoeder, in waarheid naar Zijn heil moogt begerig zijn, en dat gij op uw bed niet moogt ophouden met Hem, de levende God, te worstelen, totdat Hij ook in u Zijn ontferming in Christus Jezus verheerlijke, zo schrijf ik u deze brief, om u daartoe nog meer op te wekken, dat gij aanhoudt en niet aflaat met alle verzuchtingen tot de Heere te roepen, en uit het diepste van het hart in alle erkenning en gevoel van uw volslagen ellende tot Hem te zuchten, dat Hij ook u, ook u Zijn heil doe zien.

En dat ge uzelf Hem, de almachtige Erbarmer, voorlegt, zo als ge zijt, zo ellendig, zo diep ellendig, zo vervreemd van Hem zo als ge zijt, en met alles, wat daartegen opkomt, en tot Hem zucht: Heere, indien Gij wilt. Gij kunt mij wel helpen! U alleen is de eer! Gij alleen zijt rechtvaardig! Gij alleen zijt heilig! Ik ben het minste bewijs van Uw liefde, waarmede Gij Uw volk, dat Uw Naam prijst, van eeuwigheid tot eeuwigheid in Christus Jezus, Uw beminde Zoon, liefhebt, onwaardig, en heb de verdoemenis verdiend. Maar, och, grote Ontfermer, daarin maakt Gij Uw Naam heerlijk, dat Gij tollenaars en zondaars doet ingaan in het Koninkrijk der hemelen! Zie, hier ben ik, doe met mij naar Uw welbehagen.

Hier breken wij af voor deze week. Volgende week willen wij het slot geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BRIEVEN VAN KOHLBRÜGGE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's