GETUIGENIS VAN DE HEERE JEZUS CHRISTUS OVER HET WOORD
De Heere Jezus heeft tal van malen gewezen op hetgeen „is geschreven".
Wegens Zijn goddelijke autoriteit, willen wij deze getuigenissen omtrent de goddelijkheid van het Woord naar voren brengen, niet om de bestrijding van het goddelijk gezag der Heilige Schrift daarmede te doen ophouden, maar om voor al de ongelovige bestrijders aan te tonen, dat zij niet bij machte zijn ook maar één woord tegen de Schrift in te brengen tegenover de Zoon van God en mitsdien tegenover de waarachtige God, in Wien zij intussen blijk geven niet te geloven.
Zo gesteld, lijkt dit een onvruchtbare onderneming, die alleen betekenis kan hebben voor degenen, die in de Christus geloven en aan de goddelijke waardigheid van de Heilige Schrift werden ontdekt.
Die twee „in de Christus der Schriften geloven" en „in de goddelijke waardigheid der Schriften geloven", schijnen n.l. wel overeen te komen, zodat het een het ander insluit. En toch is dat inderdaad niet zo.
Daar is Schriftgeloof en Schriftgeloof, geloof aan God en geloof in God, geloof aan God, de Schepper van hemel en aarde, en geloof in God door de verlossing in Christus Jezus. In art. II der Nederl. Geloofsbelijdenis wordt gehandeld van tweeërlei Gods kennis: a. door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld, en b. door het goddelijk Woord.
De brief aan de Romeinen onderwijst ons in het eerste hoofdstuk over die algemene Godskennis, die door het heidendom in een leugenachtige vorm werd veranderd, waarover de Schrift een oordeel uitspreekt.
In dit verband gaan we geen uiteenzetting geven over de inhoud en vermenging van de Godskennis in het algemeen. Het is n.l. niet te ontkennen, dat een termijn van ongeveer tweeduizend jaar prediking en verspreiding van de Heilige Schrift over de aarde een groot aandeel heeft gehad in een algemene bekendheid, in ieder geval in een algemene aanraking met de Bijbel onder de volkeren der aarde.
Dat wil dus zeggen, dat de Heilige Schrift in de algemene geschiedenis der beschaving een veel bredere en invloedrijker plaats inneemt dan we gewoonlijk in de beschouwing der kerkelijke zaken bewust zijn. Om slechts één voorbeeld te noemen, dat voor boekdelen kan getuigen, de wijsbegeerte. Wat verzamelt zij in verschillende verbanden aan theologische, ethische en moraalgegevens, die alle in hun geestelijke aard worden veranderd, in wijsgerige waarden en begrippen omgezet en dan zo weinig worden gekend in deze gedaanteverwisseling, dat ze zelfs nog een grote plaats innemen in de theologische discussies, waarin ze strikt genomen niet thuis horen, omdat de kennis van God op aarde een geheel eigen karakter heeft, in onderscheiding van de aardse wetenschap.
Er is geschreven.
Deze uitdrukking wijst op de herkomst van de profetie, de mededeling van Godswege, waarover wij lezen in de Catechismus, vr. 19: Waaruit weet gij dat?
Antw.: Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld (Gen. 3 : 15; Gen. 22 : 18; 12 : 3; 39 : 10; Jes. 53 en 42: 1, 2, 3, 4; 43 : 25; 49 : 5, 6, 22, 23; Jer. 23 : 5, 6 en 31, 32, 33; 32 : 39, 40, 41; Micha 7 : 18, 19, 20; Hand. 10 : 43; 3 : 22, 23, 24; Rom. 1 : 2; Hebr. 10 : 1, 8; Coll. 2 : 7; Joh. 5 : 46; Rom. 10 : 4; Gal. 4 : 4; 3 : 24; Coll. 2 : 17).
Dit antwoord is een antwoord van de belijdende kerk. Wie als levend lidmaat bij de belijdende kerk behoort, gelooft dat niet, omdat de kerk dat leert, maar, omdat hij van de waarheid overtuigd is krachtens het onderricht van dezelfde Geest Gods, door Wie de profeten werden onderwezen.
Voor de ongelovige mens heeft dat geen overtuigende kracht. Hij neemt het aan onder ineer of minder reserve, omdat hij zoveel eerbied heeft voor het geloof van vader of moeder, maar als hij met het groeien der jaren meer onder de invloed van de wereld moet verkeren, wordt het wel duidelijk, dat het geloof een geestelijke zaak is, een hemelse werkelijkheid en een gave Gods.
Uit dien hoofde is de Catechismus nog weinig overtuigend voor de hedendaagse mens, die b.v. wordt voorgelicht door de Anglicaanse bisschop Robinson in Londen met zijn boek: „Honest to God". (Eerlijk voor God). Het Nieuwe Testament zou n.l. nergens uitdrukkelijk leren, dat Jezus God is. Een plaats als Matth. 3 : 17, Hebr. 1 : 1—5; 2 Petrus 1:1, om maar een enkel voorbeeld te noemen en zovele meer, worden blijkbaar niet geteld.
En nu schrijven wij „de hedendaagse mens", niet alsof „de vroegere mens" wel door eigen kracht tot de kennis van de Heere Jezus Christus, de Zoon van God, kon komen, want dat is zeker niet het geval. De hedendaagse mens wordt velen toch nog verschil van waardering echter wel in sterker mate afgetrokken van de Schrift. Immers zal het voor geven, of een of andere vijandige filosoof zegt, dat de Bijbel een gewoon menselijk boek is, dan wanneer een Engelse bisschop zulke beweringen doet. Zelfs voor buitenkerkelijken ligt dit nog wel 'n heel eind uit elkaar. In de tegenwoordige tijd is het echter niet zo heel vreemd meer dat kerkelijke woordvoerders en theologen de Heilige Schrift geheel of gedeeltelijk verachten en van haar waarde trachten te beroven.
De waardering der Heilige Schrift als goddelijk is in „de Christelijke landen" niet meer algemeen.
Het heeft daarom in het algemeen geen overwinnende betekenis er afzonderlijk op te wijzen, hoe vaak de Schrift haar goddelijke autoriteit zelf aankondigt of doet blijken. En zelfs als we ons alleen beroepen op de autoriteit van de Christus en er op wijzen, dat Hij niet nalaat het goddelijk gezag der Schrift te erkennen, dan zal Hij bij velen geen geloof vinden en als de hoogste, wijl de goddelijke Koning van hemel en aarde niet door allen ook in dit stuk wordt geëerd, maar anderzijds zullen velen er ernstig bij bepaald worden, dat Hij er op wijst.
De verzoeking in de woestijn.
In deze ernstige ure, als de Satan zich ten hoogste inspant om zijn rijk te winnen op de Christus Gods, op de Zoon, God uit God, en dat in Zijn menselijke natuur als Hij aan de ingang van Zijn aardse Middelaarsarbeid staat. Het moet van bijzondere betekenis zijn, dat de Heere Jezus in deze ure der verzoeking er op pleit: „Er staat geschreven". Hij, de Zoon des Allerhoogsten, pleit in deze ure der verzoeking op 't Woord Gods aan de gevallen mensheid toebetrouwd. „De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat". (Vgl. Deut. 8 : 3).
Die iets van de waarheid Gods heeft leren verstaan door de Heilige Geest, kan beseffen, dat dit „er staat geschreven" uit de mond van de Middelaar Gods en der mensen van de hoogste betekenis is. Christus gaat in de plaats van de zondaar staan, Hij, de Zone Gods, ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde, en leert ons, hoe Hij in de ure der verzoeking op Gods Woord pleit en naar Gods Woord handelt.
Dat Woord was Hem niet vreemd, want al de eeuwen, sedert de val des mensen, is Hij werkzaam geweest in Zijn Middelaarsambt ten aanzien der verlossing en heeft Hij ook zelf dat Woord gegeven.
Daarom, hoewel wij zondige mensen niet bij machte zijn Gods Woord te verstaan, tenzij dan onder de leiding van de Heilige Geest, moet het toch wel iets te zeggen hebben, dat de Christus zelf de goddelijke autoriteit van dat Woord erkent en er naar handelt.
Voor degenen, die, schoon hoog verheven in de aardse kerk, het twijfelachtig vinden of Christus de Zoon van God is, zal ons betoog weinig te zeggen hebben, maar voor degenen, die nog enige eerbied voor de Heere Jezus Christus hebben, moet het toch wel iets betekenen, dat Hij het goddelijk gezag des Woords erkent, terwijl aardse mensen dat niet doen, of daartegen bezwaar maken.
Dat betekent bovendien, dat dit voorbeeld van Christus, evenals zo menig woord door Hem over Abraham, Mozes of een der apostelen gesproken, een goddelijk getuigenis is voor het goddelijk gezag der Heilige Schrift.
Er is wederom geschreven.
Nu komt de duivel zelf met de Schrift voor de dag. Hij zegt ook „want er is geschreven" en ziet op Ps. 91 : 11—12. Dat is een psalm van Gods betrouwen in gevaar, van uitredding uit de benauwdheid, maar niet een uitnodiging tot roekeloosheid en verzoeking Gods. En in deze weg wil Satan Hem verleiden.
Maar de Heere Jezus doorziet hem en wijst Satan terecht met zijn woord: „Er is wederom geschreven: „Gij zult de Heere, uw God, niet verzoeken". (Deut. 6 : 16).
Ten derden male waagt de duivel een poging en wel met een aanlokkelijk voorbeeld; althans voor een schepsel. Dat is het toch ook, wat de mens eigenlijk wil: Alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid in zijn macht hebben.
Hier vergat de duivel ook zijn eigen afhankelijkheid, maar de mens was zwak en was belust op de heerschappij der wereld. Als deze mens voor de verzoeking zou bezwijken, dan ... Maar, deze mens bezweek niet en weer klinkt het uit Zijn mond: „Want er staat geschreven". „De Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen".
Deze Mens was getrouw en beveelt hem: Ga weg, Satan.
„Er staat geschreven" is in Zijn heilige mond geen leuze, geen woord van geven en nemen, maar een woord van goddelijke autoriteit.
Bisschop Robinson beweert, dat het Nieuwe Testament nergens uitdrukkelijk leert, dat Jezus zelf God was. Voor zulke prelaten en gewone niet-kerkelijke stervelingen zal het van weinig betekenis zijn er op te wijzen, dat de Christus zich beroept op „er staat geschreven".
Voor degenen, die in Christus geloven als hun Zaligmaker en Heere, is een zodanige bewijsvoering overbodig. Behalve deze ver uit elkander liggende groepen zijn er nog minder recalcitrante mensen dan genoemde Engelse bisschop, en hoewel zij de Christus niet kennen als Middelaar en Verlosser, toch wel geloven, dat Hij Gods geopenbaarde Zoon is, en met zekere eerbied tegenover Hem staan. Voor dezulken is het niet zinloos er bij bepaald te worden, dat Christus herhaaldelijk spreekt van: „Er staat geschreven" en daarmee doelt op de goddelijke autoriteit van de Schrift. En wie zal zeggen, wat er met die arme bisschop nog gebeurt.
De Schrift leert, dat de Heere Jezus Christus tot schaamte en tot oordeel van bisschoppen, dominees en lekebroeders, die wat anders menen te kunnen beweren, zegt „Er staat geschreven" en daarmede wijst op het goddelijk gezag des Woords. En dat niet één keer, maar menigwerf en onder verschillende omstandigheden.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's