DE DORDTSE LEEREGELS
HOOFDSTUK V. ARTIKEL. 4
En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is, dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden, zo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden, en die volgen.Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden. En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet alleen door het vlees, de wereld, de satan tot zware en ook gruwelijke zonden vervoerd worden, maar worden zij ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, daartoe somwijlen vervoerd; gelijk het droeve vallen van David, Petrus en andere heiligen, dat ons in de Schrift beschreven is, bewijst.
Hoofdstuk V. Artikel 4.
De macht Gods.
Onder de deugden des Heeren rekenen we ook Gods almacht. In de 12 artikelen wordt de Heere beleden als de Almachtige. Als zodanig beschikt de Heere souverein over bozen en goeden, vromen en goddelozen. Hij maakt de onvruchtbare Sara tot een vruchtbare moeder. Hanna zou zeggen: de onvruchtbare baart haar zeven kinderen. Hij maakt een kleine groep van een goede 70 personen tot een ontelbaar volk in Egypte. God gebruikt Farao tot zijn werktuig. God kan alles, wat Hij wil. Dit laatste moet er bij. Het is geen koude, dode macht, zoals een robot, die mogelijk zou kunnen voortbrengen. De almacht Gods staat in dienst van Gods Wezen. God doet al wat Hij wil en dat is een goede, wijze, voorbedachte wil. In die kracht Gods worden de gelovigen bewaart. Die kracht is groter, zegt ons artikel, „dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden". Zij is immers de oneindige kracht, waarmee God al onze vijanden kan bedwingen, de kracht van de Vader, die meerder is dan allen. (Joh. 10:29).
Maar wat wil nu God met die macht doen ten opzichte van de gelovigen? Beneemt deze almacht aan het kind des Heeren alle vrijheid? Volstrekt niet, zelfs niet de vrijheid om kwaad te doen. Hier is de wonderlijke leiding Gods. De gelovige krijgt ruimte om te leren, wie hij, ook na ontvangen genade, nog is. In navolging van de H. Schrift, houden de Leerregels goed rekening met wat de mens in werkelijkheid is. In de leer der reformatie is de kerk een gemeenschap van door en door zondige heiligen. Zo zijn de harten van de gelovigen te vergelijken met een slagveld. Het begin is, dat een prediker een evangelie ontvangt. Hij maakt het niet, maar ontvangt het om het te verkondigen, d.w.z. het verder te vertellen. (1 Cor. 11 : 23). Verder heeft de prediker er geen invloed op. Het is geen verdienste van de prediker, maar het werk van de Heilige Geest, als de verkondiging geloof wekt. Het Woord schept de kerk. De kerk ontstaat in de ruimte waarbinnen het Woord Gods en de mensen elkaar ontmoeten. Deze ontmoeting is vol strijd en heeft een veelvoudige uitwerking. Denk maar aan de gelijkenis van de zaaier. De ruimte van de ontmoeting van evangelie en mens wordt tot een strijdperk. Het evangelie dringt in mensenharten binnen en overwint ze. Anderen sluiten zich toe in onverschilligheid of verharding. Gods almacht komt bij deze niet tussenbeide. God geeft aan mensen ruimte om het Woord tegen te staan. Krachten uit de diepte worden wakker en afgronden worden gemobiliseerd, als het Woord Gods tot de mens spreekt.
Overwinning en nederlaag, doorbraak en terugval vindt men in de ruimte der kerk. Zij is altijd kerk in wording en kerk in verval. Haar geschiedenis kent afdwalingen en verduisteringen van de Waarheid. Geworpen in de branding van het tijdsgebeuren met al zijn machtige verleidingen, is de kerk niet onkwetsbaar, als ware ze een door rotsen omgeven eiland in de oceaan. De ene keer doet de kerk mee met de machthebbers, de andere keer met de massa. Soms gooit zij het evangelie min of meer overboord om de instemming te winnen van politieke of levensbeschouwelijke bewegingen. En God verhoedt deze dwaalwegen niet. Dat zien we duidelijk beschreven in het Oude Testament en is ons bekend uit de kerkgeschiedenis. Wat een kracht ging er uit van de afgodendienst onder Israël eii wat een macht ontplooien diverse vrijzinnige en wereldse leringen in onze tijd, die de kerk binnendringen, zodat de hoofdleiding en stroming in een kerk de reine predikatie des evangelies niet brengt. En God laat het toe. Onder Achab geeft het volk zich over aan de baalsdienst en onder Manasse zit alle afgoderij in de tempel. De kerk ondervindt wat het betekent dat daar, waar het Woord van God gepredikt wordt, ook de macht van de satan in haar ganse omvang zich verheft. Zij moet perioden van onvruchtbaarheid en van geestelijke onmacht doormaken, waarin het levende Woord zich terugtrekt op het platteland, in „gezelschappen", in kleine groepen binnen de kringen van de „stillen in den lande", terwijl op vele kansels en leerstoelen een dood en leeg Woord verkondigd wordt. En toch valt de kerk niet in de afgrond der geschiedenis te pletter. Zij is altijd nog uit haar smaad en duisternis opgehaald. De Heere houdt Zijn 7000 in leven, die hun knie niet buigen voor Baal, noch voor ijdele filosofie of eigenwillige godsdienst of het kalverbeeld der eigengerechtigheid. Het is vaak een kleine groep, maar de Heere woont in hun midden. „En deze heilige kerk wordt van God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der gehele wereld ; hoewel zij somwijlen een tijd lang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen; gelijk zich de Heere gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zeven duizend mensen behouden heeft, die hun knieën voor Baal niet gebogen hadden". (Art. 27, N.G.B.).
Zoals het met de kerk gaat, zo is ook de ondervinding van Gods volk. De machten der zonde vallen als waterstromen op hen aan. Zij lijken soms geen verweer te hebben. Daar zijn grote en sterke verzoekingen. Deze komen op uit zijn eigen binnenste. Jacobus zegt: Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verleid wordt". (Jac. 1 : 13, 14). De mens geeft graag de schuld aan de duistere machten, maar wij moeten niet vergeten, dat in onszelf het uitgangspunt ligt van dat duistere proces der begeerte, die ons zo dikwijls verkeerd doet kiezen. We hebben met twee machten te doen: eigen begeerte en de verleiding van de boze. Ze grijpen in elkaar in als twee verstrengelde handen, die samen sterk zijn. O, wat een macht. Dit mag in onze dagen nog wel eens gezegd worden. Er steken allerlei bewegingen het hoofd op, die veel te licht over de verdorvenheid der mensen denken en zeker te licht over de inblijvende verdorvenheid van de gelovige. Zij spreken van een bestaande mogelijkheid van een „overwinning over de zonde". Ze spreken zelfs van zondeloosheid als van een nieuwe bestaansvorm van de gelovige. Zo trachten ze een afbraak te bewerkstelligen van het bijbels getuigenis aangaande zonde, volgens welke de zondigheid de grondtrek van het menselijk wezen vormt. En zo brengen ze mannen en vrouwen, waarin werkelijk een ander leven ligt en die aan hun beweringen geloof slaan, , tot wanhoop. Wat een heel andere geest is er in de woorden van Paulus, dat hij de voornaamste der zondaren is en dat hij vleselijk is in zijn gelovige staat, als in de woorden van nieuwere en ook wel oudere gemeenschappen, die roemen op hun rijkdom en hun prestaties en de Heere danken als de farizeër. Wat kan de kerk weinig en wat kunnen zij veel. Men bekeert mensen bij de vleet en men geneest duizenden. De successen worden telkens weer groter en alles slaagt. Als Paulus Trofimus ziek te Milete achter moet laten, weten zij hem altijd te genezen. Als Gods kind zucht onder de macht der overblijvende en inwonende zonde, zijn zij de volle heiligheid bijna deelachtig.
Wij denken te klein van de almachtige God, zeggen ze. Zouden wij menen, dat de Heere niet alles kan, wat wij vragen?
Kijk, over het laatste wil ik niet twistten. Maar wil God alles, wat wij vragen? Mozes en Paulus en alle andere kinderen Gods hebben geleerd, dat God doet wat Hem behaagt en dat Zijn voetstappen in de zee zijn. Onnaspeurlijk zijn Gods wegen. En zo leert de ervaring, dat de Heere wel de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, doch dat zij menigmaal in een arme staat gehouden worden en dat de Heere hen geen vrijheid geeft om door te breken, totdat het Hem behaagt. Wat een macht betoont telkens de zon de. Wat is zij grimmig sterk in de gelovige. Wat is zijn geloof zwak. Hoe worden de gelovigen er telkens weer aan herinnerd dat zij mensen zijn, en dat zij vlees zijn. Maar nu het troostrijke : God doet zich een ellendig en arm volk overblijven, en dat volk leert Hij, temidden van hun gebreken, ellendigheden, verdorvenheden, zwakheden, op Zijn Naam te vertrouwen. Er is een grote kloof tussen sommige tegenwoordige christenen en de bijbelse gelovigen. De eersten kunnen alles en slagen overal in. De laatsten kunnen niet en weten niet en hebben niet en willen niet en worden zo in de ware genade bevestigd en bewaard door de almacht Gods, zodat zij nooit door hun verdorven vlees geheel overwonnen worden. Zo doet God Zijn kerk uit de laagte betuigen: „Schoon 'k arm ben en ellendig, Denkt God aan mij bestendig". „Als ik zwak ben, dan ben ik machtig".
Op deze wijze is die macht Gods, waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's