De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

8 minuten leestijd

of Wel-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald.

En daarna toen hij alles bezien had wat daar voor bijzonders te zien was, meende dat de natuur al haar macht in die stad had uitgestort, maar toen een zekere Hormesdas hem vroeg wat hij van Rome dacht, zei hij dat hij bevonden had, dat te Rome de mensen evenals elders stierven. Het was goed geantwoord, want zo is het; te Rome of waar het is, allen sterven, op de één en op de andere plaats, de ene mens evenals de andere. „Met gelijke voet treft hij de hutten der armen en de torens der koningen". Welk een menigte van mensen is er voor ons geweest, die nu allen dood zijn, die met elkaar dikwijls streden, twistten, oorlog voerden en nu allen bij elkaar in één aarde! Eén woord vat allen samen, gelijk één staat, zij gaan allen naar één plaats, zij zijn allen uit het stof en keren allen tot stof weer (Pred. 3 : 20).

Had Xerxes geen reden om een zo schone menigte van duizenden soldaten van wie hij dacht, dat niet één over honderd jaar nog over zou zijn, te bewenen? Maar wat is dit in vergelijking met zulk een menigte van alle mensen, die ooit geleefd hebben en nog leven zullen, die dezelfde weg gaan? Waar is het huis van de prins en waar is de prins zelf; eindelijk wordt hij naar de graven gebracht (Job 21 : 28, 32) en is gedurig in de aardhoop. Ambrosius: wie meent uitgezonderd te zijn van te zullen sterven, die niet vrij is van geboren worden? Al leefde iemand 969 jaar gelijk Methusalem, toch komt daar nog: en hij stierf (Gen. 5 : 27). Dergenen die voor geweest zijn, is geen getal; alzo ook niet dergenen, die daarna komen zullen. Daar is geen mens, die heerschappij heeft over de geest om de geest in te houden en hij heeft geen heerschappij over de dag des doods; ook geen geweer in deze strijd, ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen (Pred. 8:8). Henoch werd wel opgenomen en Elia, zodat zij niet meer waren. Tertullianus spreekt van kandidaten voor de eeuwigheid, maar in hun opnemen is zonder twijfel zulk een grote verandering aan hen voltrokken, inplaats van de dood, als hen overkomen zal, die op de jongste dag levend bevonden worden, waarvan de apostel spreekt (1 Thess. 4 : 16).

Zoals de dood algemeen is, zo de dood zeker. Zijn dagen zijn bestemd. Het getal zijner maanden is bij u; gij hebt zijn grenzen gesteld, die hij niet overschrijden zal. (Job 14 : 5). Van Christus staat zij zochten Hem te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn uur was niet gekomen (Joh. 7 : 30). En: wat Hij gezegd had betekenende welke dood Hij sterven zou (Joh. 18 : 32). Daarover spraken onder elkaar de koning Jehu en zijn hoofdman Bidkar toen zij zagen hoe de koning Joram gedood was, dat God hem zulk een dood voorzegd had; gedenk als ik en gij nevens elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem de Heere déze last oplegde (2 Kon. 9:25). Worden niet twee musjes voor één penninkske verkocht en niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader, en ook de haren uws hoofd zijn allen geteld. Dit verstond zeer wel de Coligny, de admiraal van Frankrijk, de schoonvader van prins Willem I, toen hij in de Parijse moord doorstoken werd en tot de moordenaar zeide: jongeman ontziet ten minste mijn grauwe haren; hoewel gij wat gij ook doet, mijn leven niet verkorten zult, n.l. niet ten aanzien van de zekere en bij God vastgelegde tijd van sterven.

Voor ieder staat zijn eigen dag vast, schreef Vergilius. Hoe zeker ons sterven en zijn tijd, manier en plaats met alle omstandigheden bij God is, zo onzeker is het ten aanzien van ons en schielijk is het ook. Daarom zegt Salomo, dat de mens zijn tijd niet weet; gelijk de vissen, die gevangen worden met het boze net en gelijk de vogeltjes, die gevangen worden met een strik, gelijk deze alzo worden de kinderen der mensen gestrikt ten bozen tijd, waneer deze haastelijk over hen valt; en Christus zegt: gij weet niet in welk uur uw Heer komen zal en in welk uur gij niet meent, zal de Zoon des mensen komen (Matth 24 : 44). „Als de sterfelijkheid eenmaal door de zonde in onze natuur is ingekomen, maakte hij iedere dag van ons leven aan zich onderworpen".

Hoofdstuk 2.

De voorbereiding op de dood.

Niets is zo zeker en van niets heeft de mens dieper overtuiging dan van zijn sterfelijkheid. Niets kan hij zich ook moeilijker voorstellen dan zijn eigen dood. Indien er onder honderdduizenden mensen één was, die niet zou sterven of van wie Christus zou willen, dat hij zou blijven totdat Hij kwam zoals sommigen verkeerd begrepen hebben wat Christus tot Johannes zei, alsof Hij niet voorwaardelijk gesproken had: of Ik wilde, dat hij bleef, maar alsof Christus absoluut gezegd had, dat hij blijven zou: ieder zou zich wijs maken, dat hij die man zou zijn; zo weinig past hij de waarheid op zichzelf toe en toch is dit nodig ten aanzien van hetgeen te voren gezegd is over de noodzakelijkheid, de algemeenheid, de zekerheid en het plotselinge van de dood, dat men hierop bedacht is en men zich bijtijds tegen de dood moet voorbereiden.

De voorbereiding bestaat in twee stukken n.l. dat men leeft gedurig acht gevende op de dood en dat men stervende zich daar wel toe moet schikken. Ons leven moet, zoals de ouden zeiden van hun filosofie een gedurige overdenking des doods zijn. Heere, zegt David (Ps. 39 : 12) maak mij bekend mijn einde en welk de maat mijner dagen zij, dat ik weet hoe vergankelijk ik ben. En Mozes: leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen (Ps. 90 : 12). Zo worden wij bijzonder wijs door de overdenking van onze dood. Er is niets, waarbij wij méér belang hebben, dan onze eigen sterfelijkheid en er is niets dat dikwijls verder uit onze gedachten is dan dat. Wij moeten overdenken wat wij eens zullen zijn en wat of wij willen of niet, niet ver meer weg kan zijn, schreef Hieronymus. Daarom oordeelde Salomo dat het beter was te gaan in het klaaghuis, dan in het huis van de maaltijd, want in hetzelve is het einde aller mensen en de levende legt het in zijn hart (Pred. 7:2). Zien sterven, leert sterven en altijd aan zijn sterven denken. Sulpitius Severus schrijvende aan Aurelius Diaconus begint zijn brief aldus: nadat gij deze morgen van mij waart weggegaan, zat ik alleen in mijn kamer en mij kwam in gedachten, zoals menigmaal, de hoop op het toekomende en het verdriet over het tegenwoordige leven; de schrik van het oordeel, de vrees voor de straffen en hetgeen volgt, waarvan ook mijn gedachte uitging, de overlegging van mijn zonden maakte mij geheel verslagen en bedroefd — Heilige en krachtige gedachte, die bij ons begint en over alles loopt, totdat hij weer in ons eindigt; een gedachte, die bij ons begint en gewoonlijk als een kwade tijding beschouwd wordt. Menigeen die hieraan niet wilde denken als hij leefde, heeft er ook niet aan kunnen denken, toen hij stierf; en hij wist daarom zo weinig van zijn leven, als zijn leven dacht aan sterven. De spreuk van de oud-vader Hieronymus is bekend: het zij dat ik eet of drink of iets anders doe, zo klinkt mij altijd in mijn oren de schrik van de kleine stem: staat op uit de doden en verschijnt ten oordeel. Sommigen hebben hierover het één of ander gehad, dat hun zeer duidelijk hun sterf uur in gedachten hield. Vroeger stelden de Egyptenaren bij hun maaltijden een geraamte van mensenbeenderen ieder voor ogen, daarbij zeggende: drinkt en vermaakt u, maar beschouwt dit en bedenkt, dat. gij zo na de dood zijn zult. Philippus, de vader van de grote Alexander, had iemand, die hem dagelijks ook in zijn grootste overwinningen aan zijn sterfdag kwam herinneren.

De keizer Serverus liet zich bijtijds een urn vervaardigen, waarin zij as na zijn dood zou begraven en bewaard worden. Menigmaal nam hij die in zijn handen en zei daarbij: gij zult, een man bevatten, die de ganse wereld niet bevatten kan. Een dergelijk gebruik kende de Turkse keizer. Bij zijn kroning komt een fabrikant die hem verscheidene soorten stenen toont, waaruit de keizer dan één kiest, waarvan men hem een grafstede bouwen zal. Evenzo, als een nieuwe paus gekozen is komt de leider der ceremoniën tot hem: In zijn ene hand houdt hij een fakkel en in de andere een handvol vlas, die hij in brand steekt, waarbij hij zegt: heilige vader, zo gaat de glorie van de wereld voorbij. Onder de Abessinische christenen is het gewoonte, wanneer hun koning te velde trekt of op een andere wijze uitgaat, dat hem een crucifix wordt vooruit gedragen en ook een gouden vaatje vol aarde, waardoor zij de algemene sterfelijkheid aan allen willen voorstellen en afbeelden. De Kalief van Babylonië placht om dezelfde reden, als hij zich in zijn grootste luister vertoonde op het Turkse feest Rammadan, boven op zijn muts, zoals men die draagt versierd met allerlei kostbare stenen, een vuil zwart doekje te laten zien, als een teken van de nietigheid van alle wereldse dingen en staat. En dat zijn allemaal verschillende aanduidingen van onze broosheid en sterfelijkheid om hun gedurig, die de een en ander heeft gehad om gedurig te verstaan, hoe ongelegen de dood komt.

No. 2

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's