GETUIGENIS VAN DE HEERE JEZUS CHRISTUS OVER HET WOORD
2
Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden.
Deze tekst vinden we in Jesaja 56 : 7, terwijl het tweede gedeelte is ontleend aan Jeremia 7 : 11 : „Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk der moordenaren? " Bij de reiniging van de tempel (Matth. 21 : 12 v.v.) heeft de Heere Jezus deze woorden gesproken en leidt ze in met de woorden: „Er is geschreven" (Matth. 21 : 13).
En terwijl Hij allen, die verkochten en kochten in de tempel, uitdreef en de tafels der wisselaars omkeerde, kwamen blinden en kreupelen tot Hem en Hij genas hen.
Kinderen, die daar waren en dat zagen gebeuren, riepen: „Hosanna, de Zoon van David".
Overpriesters en Schriftgeleerden namen dat zeer kwalijk: Hoort gij wel, wat zij zeggen? En Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof bereid? (Psalm 8:3).
Weer een herinnering aan het geschreven Woord en een les, want de Overpriesters en Schriftgeleerden aanschouwen Zijn wonderen en inplaats Hem te loven en te prijzen, ja, inplaats van de wisselaars uit de tempel te houden, maken zij bezwaar als de kinderen „Hosanna, de Zoon van David" zingen op het gezicht van Zijn wonderen.
Vandaar de terechtwijzing van Christus en dat uit Zijn Woord.
Petrus gewaarschuwd.
Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geërgerd- worden in deze nacht, want er staat geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen dér kudde zullen verstrooid worden. (Mth. 26:31). Men vergelijke Zach. 13:7: Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen ; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden.
De Heere Jezus haalt dit woord aan, als Hij Petrus gaat waarschuwen, maar Petrus hoort niet: „Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden", (vs. 33).
Zo dacht Petrus en hij kende zichzelf niet. Zelfs toen de Christus gezegd had: „Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in deze zelfde nacht, eer de haan gekraaid zal hebben. Mij driemaal zult verloochenen", (vs. 34).
„Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen", hield Petrus vol. Zeg niet, dat Petrus het niet meende. Maar hij kende zichzelf niet. Hij wist nog niet, hoe zwak een mens is, ook al is hij een discipel des Heeren. En de andere discipelen hebben volgens het goddelijk getuigenis gesproken als Petrus en ze zijn allen beschaamd geworden, (vgl. vs. 35; 60-75).
Hij heeft de pers alleen getreden en is van allen verlaten geweest.
Maar Petrus heeft het geleerd en velen leren het niet, ook al hebben zij het meerdere malen gelezen of horen lezen: „Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die naar Zijn grote barmhartigheid ons heejt wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden".
Tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is ... " (1 Petrus 1 : 3 en 4).
Hij heeft het Woord leren verstaan, omdat hij de zwakheid des vleses heeft leren kennen: „Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God". Het vertrouwen op het vlees heeft hij verloren en hij zegt het Jesaja na: Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid! (Jes. 40:6—8).
Vgl. Markus 14 : 27-31, waar deze geschiedenis door Markus wordt medegedeeld.
Vgl. Lukas 4 : 1-13 over de verzoeking in de woestijn, en voorts vs. 16 v.v., waar de Heere Jezus Christus op de sabbath de synagoge te Nazareth bezocht. Hij leest uit Jesaja 61 : 6 en begint te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.
De Christus spreekt over deze plaats en wijst er op, dat er in de dagen van Elia hongersnood in Israël was, maar dat Elia tot de weduwe van Sarepta Sidonis werd gezonden. Voorts, dat er vele melaatsen in Israël waren ten tijde van Elisa, maar dat geen van hen werd gereinigd dan Naaman de Syriër. (1 Kon. 17 : 7; 2 Kon. 5 : 14).
Toen zij dat hoorden werden zij toornig en wilden Hem van de steilte werpen.
Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg. (vs. 30).
Lukas 19 : 45 en 46 de geschiedenis van de tempelreiniging.
De gelijkenis van de wijngaardeniers.
Lukas 20 : 9—18 De Heere Jezus had de gelijkenis van de wijngaardeniers aan het volk voor ogen gesteld: Een zeker man plantte een wijngaard en verhuurde die aan landlieden, en trok een lange tijd buitenslands. (Lukas 20 : 9). Toen het tijd was, zond hij een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht zouden geven. Deze werd geslagen en ledig teruggezonden. Een tweede en een derde werd ledig weggezonden en uitgeworpen.
Toen zond de heer van de wijngaard zijn zoon.
Maar de landslieden zeiden: Deze is de erfgenaam. Zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wat zal de heer van de wijngaard hun doen?
Hij zal komen en de wijngaard aan anderen geven.
Als zij dit hoorden werden zij boos. Daarop antwoordde de Heere Jezus met de woorden van vs. 17 en 18.
Maar Hij zag hen aan en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat:
a. De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden.
b. Een iegelijk, die op die steen valt, zal verpletterd worden,
c. en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.
a. Psalm 118 : 22; Jes. 8 : 14; 28 : 16;
b. Jes. 8 : 15; Zach. 12 : 3;
c. Dan. 2 : 34.
Met de misdadigers gerekend.
Lukas 22 : 37. Want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: „En Hij is met de misdadigers gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde". (Vgl. Jes. 53 : 12).
De Heere Jezus deelt de discipelen mede, dat dit aan Hem zal geschieden en dat dit zeer nabij is. De discipelen zullen van Hem vlieden en Hem verlaten en verloochenen. Hij ziet ze in hun zwakheid, zonder verweer. Zij echter hebben het niet verstaan. Vandaar des Heeren woord het is genoeg (vs. 38).
Telkens blijkt weer, dat de Christus leeft bij de Schrift en dat Hij daaruit de weg van Zijn lijden a.h.w. afleest.
Toen opende Hij hun verstand.
Lukas 24 : 44, 46, 47.
Na Zijn opstanding onderwijst de Heere het elftal nog weer omtrent deze dingen. Hij komt op Zijn omgang en onderwijs van vóór Zijn lijden en sterven nog eens terug in Zijn verschijning aan de elf apostelen. En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, n.l. dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten en Psalmen.
45. Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
46. En Hij zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden en van de doden opstaan ten derden dage. (Psalm 22 : 7).
47. En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volkeren, beginnende van Jeruzalem.
Johannes 5 : 39 :
Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen.
Christus zegt in het voorafgaande : En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft zelf van Mij getuigd. Gij hebt noch Zijn stem ooit gehoord, noch Zijn gedaante gezien.
vs. 38. En Zijn Woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft Dien niet, Dien Hij gezonden heeft.
Daarop beveelt Hij hun nogmaals de Schriften te onderzoeken, die van Hem getuigen.
Een opmerkelijk stuk besluit deze passage, waarin de Heere Jezus Christus verband legt tussen het geloof in de Schrift, hier ter plaatse de geschriften van Mozes, en het geloof in Zijn woorden.
vs. 46. Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven.
Mozes heeft van de Christus geschreven.
Daarom is er een innerlijke betrekking tussen de geschriften van Mozes en de Heere Jezus Christus. Maar zo gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven? zegt de Heere.
Dit verband ligt ook in Johannes 1 : 46, in de woorden van Filippus: Wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de Wet geschreven heeft, en hij voegt er aan toe: en de profeten.
Vergelijk Lukas 24 : 44, waar ook de Psalmen worden genoemd.
Zo heeft de uitdrukking: „Er staat geschreven" in Christus' mond een zeer bijzondere betekenis, wijl zij wijst op Zijn profetische arbeid van den beginne. Wij zouden kunnen zeggen: de profetische voorbereiding van Zijn komst op aarde.
Johannes 8 : 17. En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. (Vgl. Rom. 34 : 30; Deut. 17 : 6; 19 : 15).
Dit is een woord van de Heere Jezus Christus en Hij past dat toe op Zijn getuigenis en dat van de Vader, Zijn Vader. Ik ben het, die van Mijzelven getuig en de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. (Joh. 8 : 18).
Johannes 10 : 34. De Joden beschuldigen de Heere Jezus en willen Hem stenigen, omdat Hij zichzelf God maakte, zoals zij meenden.
Toen antwoordde de Heere: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden?
Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het Woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft. Gij lastert God, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
Johannes 12 : 14-16.
De intocht te Jeruzalem.
Een grote schare van feestgangers naar Jeruzalem, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, ging Hem tegemoet. Zij plukten takken van palmbomen en riepen : Hosanna, gezegend is Hij, die komt in de Naam des Heeren, de Koning Israels.
En Jezus vond een jonge ezel en zat daarop, gelijk geschreven is: Vrees niet, gij dochter Zions ! Zie uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin. (Jesaja 62 : 11; Zacharias 9:9).
Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden. (Joh. 12: 16).
Johannes 15 : 25.
Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader, (vs. 23).
Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden, Mij en Mijn Vader gehaat, (vs. 24).
Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat. (Psalm 35 : 19; 69 : 5).
Wij zouden deze getuigenissen van de Heere Jezus Christus kunnen aanvullen met vele woorden, die Hij gesproken heeft, woorden van troost en van veroordeling, maar het was ons te doen om er op te wijzen, hoe Hij de Heilige Schrift eert, haar goddelijk gezag met nadruk bevestigt, verband legt tussen het geloof aan de Schrift en het geloof in Hem.
Hoewel dat geloof een gave Gods is, een onderrichting van de Heilige Geest, zonder welke wij tot de geestelijke kennis van het getuigenis des Heeren, tot de kennis van God en van onszelf niet komen, kan het toch voor velen van grote betekenis zijn bij deze dingen bepaald te worden.
Alleen reeds op deze grond, dat de Heere Zijn Woord heeft gegeven en geboden heeft het Evangelie te prediken aan alle creaturen, kan het zijn nut hebben in een tijd, als de onze, er op te wijzen, hoe ernstig Hij „Er staat geschreven" neemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's