De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING

18

7 minuten leestijd

§ 5. KERK EN STAAT.

Een inventarisatie van hetgeen er tot dusver met betrekking tot het vraagvan de kernbewapening al zo gezegd en geschreven is geworden, laat er geen twijfel over bestaan, waar de verklaring moet worden gezocht van het feit, dat er omtrent dit vraagstuk zoveel verschil van opvatting heerst. Het zijn de theologische inzichten op de achtergrond, die de standpunten goeddeels bepalen, alsook van extreem-pacifistische zijde meermalen is toegegeven.

Een zeer belangrijke, zo niet de belangrijkste factor op de achtergrond is onze visie op kerk en staat. Het is dan ook niet zonder reden, dat dit thema het onderwerp is van mijn vijfde en laatste paragraaf.

Hierbij zullen wij hebben te letten op de praktijk zowel als op de theorie, aangezien die twee elkander nimmer dekken, en ook niet kunnen dekken, naar de Schrift ons leert. Een bewijs overigens, dat de „overste dezer wereld" (Joh. 12 : 31 en andere plaatsen) nog over macht beschikt, en welk een macht!

A. THEORIE

„Geef dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is". (Matth. 22 : 21).

1. Het domein van de staat, resp. dat van de kerk.

Het is op grond van bovenstaande tekst o.a., dat wij hier als gezichtspunten willen noemen:

1. De staat representeert in en tegenover de gemeenschap, die hij omspant, het bestel der zijnde dingen (status-quo). De kerk moge in historisch gewaad zijn gehuld, zij representeert het bestel van de komende dingen, d.i. de orde van het Koninkrijk Gods.

2. De staat is een cultuurmacht, d.w.z. een creatie van de mens oftewel een „diesseitig" product, zij het niet aan zichzelf overgelaten; de overheden (in het kader van de staat, dus ook de staat zelf zijn mede opgenomen in het bestel van de Voorzienigheid Gods: Christus is haar Hoofd (Col. 2 : 10). De kerk daarentegen moge uitwendig een cultuurmacht schijnen — de vormen zijn altijd tijdgebonden, hoe zou dat ook anders winnen? — zij transcendeert de staat: het is immers van Boven, dat zij bestuurd wordt, onderhouden en gevoed (1 Cor. 11 : 3; Ef. 1: 22; 4 : 15; 5 : 23, 24 en 29; Col. 1 : 18); een mystieke eenheid verbindt haar met haar Hoofd (Joh. 17 : 11 en 21—23; Rom. 12 : 5; 1 Cor. 12 : 27; Gal. 3 : 28).

3. De staat ontleent zijn bestaansgrond aan de (gevallen) schepping, hij borduurt voort op wat historisch gegroeid is.

De kerk ontleent haar bestaansgrond aan de herschepping; zij zou geen betekenis hebben ware daar niet de Vleeswording des Woords geweest, zo omstreeks het „midden" der geschiedenis. Klampt de staat zich vast aan het verleden, de kerk ziet verlangend uit naar de toekomst, de toekomst van de dag Gods (2 Petr. 3 : 12).

4. De staat ijlt na; zijn optreden is historisch bepaald. Het is met de lessen der geschiedenis in het achterhoofd, dat zij vooruitziet („gouverner c' est prévoir" zeggen wij dan). De kerk ijlt voor: zij etaleert de modelstaat van het komende Rijk van God; haar gelaat straalt — indealiter gezien — de glans af van het nieuwe Jeruzalem.

5. De staat houdt zich bezig met onze wereld, zoals die reilt en zeilt.

De kerk beziet die wereld in eschatologisch licht.

Er zouden in onze wereld geen oorlogen mogen zijn, geen sociale conflicten, geen rassendiscriminatie, enz., zegt de kerk; zij zijn er nochtans, constateert de staat...

6. De schikkingen van de zijde van de staat voorzien in de aardse behoeften van de mens, zulks dus met het oog op zijn tijdelijk welzijn, gegeven de Voorzienigheid Gods en het acculturatieproces, dat daarvan een uitvloeisel mag worden genoemd. De kerk houdt de gedachtenis van de Verrezene levendig, in afwachting van Zijn Wederkomst en de vernieuwing aller dingen (Op. 21 : 5), zulks vóór alles met het oog op het eeuwig welzijn van de mens.

7. De staat evolueert qua structuur, enz. in het rhythme van de kerkelijke en saeculaire bewegingen der geschiedenis; hij is dus aldoor aan veranderingen onderhevig.

De kerk blijft zichzelf getrouw; zij bedient het Woord, dat genoegzaam is en eeuwig (Matth. 15 : 9, resp. 1 Petr. 1: 25); slechts de vormgeving van wat zij belijdt behoeft nu en dan vernieuwing.

8. Het is altijd weer tegenover andere staten, dat een bepaalde staat allure bezit; niet één staat, die zich mondiale adspiraties veroorloven kan, anders dan op straffe van zijn eigen ondergang ...

Hét vraagstuk van onze tijd is dan ook: hoe komen wij met elkander tot een staatkundig verantwoorde integratie van onze „kleiner" wordende wereld?

Eén ding heeft ons de jongste geschiedenis wel geleerd: staten kunnen slechts samengaan op basis van vrijwilligheid; unitarisme is uitgesloten.

Blokvorming onder druk van buitenaf geeft slechts tijdelijk soulaas. Een beetje vermindering van druk leidt reeds tot polarisatie (Cyprus!)

Geheel anders is het met de kerk: zij is van huisuit universeel.

Daarom is b.v. het rassenvraagstuk vóór alles een aangelegenheid van de staat, niet van de kerk!

9. De staat verschaft zich blijvend onderdak; onze wereld is zijn tehuis. De kerk bivakkeert in een hut of een tent (Ps. 27 : 5 en 6 o.a.); een vaste verblijfplaats heeft zij in onze wereld niet. '

10. De staat herbergt blijvers, bij wijze van spreken; de kerk trekkers (Ps. 119:19; Hebr. 11 : 13).

11. De staat vertegenwoordigt een natuurlijk verband, een entho- dan wel een geografisch verband, een aanwijsbaar verband (dus ook toegankelijk voor statistieken, enz.). De kerk — hieronder te verstaan, zo hier als elders: de gemeenschap der gelovigen, de gemeente van Christus — vertegenwoordigt een bovennatuurlijk verband, niet te traceren door de staat...

12. Van de gemeenschap, corresponderende met het begrip „staat", wordt een mens lid door zijn geboorte; een lidmaatschap, dat eindigt bij zijn dood.

Van de kerk wordt iemand lid door het geloof, d.i. bij zijn wedergeboorte; een lidmaatschap, dat nimmer eindigt.

13. Het staat de mens vrij van staatsburgerschap te veranderen, doordat hij b.v. emigreert. Een „hemelburger" evenwel blijft die hij is: lidmaat van de algemene christelijke kerk, nog strijdend dan wel reeds triomferend.

14. De staat is — als hiervoor reeds opgemerkt (punt 6) — in de allereerste plaats verantwoordelijk voor het tijdelijk welzijn van zijn onderdanen, doch het ligt mede op zijn weg te bevorderen, dat het kerkewerk ongehinderd voortgang heeft.

De kerk ijvert voor het eeuwig welzijn dier onderdanen, doch ziet er tevens op toe, dat zich de staat voegt naar de geboden des Heeren.

Het is aan de kerk om de Waarheid ingang te doen vinden bij de staat. De kerk leve daartoe de staat a.h.w. vóór; de staat op zijn beurt onthoude haar de gelegenheid niet!

15. De staat beschikt over materiële wapenen (militair en justitieel zwaard); zij straft zo nodig gevoelig af. De kerk strijdt uitsluitend met geestelijke wapenen (Ef. 6: 10 e.v.); zij oefent slechts tucht uit.

16. De staat biedt zijn onderdanen een beperkte vrijheid; het is vanwege de doorwerking der zonde in onze wereld, dat die vrijheid niet volkomen is.

De kerk toont in onze wereld de vrijheid der kinderen Gods, omschreven door Augustinus: „God dienen is de ware vrijheid". Laatstgenoemde vrijheid is ook — zoals wij nader hopen te bezien — van een andere orde dan de eerstgenoemde.

17. De staat biedt zijn diensten aan tegen betaling, de kerk om niet (vgl. Jes 55 : 1).

18. De staat heft belastingen, de kerk neemt slechts giften in ontvangst, zij het ook dat de praktijk de theorie nog wel eens logenstraft ... Helaas!

19. Dienaren van de staat worden in de regel bezoldigd, die van de kerk in zoverre zij wel van het altaar moeten leven. Staatsambtenaar is niet ieder burger; ambtsdrager in de kerk is ieder gelovige.

20. Naar een ambt in de staat kan iemand dingen, tot een ambt in de kerk wordt hij geroepen...

Zo is er tussen kerk en staat niet slechts verschil van geaardheid maar ook van gerichtheid.

Hieruit concluderen wij, dat het terrein van de kerk niet samenvalt met dat van de staat en dat ook van overlapping eigenlijk niet mag worden gesproken.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's