De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

In Woord en Dienst van 18 januari lazen we een artikel van L. Kalsbeek, getiteld: De kerstening van het openbaar onderwijs van de baan? De schrijver gaat uit van de verklaring van de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk betreffende het schoolbeleid, verschenen in 1952.

In deze verklaring onthield de synode zich er van om de ouders aan te raden hun kinderen naar de christelijke school te zenden. De Herv. Kerk droeg immers verantwoordelijkheid voor het onderwijs zowel op de christelijke als op de openbare school. Het is de taak van de kerk, zo sprak de synode uit, om het openbaar onderwijs te kerstenen.

De schrijver gaat zich nu afvragen wat de Herv. Kerk gedaan en bereikt heeft in de veertien jaar die sindsdien verlopen zijn. Zijn antwoord is kort en goed: Niets! Het openbaar onderwijs is zelfs nog niet eens onderweg naar de kerstening. Vervolgens gaat de schrijver in op een begrijpelijke tegenwerping. Vanwege de kerk wordt toch op de openbare scholen bijbelonderwijs gegeven door predikanten of door onderwijzers, die in het bezit zijn van het testimonium dat uitgereikt wordt door de Raad voor de zaken van Kerk en School:

Inderdaad en het is een zeer belangrijke taak van deze raad het bijbelonderwijs op de openbare scholen te stimuleren. Maar, dit onderwijs vanwege de kerk blijft staan naast en los van het overige onderwijs. Onderwijs en opvoeding als zodanig zijn op de openbare school niet veranderd. Deze school wil ook uitgesproken de weg van de kerstening niet op. Dit laatste blijkt duidelijk uit een brochure, die dit jaar uitgekomen is over: „Het openbaar en daarmee gelijk te stellen onderwijs. Poging tot geestelijke fundering".

Aan de totstandkoming van dit geschrift hebben meegewerkt de Centrale Commissie voor het Vrijzinnig Protestantisme, het Humanistische Verbond, de Nederlandse Onderwijzersvereniging en enkele vooraanstaande persopen uit de kring van de middenorthodoxie. In een zestal bladzijden, wordt uiteengezet, hoe christenen en humanisten, die in en voor de openbare school willen werken, elkander gevonden hebben in een en hetzelfde opvoedingsideaal: „Het opvoedingsideaal van de school, dat èn de christenen èn de humanisten als wezenlijk voor de algemene school, kunnen aanvaarden, wordt naar onze mening uitgedrukt door het begrip van de humaniteit. In het betrachten van de medemenselijkheid, de naastenliefde, uitgedrukt in dit begrip van de humaniteit, ligt het ontmoetingsvlak waarin het handelen op grond van verschillende levensovertuigingen plaats heeft".

Men lette er op dat de openbare school hier een nieuwe naam heeft ontvangen: de algemene school. De schrijvers zijn er n.l. zo diep van overtuigd, dat hun zienswijze de juiste is, dat deze moet gelden voor humanisten, roomsen en protestanten, die elkander dus zouden kunnen vinden in deze „algemene" school.

De schrijver wijst er vervolgens op, dat de synode in 1952 zich gelukkig niet voorgoed op haar verklaring heeft vastgelegd. De kerk en haar lidmaten zullen zich telkens in elke concrete situatie opnieuw zich erop dienen te bezinnen hoe met de kerkordelijk vastgestelde opdracht dient te worden gehandeld. Hij vervolgt dan:

Welnu, als één van bovengenoemde lidmaten wil ik dan uitspreken, dat het mij voorkomt, dat de situatie, waarin we ons nu in 1964 bevinden, van die aard is, dat de synyode in de plaats van de geheel verouderde verklaring van 1952 met een totaal nieuwe zal moeten komen. Zij zal er niet aan kunnen ontkomen uit te spreken of zij zich kan vinden in deze poging tot geestelijke fundering van het openbaar onderwijs, zolang zij zich ook voor dit onderwijs verantwoordelijk weet.

Wanneer de synode staande houdt, wat zij in 1952 verklaarde, nl. dat de kerk verplicht is naar de kerstening van de school voor de jeugd van het Nederlandse volk te vragen, dan zal zij zich op een ondubbelzinnige wijze van deze fundering moeten distanciëren. Dan zal zij ook, zolang het openbaar onderwijs zich in deze lijn blijft bewegen, de ouders een geheel ander advies moeten geven, dat ook wijst op het feit, dat in deze situatie de protestants-christelijke school op zijn minst een pré heeft boven de openbare.

Er zit „weinig vaart" in de besprekingen op de vergadering van de synode der Geref. Kerken te Lunteren, zo merkt prof. Ridderbos op in het Geref. Weekblad. Met name geldt dit van het punt van de aansluiting bij de Wereldraad. Het punt „al of niet aansluiten" is eigenlijk nog niet eens met zoveel woorden ter sprake geweest; de discussie liep meer over de vraag, of in de grondslag van de Wereldraad en in de wijze waarop deze, gezien ook het bijzondere 'karakter van deze oecumenische organisatie, daarin functioneert, voor de Geref. Kerken een onoverkomelijk bezwaar gelegen is. Blijkbaar waren de tegenstanders van de aansluiting ter synode er niet van te overtuigen, dat de Wereldraad niet een vermenging beoogt van alle soorten van christendom of van christendom met andere religies. Prof. Ridderbos schrijft dan:

Welk een gevoel van onmacht het met zich brengt, wanneer men na een lange discussie niet in staat blijkt om althans de feitelijke situatie boven water te krijgen, is moeilijk op een goede wijze onder woorden te brengen. Ik moet uit de aard der liefde aannemen, dat degenen, die de Wereldraad als de grote melting-pot zien van alles wat zich met de naam van kerk en van religie bedekt, dit hunnerzijds óók zo gevoelen. Maar aan het slot van zulk een discusie is het dan niet meer zo, dat men — zoals het toch behoort — gaarne zijn respect betuigt voor de tegenovergestelde mening, maar dat men moet zeggen: Laat ons er een eind aan maken. Discussie is vruchteloos.

Ik voeg er met nadruk aan toe, dat dit laatste niet geldt van de praktische vraag: is het goed en beleidvol om thans (en misschien in het algemeen) tot aansluiting over te gaan. Er zijn hier duidelijk contra-argumenten, die ik wel niet beslissend acht, maar waarvoor ik ongetwijfeld respect heb. En ik zou een kerk, die de nadelen van een aansluiting voor zich groter acht dan de voordelen, niet machteloos willen noemen, ook al getuigt deze voorzichtigheid voor mijn besef van te weinig visie op wat ons ook en juist als gereformeerde kerken voor ogen moet staan. Maar we zijn nog helemaal niet zover, dat wij in het afwegen van het voor en tegen een gemeenschappelijke oplosing zouden kunnen zoeken, mijnentwege dan een oplossing, die negatief uitvalt. Wat ons thans in de voortgang van onze positiebepaling nog frustreert is het gevoel, dat wij niet voor elkanders juiste en respectabele argumenten moeten en willen zwichten, maar voor elkanders wanbegrip uit de weg moeten gaan, omdat we niet in staat zijn het te doorbreken. En dit brengt, naar welke kant de schaal dan op een gegeven ogenblik ook doorslaat, geen duurzame oplossing, maar blijft als een onverteerd brok in het midden van de kerk liggen.

De synode der Geref. Kerken te Lunteren kreeg ook een vraag, een verzoek te beantwoorden van de kerkeraad van Lippenhuizen-Hemrik. Deze kerkeraad had gevraagd of de synode maatregelen wilde treffen om een einde te maken aan de toestand, dat belijdende leden van de Geref. Kerken deel uit-maken of sympathiseren met de P.v.d.A.

De synode heeft geweigerd aan dit verzoek te voldoen, en deze weigering heeft nog al heel wat stof doen opwaaien in de Geref. Kerken. Zoveel zelfs, dat de synode zich gehaast heeft een nadere toelichting te geven op het door haar genomen besluit. Er waren namelijk verschillende schrijvers in kerkbladen enz. die van gedachte waren dat de synode in haar antwoord gekozen had voor de zogenaamde doorbraak.

Prof. Ridderbos spreekt in de rubriek Van Week tot Week ook uitvoerig over dit besluit van de synode met de daarop gegeven nadere toelichting.

Hij wijst er op, dat er inderdaad allerlei misverstanden gerezen zijn in de kerk doordat men zich niet goed gerealiseerd had, dat de synode antwoordde op een verzoek om maatregelen van een bepaalde kerkeraad. Nadrukkelijk verklaart prof. R. dan ook dat hij geheel staat achter het synodale besluit. Maar daarnaast heeft hij toch wel allerlei bedenkingen tegen de formulering van het synodebesluit. Er zijn lange en moeilijk te begrijpen zinnen gebruikt, zodat de schrijver de verzuchting slaakt: Wanneer krijgen we eens een andere Synodestijl! Maar veel meer heeft prof. R. bezwaar tegen het feit dat de synode in haar antwoord niet duidelijk positie heeft gekozen. Terecht weigert de synode maatregelen te treffen tegen lidmaten en ambtsdragers die lid zijn van — of sympathiseren met de P. v. d. A., maar de synode laat ook na om ronduit te verklaren dat het lidmaatschap van deze partij „een kwaad" is. Er wordt in het geheel niet uitgesproken door de synode of men er goed of verkeerd aan doet door zich bij de P. v. d. A. te voegen. Prof. R. verwondert er zich dan ook helemaal niet over dat er mensen zijn die deze uitspraak een „vrijbrief" noemen; hij krijgt zodoende de indruk, dat de synode, om geen misverstand op te werpen, iets méér had moeten zeggen of zich iets duidelijker had moeten uitdrukken. Het wordt niet helemaal duidelijk of prof. R. er nu zo volkomen gerust op is dat het met de houding van de synode tegenover de doorbraak nog steeds volkomen in orde is:

Ik schrijf dit met enige weerzin, want ik heb er geen lust in uitspraken van de Synode op deze wijze te analyseren en van vraagtekens te voorzien. Ik weet bij ervaring onder welke druk dergelijke formuleringen soms tot stand komen en hoe gemakkelijk men dan tekort schiet. Ik schrijf het ook niet met de bedoeling om af te breken, maar op te bouwen en vertrouwen te vragen voor de bedoeling van de Synode. Want ondanks de kritiek die men ook naar mijn mening kan hebben en moet hebben op de op zijn minst duistere bewoordingen van het besluit, meen ik, dat niemand enkel op grond daarvan mag concluderen, dat de Generale Synode van de Geref. Kerken van nu aan géén besliste positie meer zou willen innemen inzake de èn in de historie èn in het heden voor ons land zo belangrijke kwestie van de Christelijke partijvorming; noch ook, dat haar standpunt, zoals thans reeds geschreven wordt, gelijk te stellen zou zijn met wat door de Generale Synode der Herv. Kerk indertijd t.a.v. de christelijke organisaties is ingenomen. Want om dat te geloven zou onze Synode naar mijn mening éérst afscheid moeten hebben genomen van wat in Zwolle 1946 (óók met afwijzing van iedere verabsolutering of „vereenzelviging" van de christelijke partij-formatie met de zaak van God zélf) onder meer in duidelijke taal werd uitgesproken.

Prof. R. eindigt dan zijn beschouwing met zijn geloof en vertrouwen uit te spreken in de goede bedoelingen van de synode, in haar antwoord aan de kerkeraad van Lippenhuizen-Hemrik:

Ik wil dus de Synode het liefst zo verstaan en ook verstaan zien, dat zij dit bedoeld, op de voorgrond gebracht, benadrukt heeft; maar dat zij het andere, ook al heeft zij daarover ditmaal op een wat erg gereserveerde wijze gesproken, niet heeft willen verzwakken. Daarom kan ik vooralsnog niet geloven, dat er reden is voor wantrouwen of stof voor nieuwe „verontrusting". Het enige wat men voor de toekomst zou wensen is een wat minder versluierde taal; en dat, indien Synodes tóch zo ingewikkeld en geclausuleerd moeten blijven spreken, zij er in het vervolg dan ook nog een aantal bijzinnen inlassen, die bij nauwkeurige exegese misverstanden uitsluiten. Want wij leven niet meer in een tijd, waarin men alles aan de goede verstaander kan overlaten. Wat van dit laatste de oorzaak is? ... ja, dat is een ander hoofdstuk, waarover wij nog niet zo spoedig uitgepraat zijn!

Zoals te verwachten is weet men in de Geref. Kerken (vrijgemaakt) op deze laatste vraag van prof. R. reeds het antwoord. Men ziet het daar als een symptoom van een bepaalde ontwikkeling. In de Reformatie lezen we het volgende commentaar op het bovenvermelde synode besluit:

Die ontwikkeling heeft zich voortgezet. Men heeft nu afgerekend zowel met „1936" als met „1926".

Met „1936", want in dat jaar heeft de synode van de Gereformeerde Kerken onder meer principieel-veroordelend gesproken over politieke groepering van de Christen Democratische Unie (C.D.U.) en „de leden der Kerken om des Heeren en Zijns Woords wil vermaand zich van zulke organisaties verre te houden", maar in „De blye Werelt" te Lunteren heeft de synode van de gebonden kerken in 1964 geen woord van afkeuring willen zeggen over leden of ambtsdragers der kerken, die lid zijn van de Partij van de Arbeid. Ik weet er is tussen de vooroorlogse C.D.U. en de na-oorlogse P.v.d.A. verschil. Maar ik weet óók, dat „1936" een kerkelijk halt tegen de doorbraak van het barthianisme in politicis betekende en dat „1964" de capitulatie daarvoor is. Eindelijk krijgen Hepp en H. H. Kuyper dan óók op dit punt hun rehabilitatie. Zij hebben zich van „1936" nooit een laars aangetrokken. Zij waren dus de profeten van de komende tijd.

Eerst werd „1946" (Vervangingsformule) terzijde gesteld. Toen „1936". En daarna „1926".

Want na de P.v.d.A.-kwestie hield de synode zich bezig met „de leerbeslissing van de Generale Synode van Assen 1926". Zij constateerde, dat deze uitspraak „niet meer volledig kerkelijK functioneert". Maar: geen maatregelen! „In dit stadium"!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's