De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN ROME NAAR JERUZALEM

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN ROME NAAR JERUZALEM

9 minuten leestijd

Van 4 tot 6 januari j.I. heeft paus Paulus VI een reis gemaakt naar de heilige plaatsen. In de dagbladen en via radio en televisie is veel aandacht aan dit gebeuren besteed. Wij zouden zeggen: onevenredig veel. Dat lag voor de hand, want een reis van het hoofd der rooms-katholieke kerk naar het Heilige Land met groot gevolg is bepaald geen alledaags gebeuren. In dit artikel is het niet onze bedoeling een stuk berichtgeving over deze reis te bieden. Dat zou al te gemakkelijk kunnen vergeleken worden met de befaamde mosterd na de maaltijd. Nu in het laatste nummer van Katholiek Archief de officiële stukken van deze „bedevaart" werden gepubliceerd is er aanleiding wat dieper in te gaan op de bedoeling en de waarde van deze pauselijke onderneming. Velen hebben gesproken over een „historisch hebben gesproken over een „historische gebeurtenis", een bewijs van een merkwaardige beweging, die zich in het rooms-katholicisme zou voltrekken. Dat de paus zich bereid toont ongebruikelijke wegen in te slaan wijst er inderdaad op, dat er iets in beweging is. Dat maakt het des te noodzakelijker die beweging niet alleen te signaleren, maar vooral inzicht te krijgen in de richting waarheen men zich beweegt.

Bedevaart?

Wij hebben zojuist het woord bedevaart tussen aanhalingstekens gezet. De paus heeft zo herhaaldelijk op zijn reis gesproken over zijn bedevaart en zozeer verzekerd, dat hij alleen godsdienstige bedoelingen had, dat men op de duur moeilijk meer geloven kan, dat er nog heel andere motieven een rol bij hebben gespeeld. In ieder geval was Paulus VI wel een heel merkwaardige pelgrim. Wij dachten dat tot een bedevaart wezenlijk behoort het afleggen van alle aardse glorie om in nederigheid te kunnen buigen voor God. De paus heeft zich echter zeer nadrukkelijk aangediend als het hoofd der Kerk met de pretentie van een aanzienlijk staatshoofd en heeft zich het daarbij behorend eerbetoon volledig laten welgevallen. Het moet onder die omstandigheden wel moeilijk zijn gevallen om nog werkelijk „als pelgrim de heilige plaatsen te vereren". Wat deze reis ook geweest moge zijn in elk geval is het geen bedevaart geweest in de gebruikelijke betekenis van het woord.

Uit de gegevens krijgen wij veel meer de indruk, dat het ging om een indrukwekkende presentatie van de R.K.kerk aan de gehele wereld en een dringende uitnodiging aan allen om zich onder de hoede van deze ene Kerk te stellen. De paus stelt tenminste de identificatie tussen Christus en de kerk van Rome zonder enig voorbehoud. In Bethlehem heeft hij tot de Zaligmaker gebeden met de woorden: „O Christus van de kerk van Rome". En na zijn terugkeer in het Vaticaan sprak hij tot de menigte op het Pieterspleiri: „Ik kom u vertellen wat gij reeds weet diep in uw harten en waarvan gij ook bewezen hebt, dat gij het weet, n.l. dat er een directe band is tusen Christus, Petrus en Rome". Trouwens al aanstonds bij de aankondiging van deze reis op 4 december 1963 heeft de paus gezegd, dat zijn tocht een geschenk wil zijn. Evenals destijds de wijzen uit het Oos ten aan Christus hun geschenken brachten zo wil de paus nu als de pelgrim uit het Westen „Hem het geschenk aanbieden van Zijn Kerk". Het is m.i. uit de gegevens duidelijk, dat het ging om een krachtige onderstreping van de geheel enige autoriteit en de glorie van de roomse kerk. Wanneer de paus over zijn zuiver godsdienstige bedoelingen spreekt moet dat dan ook in deze zin worden verstaan.

Voor ons gevoel is daardoor juist de distantie tussen Christus zelf en de kerk van Rome op een pijnlijke wijze aan de dag getreden. Christus had geen plaats waar Hij het hoofd kon neerleggen; in alle opzichten was Hij de miskende. Maar de paus was de geëeerde en wilde dat ook zijn. Het ligt niet aan ons, dat wij het niet konden laten Christus en Zijn Stedehouder voortdurend met elkaar te vergelijken. Het ligt ook niet aan ons, dat wij Christus in deze Stedehouder niet hebben kunnen erkennen en ons alleen maar wat bewust werden van een zeer pijnlijk contrast. Aan deze vergelijking heeft de paus zichzelf blootgesteld. De glorie van het pausdom is veiliger in Rome waar hij beschermd wordt door de afglans van het Imperium Romanum. Voor een door het evangelie gescherpte blik is een reis van de paus van Rome naar Jeruzalem op zijn minst onthullend. Wij zouden zeggen: om zich het vege lijf te redden kan de paus beter in Rome blijven. Het doet ons vreemd aan wanneer Katholiek Archief in zijn nabeschouwing zegt, dat de paus „door de menigten gestrompeld heeft zoals zijn goddelijke Meester langs de Via Dolorosa, gevaar lopend vertrapt te worden op precies dezelfde plaatsen, waar Christus plat terneer viel onder het gewicht van het kruis". Het verschil is immers, dat Christus bezweek onder de smaad, die Hij te verduren had, terwijl het „gevaar" van de paus nu eenmaal het risico was van de verhevenheid van zijn persoon. Het zou ongeoorloofd zijn te denken, dat dit „gevaar" een onderdeel was van de regie waaraan dit bezoek onderworpen was. Het is niet ongeoorloofd te zeggen, dat het er wel wonderlijk goed in paste. De nabeschouwing van Katholiek Archief begint met deze zin: „Toen paus Paulus de sedia gestatoria om zo te zeggen verwisselde voor een DC 8, hief hij heel de kerk op uit het veld van de abstracte leer en plaatste hij haar in de weidsere gebieden van de wereld, juist zoals Christus opgeheven werd op het kruis voor de verlossing van de wereld". Hier zijn de grenzen van de symboliek op een welhaast heiligschennende wijze overschreden. Zo'n opmerking is intussen wel tekenend voor de wijze waarop door rooms-katholieke de identiteit tussen Christus, Petrus en Rome wordt beleefd.

Terugkeer?

Verschillende keren heeft de paus tot uitdrukking gebracht, dat hij zijn tocht beschouwde als de terugkeer van Petrus. „Terecht zegt men, dat de opvolger van de eerste apostel na twintig eeuwen terugkeert op. de plaats van waaruit Petrus als drager van de christelijke boodschap vertrok". Zo heeft de paus o.a. Kapernaüm bezocht waar hij de eerste steen heeft gewijd van de nieuwe primaatskerk, die gebouwd wordt op de plaats waar volgens de traditie Christus aan Petrus het primaatschap der kerk zou hebben verleend. De paus is één keer om de rots heengelopen waarop Petrus op dat moment zou hebben gestaan. Deze terugkeer zou verstaan kunnen worden als een boetedoening en als een poging om tot een nieuw begin te komen in een ernstige bezinning op het uitgangspunt van de kerk van Christus. Maar dat was het zeer beslist niet. De schuldbelijdenis speelt in het geheel een uitermate ondergeschikte rol en wordt voordurend overstemd door de betuiging van eigen trouw aan de waarheid. Deze terugkeer heeft niets te maken met wat de bijbel onder bekering verstaat.

De paus is naar het Heilige Land teruggekeerd om daar het eigen gelijk meer dan ooit erkend te zien. De autoriteit van Christus en van het apostolisch getuigenis wordt op deze wijze ingeschakeld in en dienstbaar gemaakt aan de autoriteit van de kerk. Nog steeds wordt het aan Christus niet toegestaan om over zijn eigen kerk het beslissende woord te spreken. Alleen wanneer daar ruimte voor zou komen zou er van een werkelijke „terugkeer" sprake kunnen zijn. De terugkeer van paus Paulus is in werkelijkheid niet anders dan de openbaring van de stilstand waarin Rome zich al eeuwenlang bevindt.

Dat wordt vooral duidelijk als wij horen hoe de paus op de hoogtepunten van zijn reis het rooms-katholieke dogma zonder aarzeling en ongenuanceerde beleden heeft.

Nazareth.

In Nazareth heeft de paus een mis opgedragen in de crypte van de in aanbouw zijn de nieuwe kerk van Maria Boodschap. In z'n homilie heeft hij daar de verering van Maria een nieuwe impuls gegeven. Hij zeide: „In Nazareth gaat onze eerste gedachte uit naar de allerheiligste Maagd". Wij dachten, dat onze Ie gedachte juist daar zou moeten uitgaan naar haar Zoon. Maar de paus begon direct met een uitbundige lofprijzing van Maria. Hij noemt haar „het schepsel vol van genade, de Onbevlekte, de akijd maagd geblevene, de moeder van Christus en daardoor de moeder van God en onze moeder; de vrouw, die opgestegen is ten hemel, de gelukzalige koningin, het voorbeeld der Kerk en onze hoop". Zij doet volgens deze homilie „hoog boven de wereld het bemoedigend voorbeeld van de menselijke vervolmaking schitteren". En „wij willen er bewijzen aan haar goedheid en aan haar liefdesmacht en aan haar macht tot middelaarschap". Er wordt dan gebeden „om te worden toegelaten door haar, onze Vrouwe, de meesteresse van het huis, en door haar echtgenoot, de zachtmoedige en sterke Sint Josef, tot de intimiteit van Christus". Als men zulke uitspraken leest is men niet geneigd te geloven, dat de Mariaverering bij Rome van officiële zijde ietwat gematigd zou worden. Het blijkt ook onjuist te zijn, dat de wat zwaardere klemtoon op Jozef de aandacht enigszins van Maria zou afwenden. Nazareth is voor de paus de stad van Maria en pas daarna, in haar schaduw, ook de stad van Jezus. Maria is de „meesteresse van het huis" en men heeft haar nodig om tot haar Zoon te kunnen worden toegelaten. In Maria wordt door Rome de waardigheid van de mens geprezen in zijn medewerking aan het heil. Dit is van beslissende betekenis voor de visie van Rome op de aard van de genade. Zolang aan Maria een zo beheersende plaats wordt ingeruimd is het Rome onmogelijk de genade als de vrije daad Gods voluit te belijden.

De paus komt in het verloop van zijn homilie te spreken over het evangelie en zegt dan: „Het evangelie geeft zijn innerlijke betekenis, dat wil zeggen de openbaring van de waarheid, slechts prijs aan hem, die afgestemd is op het licht, een afstemming die voortkomt uit rechtschapenheid van geest, dat wil zeggen van denken en voelen — een subjectieve en menselijke gesteldheid, welke ieder zich eigen zou moeten maken —, maar tevens een afstemming, die voortkomt uit de vrije en om-niet geschonken verlichting door de genade. En deze ontbreekt nimmer wegens het mysterie van barmhartigheid, dat het lot van het mensdom bepaalt; althans ontbreekt zij op zekere uren en onder zekere vormen nooit voor hen, die van goede wil zijn". Deze zinswendingen lijken ons nogal ingewikkeld. Dat is niet toevallig, maar juist symptomatisch. Men zoekt immers steeds het evenwicht tussen God en mens, tussen het ingrijpen Gods en de menselijke bijdrage aan het heil. De verlichting door de genade correspondeert met het afgestemd zijn op het licht.

De paus is kennelijk in Nazareth meer bij Maria dan bij haar Zoon op bezoek geweest. En wij vinden hierin onze bewering bevestigd, dat het op deze bedevaart allereerst ging om een presentatie van de roomse kerk en haar dogma aan de wereld.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN ROME NAAR JERUZALEM

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's