UIT DE PERS
In ons vorig overzicht schreven we over een artikel in Woord en Dienst van de heer L. Kalsbeek: ,,De kerstening van het openbaar onderwijs van de baan? " In Woord en Dienst van 15 febr. wordt op het schrijven van de heer Kalsbeek gereageerd door drs. W. Dekker in een artikel getiteld: Het schoolbeleid der Nederl. Hervormde Kerk.
De heer Kalsbeek achtte dat er van de kerstening van het openbaar onderwijs niets terecht was gekomen. Maar de heer Dekker meent dat dit oordeel onjuist is. vooral omdat de heer Kalsbeek van een onjuiste gedachte is uitgegaan. Het schoolbeleid dat de Herv. Kerk uitstippelde in de verklaring van 1952, betreffende de kerstening van het onderwijs heeft de heer Kalsbeek — en zeer velen met hem — opgevat als de kerstening van het openbaar onderwijs. En dat is een misverstand, aldus de heer Dekker. Het gaat de kerk om de kerstening van het onderwijs, openbaar en bijzonder. De kerstening van het bijzonder onderwijs komt dan ongeveer hier op neer, dat er voor gewaakt wordt, dat het evangelie de overhand houdt over allerlei usanties en tradities.
De kerstening van het openbaar onderwijs zal zich voltrekken in de vermaning van de kerk aan de ouders die voor dit onderwijs kiezen, dat zij er toch op aandringen dat ook op die scholen het onderwijs gedragen wordt door erkenning van het evangelie.
De heer Dekker schrijft nu dat voor een groot gedeelte de teleurstelling van de heer Kalsbeek zijn oorzaak vindt in het feit, dat zijn gezichtsveld te eng en te bekrompen was; hij had alleen het openbaar onderwijs op het oog toen hij schreef over de kerstening en hij zag over het hoofd, dat ook het bijzonder onderwijs er bij betrokken moest worden.
De heer Kalsbeek is teleurgesteld, zijn droom betreffende de kerstening van het openbaar onderwijs is niet in vervulling gegaan en daarom wil hij weer terug naar de protestants-christelijke school. Maar de heer Dekker is lang zo pessimistisch niet; er gebeurt wel degelijk iets:
Is er in feite ook beweging? Ik meen van wel. Er is beweging in het begrip „kerstening", zó sterk zelfs dat wij het tegenwoordig tot in de hoogste regionen der kerk wellicht niet eens meer zouden willen hanteren, omdat het teveel misverstand blijkt op te roepen, alweer: naar beide zijden.
Ik voor mij versta eronder, het inwerken op de bestaande structuren, ook in het onderwijs, niet in een streven naar macht maar in een dienst aan de kinderen van ons volk, vanuit het heil dat ons wordt geschonken in Hem die van het kruis regeert, en wiens kracht in zwakheid wordt volbracht; vanuit het hart van de zaak is een dingen naar machtspositie daarom in de kerstening niet mogelijk.
Er is beweging in de wereld waarin kerk en school zich bevinden, en waarin wij steeds meer trekken gaan herkennen van de barre woestijn, waarin wij moeten kiezen tussen 't terugverlangen naar de vleespotten van Egypte en het gelovig voorttrekken. Er is beweging in de kerk, die het gemeentezijn in deze wereld nieuw gaat vermoeden. Er is beweging tenslotte in de school in haar beide typen: steeds meer gaan we ontdekken dat we met een gezamenlijke liefde voor hetzelfde werk in eenzelfde situatie staan en elkaar niet voortdurend in de oude stellingen moeten terugdrijven omdat de werkelijke vragen wel eens dwars daarop zouden kunnen staan, met name de vraag hoe wij voor en met onze kinderen in onze situatie „mensen Gods" zullen zijn.
We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat dhr. Dekker nogal erg vaag en zwevend is als hij ons beschrijft wat hij zo al ontdekt heeft aan gebeurtenissen en bewegingen die er gaande zijn op de diverse terreinen. Vervolgens ontgaat ons het verband tusen alles wat in beweging zou zijn en de kerstening van het onderwijs.
De hoofdredacteur van Waarheid en Eenheid, dr. J. Schelhaas uit Amsterdam, keert zich nogal fel tegen de „achttien" die onlangs weer nieuwe activiteiten hebben aangekondigd. Om te beginnen heeft hij zijn bezwaren tegen de manier waarop de achttien tewerk gaan:
Ook hebben de 18 zich tot de kerkeraden gewend met mededelingen van hun voornemen, terwijl zij tegelijk deze kerkeraden opwekken om propaganda daarvoor te voeren. Het is duidelijk dat deze 18 wel durven. Zij schrijven rustig aan de kerkeraden alsof zij een kerkelijke opdracht hebben. Men krijgt de indruk, dat zij zich zo vast in het zadel achten, dat zij zelfs geen voorzichtigheid meer in acht behoeven te nemen en gewoon de kerkeraden kunnen opwekken, voor hen in actie te komen.
Ik vind dit optreden gewoonweg brutaal. En ik begrijp niet, dat daaraan door kerkelijke instanties niet paal en perk wordt gesteld. Ik ben van oordeel, dat hier duidelijk de behoorlijke grenzen overschreden worden. En het wordt tijd, dat hieraan iets wordt gedaan, zodat we van dergelijke opwekkingen verlost worden, waarachter immers geen enkel kerkelijk gezag staat.
Verder acht de schrijver het optreden van de 18 dermate provocerend, dat het tegenacties zal gaan oproepen:
Wie de gescheidenheid van Hervormd en Gereformeerd onduldbaar blijven noemen moeten weten, dat er vele Gereformeerden zijn, die dit optreden onduldbaar achten. En zij zullen bij zulk een optreden van de 18 zich moeten afvragen, wat er kan en moet worden gedaan om deze actie tegen te staan en verder onmogelijk te maken. Wij hebben de eenheid lief. Wij hebben een afkeer van onderlinge strijd. Maar wat moeten wij, als wij getergd worden? Wat moeten wij, als op de trom geslagen wordt door de 18 op de wijze waarop dit thans geschiedt? Wanneer de kerkeraden worden opgewekt om mee tedoen, dan kan het toch niet uitblijven dat tegenacties ondernomen worden?
Wij zijn voor eenheid, die in de waarheid is gegrond. Wij zoeken hereniging met de Vrijgemaakten en Chr. Gereformeerden. Wij willen de eenheid met allen, die zich onderwerpen aan de H. Schrift als het onfeilbare en feilloze Woord van God en ook kerkelijk zich daaraan wensen te houden. Maar een eenheid waarbij niet het onfeilbare Woord van God voldoende heerschappij heeft, wensen we niet alleen niet, maar weerstaan wij met alle kracht.
De eenheid in onze eigen kerken komt in groot gevaar. Wie meent, dat er eenheid mogelijk is zonder volstrekte heerschappij van de bijbel, die moet daaruit dan maar de consequenties trekken. Wie Gereformeerd is naar de aloude zin van dit woord, die kan niet meedoen aan een eenheid, zoals hierboven is aangewezen. Hier zijn we derhalve terechtgekomen bij een schibboleth. Wij hadden de hoop, dat ons kerkelijk leven verder met rust gelaten werd. Omdat we niet vechtlustig zijn, zouden we dan tegelijk de hoop vasthouden, dat de wal het schip zou keren en dat ieder met dit feit geconfronteerd zou worden. Maar het is nu wel zonneklaar, dat de 18 hun actie zonder enige reserve doorzetten. En dan moet ook duidelijk verweer worden geboden. Dat kan en mag niet anders. Ach, waarom moeten onze kerken, die ons zo lief zijn, in deze perikelen gebracht worden? Waarom gaat men toch rücksichtlos voort, terwijl men toch weten kan, dat hierdoor de eenheid in eigen kerkgemeenschap stuk moet gaan. De actie van de 18 is ingezet. Wij weten het nu. Er is geen stilstand maar voortgang in deze actie. Daarmede moeten wij allen ernstig rekening houden. Wij hebben er ons ernstig op te bezinnen, hoe aan deze actie een halt kan worden toegeroepen. Helaas! Helaas!
Vlak voor het uiteengaan kreeg de synode van de Gereformeerde Kerken te Lunteren nog een verzoek te behandelen om namelijk de tuchtmaatregelen van 1942/44 (de kwestie dus waaruit de Vrijmaking tenslotte voortgevloeid is) te desavoueren. De Commissie stelde aan de vergadering voor om op dit verzoek niet in te gaan. Bij de stemming staakten echter de stemmen, 26—26, zodat dit voorstel zodoende verworpen was. Het voorstel om niet op dat verzoek in te gaan is dus verworpen. Door deze besluitvorming heeft de synode dus zichzelf verplicht om wel het verzoek te behandelen waarin gevraagd wordt om de schorsingen en leerbeslissingen uit 1942 alsnog op te heffen.
In de kringen van Waarheid en Eenheid was men nog al verblijd met deze blijkbaar niet verwachte wending. Men zag weer mogelijkheden om te bereiken hetgeen men met niet aflatende volharding telkens weer had gevraagd.
Prof. Ridderbos is echter met deze gang van zaken niet zo gelukkig. In het Geref. Weekblad (Kok) schrijft hij o.a. het volgende naar aanleiding van deze kwestie:
Der gewoonte getrouw heeft ook de Synode van Groningen, vergaderd in Lunteren, zich bezig gehouden met hetgeen in de jaren '43/44 tot de bekende vrijmaking van prof. Schilder c.s. heeft geleid. De procedures, die daaraan in onze kerken vooraf gingen, eerst van leerstellige, daarna van kerkrechtelijke aard, zijn sinds die jaren op alle Synodes — en dat zijn er welgeteld negen — door een bepaalde groep personen en kerkeraden aan de orde gesteld. En... al deze Synodes hebben deze missives altijd weer „trouw" in behandeling genomen. Deze zaken hebben de kerken zeeën van tijd, schatten gelds en een grote mate van prestige gekost. Want geen enkele instantie, die tot recht spraak is geroepen, kan het zich veroorloven, zonder aan het rechtsbesef ernstig te kort te doen, eindeloos dezelfde zaken in behandeling te nemen, als was hetgeen voorheen door dezelfde of een andere rechtsinstantie is gedaan en uitgesproken, van een te betwijfelen geldigheid. Niet alzo de Synode der Gereformeerde Kerken. Weliswaar is zij vrijwel altijd opnieuw tot dezelfde conclusies gekomen. Maar zij is ook altijd weer bereid geweest de zaken nog eens en nog eens te overwegen. Een schoolvoorbeeld is de zaak „kandidaat"-Schilder. Deze „kandidaat" is onder de bedrijven door, na eerst predikant en thans reeds jaren hoogleraar te zijn geweest in de vrijgemaakte kerken, aardig op weg naar zijn emeritaat. Wat hij ervan moet denken, telkens weer zijn naam als „kandidaat"-Schilder in het nieuws te zien, weet ik niet. Hij zal wel denken, dat er ergens in Nederland mensen zijn, die niet goed wijs zijn. De zaak is behandeld en behandeld het was een van de weinige, waar men een speld tussen kon krijgen. Al het verkeerde er in is onder het vergrootglas van vele synodale rapporteurs, die van de zaak dikwijls weken- en maandenlange studies gemaakt hebben, bekeken en op een goud-schaal gewogen. Synodes op Synodes hebben het pro en contra er in onderzocht en zijn altijd tot precies dezelfde conclusies gekomen. Niettemin blijkt de zaak, na 8 maal behandeld te zijn, ook op de rol van de negende Synode (te Lunteren) te staan. De desbetreffende Synodecommissie heeft, heel verstandig, voorgesteld er niet verder op in te gaan. Maar of het haar gelukken zal dit voorstel aangenomen te krijgen staat, na wat zij reeds heeft moeten ondervinden, wel zeer te bezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's