De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

HOOFDSTUK V, ARTIKEL 4

10 minuten leestijd

En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden, zo wórden nochtans de bekeerden niet altijd alzo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden en die volgen.Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden. En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet alleen door het vlees, de wereld, de satan tot zware en ook gruwelijke zonden vervoerd worden, maar worden zij ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, daartoe somwijlen vervoerd; gelijk het droeve vallen van David, Petrus en andere heiligen, dat ons in de Schrift beschreven is, bewijst.

De leiding Gods.

We hebben gezien, dat de macht Gods het zo zou kunnen maken met de gelovigen, dat zij niet meer zondigden. Betekent dit nu, dat het leven der kinderen Gods volmaakt is? Men zou het verwachten. Er wordt ook zo heerlijk over de genade gesproken. De Leerregels hebben gezegd: God is getrouw en bevestigt hen in de genade.

Maar hoe komt het dan, dat er nog zoveel zonde in de heiligen is? Die zonde komt niet pas in deze eeuw openbaar. Paulus vroeg reeds dringend aan de Galatiërs, wie ze had betoverd, zodat ze het Evangelie niet gehoorzaam waren. Dus de gelovigen zijn van oudsaf zondaren gebleven. Dat waren ze eertijds en dat waren ze nog, toen ze in Christus ingegaan waren, Maar is dan de kracht der genade zo betrekkelijk en heeft zij zo weinig waarde voor de praktijk des levens? In Gal. 5 : 6 lezen we, dat het geloof door de liefde werkt. Werkt het echt, of probeert het geloof alleen maar door de liefde te werken? De Heere Jezus heeft gezegd: „Als de Zoon u zal hebben vrijgemaakt, zult ge waarlijk vrij zijn". Maar is de gelovige vrij? Hoe zegt dan Paulus op hoge leeftijd: Ik ben de voornaamste der zondaren en ik ben verkocht onder de zonde?

Of lezen we de Schrift verkeerd en heeft die merkwaardige beweging gelijk, die wij het perfectionisme noemen? Is de ware christen volmaakt? De lezer make zich niet al te makkelijk van deze vraag af. Als we een gelovige zijn en ons leven is onvolmaakt, mogen we dat niet als vanzelfsprekend beschouwen. De zonde, dat onvolmaakte mag er niet zijn. Ik weet wel, dat Jacobus schrijft: „Want wij struikelen allen in vele", maar dit is te lezen als een schuldbelijdenis. Zulke belijdenissen gaan gepaard met droefheid. Paulus zuchtte ook: „Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? "

Waarom kunnen allen, die Christus liefhebben en de dag Zijner toekomst verwachten niet in volmaaktheid leven? Christus is tot rechtvaardigmaking geschonken en tot heiligmaking. Waarom is deze heiliging niet volkomen in de gelovige, zodat hij niet alleen bevrijd is van de schuld, doch ook van de macht der zonde?

't Zal wel niet mogelijk zijn afdoende antwoorden op deze vragen te geven. Maar het is desniettemin zeker goed er mee bezig te zijn. De roeping ligt er immers voor ieder, die God vreest: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is". (Matth. 5 : 48). Het is zeker nodig, dat ieder kind des Heeren zich de roeping tot volmaaktheid in gedachtenis houde. Waar zou men zelfs een gelovige aan kunnen onderscheiden van een naamgelovige? Zou het niet hieraan zijn, dat de eerste niet alleen naar de zaligheid verlangt, doch bovenal naar de heiligheid.

Daar zijn dus mannen en vrouwen, die menen dat geloof en volmaaktheid samengaan. Maar 't is niet een Schriftuurlijke gedachte . De Schrift zegt : „Ik zal Mij doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op Mijn naam vertrouwen". (Zef. 3 : 12). In dit leven komen de gelovigen niet tot een zelfstandig leven. Wij blijven steil afhankelijk. Het leven der gelovigen is vol zwakheid en wisselvalligheid.

Hoe komt het, dat het kind des Heeren zo arm blijft en ellendig? Ten eerste vanwege zijn grote zwakheid, en ten tweede vanwege de macht der verzoeking. Deze laatste maakt ons hele leven tot een gedurig beginnen en vallen. Dit leven kan niet getekend worden in een opgaande lijn. Het leven der gelovigen is niet een leven, dat zij zelf in de hand hebben. God leidt hen, maar zo, dat Hij hen niet altijd bewaart voor vergaand vallen.

Het is de zwakheid van de mens en de kracht der verzoeking die mij de overtuiging geeft, dat het perfectionisme een waan is. Maar hoe denken de volmaaktheidsbelijders het dan? Kennen zij de zwakheid van de mens niet zo goed? Dat is het. In de regel zijn ze niet vrij van Arminiaanse smetten. Vaak prijzen zij de genade, maar die genade geeft dan altijd weer de mens macht. Men kan daarom gerust zeggen, dat men rooms wordt, zodra men de gereformeerde belijdenis loslaat. Het is dus zo'n wonder niet, dat velen in onze dagen de belijders der roomse religie hun broeders en zusters noemen en de roomse kerk een flat in het huis Gods. Ze hebben in zekere zin gelijk. Zij bewegen zich op de weg van het belijden der roomse kerk en herkennen hun geestverwanten, hun broeders.

Ik meen, dat de Schrift echter meer grond geeft voor de reformatorische belijdenis. De gelovige heeft altijd bevreesd te zijn voor afdwalingen, zelfs voor verborgene. „Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij en leidt mij op de eeuwige weg". (Ps. 139 : 23, 24). David bad in Ps. 19: „Was, reinig mijn gemoed van mijn verborgen zonden". Mozes klaagt: „Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns". (Ps. 90 : 8).

Ook als de mens is wedergeboren en in Christus ingelijfd, is zijn hart nog vol duisternis en zwakheid. De gelovige moge getrokken zijn uit de macht der duisternis (Coll. 1 : 12), de donkerheid en het verderf is nog niet uit hem getrokken.

Men zou kunnen vragen, wat Gods bedoeling kan zijn met 't tastbare feit, dat Zijn kinderen hier op aarde niet geheel verlost worden van de macht der zonde? Ik zou er maar één antwoord op weten, n.l. dat wij elke dag opnieuw moeten leren, dat alleen genade en alleen geloof en alleen Christus ons kunnen zaligen en dat het altijd een rechtvaardigmaking van de goddeloze is en blijft.

Zou het dan helemaal niet kunnen, dat er eens een volmaakt christen op aarde openbaar kwam? Dr. A. Kuyper vertelt van een predikant, die van de kansel uitriep: „In geen vol jaar heb ik gezondigd". Zou dat niet mogelijk zijn? Ik meen van niet. Hiermee is niet gezegd, dat de gelovigen niet een hogere geestelijke levensstandaard zouden kunnen voeren. Dat is buiten kijf. Doch dit is de volmaaktheid niet. De perfectie, de volkomenheid zou er alleen kunnen zijn, als de wedergeboorte betekende, dat de christen daarin radicaal en totaal bevrijd werd van de invloed der zonde, zodat hij onbekwaam werd tot enig kwaad. Maar de wedergeboorte is geen totale verandering van het vlees. Het is wel een nieuw levensbeginsel, een nieuwe mens, maar de oude mens is niet weggedaan. De Schrift leert ons de onvolkomenheid van al Gods kinderen. Dit gaf de opstellers van de Heidelbergse Catechismus Vraag 114 van Zondag 44 in de pen: „Maar kunnen degenen die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden? " Hier is het niet een kwestie van doen, maar van kunnen.

En dat kunnen is er niet eens, zegt het antwoord, dat luidt: „Neen zij, maar ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid, doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven".

Ons artikel neemt aan, dat God de gelovigen leidt. Deze leiding bewaart echter niet altijd voor de verzoeking. Het staat voor mij vast, dat de Heere wel dikwijls voor en in de verzoeking bewaart en de verzoeker bij Gods volk gelukkig geen vrij spel heeft. Maar dan weer zo, dat de verzoeking vaak wel toegelaten wordt. Duivel, vlees en wereld zijn geweldige machten in het persoonlijk leven van de gelovige. Vaak komt de verzoeking in hem op en dan ook uit hem op. Soms is het een inblazing, die toch Zijn toestemming wint. Hier begint al de vernedering van de christen. Hij heeft iets in zich, waardoor hij de zonde begeerlijk acht. De boom was begeerlijk om verstandig te maken, om de weg te wijzen naar bronnen van vreugde. Dat is de boom nog.

De satan stelt een korte en makkelijke weg voor naar het geluk, de vreugde. God stelt een lange en moeilijke weg voor. Zo was het in het paradijs. Zo is het telkens weer voor gelovige en ongelovige. De verzoeking komt op beide af. Maar in de gelovige worden bijzondere tegenkrachten werkzaam. Deze breken heel dikwijls de kracht der verzoeking. De gelovige kan niet meer, wat hij wil. Er rijst een sterk verzet op. Hij voelt de kracht der zonde, maar ook de kracht van het kruis. Zo moet de boze vaak afdeinzen en kan het vlees zich niet doorzetten.

Het leven van een kind des Heeren voltrekt zich volstrekt niet uitsluitend in harmonie, geleidelijkheid en evenwichtigheid. Het is een strijd. Dit wordt tegenwoordig ook door de wereldse mens wel gezien. Daar zijn soms nauwe en onontkoombare dreigingen, menen de filosofen van deze eeuw. Zij erkennen weer raadselachtige machten en spreken van het demonische. De christen ervaart die dreigingen, die machten en dat duivelse aan den lijve. Hij is in dit opzicht geen optimist. Uit de Schrift weet hij van de duivel, die komt als een engel des lichts en rondgaat als een briesende leeuw. Hij maakt gebruik van onenigheid in de gemeente en van de zwakheden des vleses in de gelovige.

Hij kent onze zwakke plekken en de gevolgen van een vroegere zondedienst. En nu komt het er op aan dicht bij God te blijven. De Heere laat de verzoeking toe, maar laat ons niet verzocht worden boven hetgeen wij dragen kunnen. Maar zie, nu gebeurt toch soms ineens het erge. Vele malen begeeft en beweegt zich een kind des Heeren op de weg der zonde. Maar dan is er de herdershond en hij moet terug. Zo wordt telkens weer de weg der zonde afgebroken. De ijdele gedachten, de hoogmoedige eerroverijen, de wellustige invallen, ze breken af. De christen kan niet meer wat hij wil. Hoewel hij dagelijks zondigt en altijd opnieuw bereid blijkt tot alle kwaad, hoewel hij vleselijk blijkt en verkocht onder de zonde, toch valt hij niet. Maar dan opeens gebeurt het. Iemand meende misschien vast te staan in het geloof en hoog geklommen te zijn in de bevinding. Toen begon hij zijn medegelovigen te slaan. En zo valt hij in de zonde van de eigendunk en van de eerzucht. God houdt hem niet meer tegen. Het kwaad is te ver gekomen en moet aan het licht komen. Het is te hopen, dat de gelovige zelf het begint in te zien. Dat is bij David niet zo makkelijk gegaan en dat gaat echt niet zo vlot als deze en gene denkt, maar het kwam er toch van. Zo kan het gebeuren, dat er van rondom de leiding Gods is. Maar de Heere leidt ons niet als stokken en blokken en zelfs niet als redeloze dieren. Hij leidt Zijn kinderen als redelijke en zedelijke schepselen. Hij laat ook toe, dat Zijn gelovigen allerlei ondervindingen opdoen, die meest strekken tot hun vernedering, tot uitroeiing van hun wortelzonden: hoogmoed en eigengerechtigheid en tot kennis van Zijn grote barmhartigheid. Dus kan het gebeuren, dat Gods kind onverwachts doorbreekt naar dronkenschap of verloochening of echtbreuk of diefstal. Het maakt soms de indruk, dat God denkt: Als je nu zo graag Mijn geboden wilt overtreden en nog altijd denkt dat daar uw geluk ligt, ondervindt het dan nog maar eens, waartoe je dan komt. Hoewel God machtig is om te bewaren, „zo worden nochtans de hekeerden niet altijd alzo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden en die volgen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's