SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING
(20)
Geef dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. (Matth. 22:21).
§ 5. KERK EN STAAT, (vervolg).
A. THEORIE
3. Coëxistentie van kerk en staat.
Het is aan de kerk om de staat te begeleiden; zij zal er speciaal op hebben toe te zien, dat de staat niet ontaardt in een totalitaire staat, functionerend als een autonome cultuurmacht met een ideologie, tolerant dan wel intolerant.
Daartoe bindt de kerk de hoge overheid op het hart
a) dat zij zich niet afsluit voor de Waarheid;
b) dat zij niet vervalt in een verdraagzaamheid, die „de kerk in het midden" laat;
c) dat zij haar gezag waar maakt, conform haar roeping;
d) dat zij het recht niet buigt;
e) dat zij de geloofs- en gewetensvrijheid van haar onderdanen niet aantast;
f) dat zij haar onderdanen niet meer décharge van persoonlijke verantwoordelijkheid - kleinood bij uitstek, te rekenen tot de z.g. waarden van het Westen (vgl. 2 Sam. 12 : 7) - verleent dan het welzijn van de gemeenschap in voorkomend geval dringend vordert;
g) dat zij de onderscheidene levensverbanden w.o. in de allereerste plaats het gezin - intact laat en voorkomt, dat de ene kring de andere opslorpt.
Anders gezegd: de hoge overheid stelle zich ervoor garant, dat ons in onze samenleving die leefruimten - holten, die met elkander de longen van ons „anorganisch lichaam" (Marx) zouden kunnen worden genoemd - wordt gelaten, die wij nodig hebben om te kunnen doen, wat de Heere van ons vraagt, zonder dat wij - om van erger maar te zwijgen - bloot staan aan het gevaar, afgetrokken te zullen worden van Zijn dienst.
Daartoe is het geenszins voldoende, dat de staat de kerk alleen maar aanhoort om neutraal te kunnen blijven, gesteld al dat zulks mogelijk ware ...!
Alsdan geldt wat op alle kwaad van toepassing is: „Dat is nu juist de vloek van de slechte daad, dat zij, voortwoekerend, steeds slechtheid moet voortbrengen" (Schiller).
Er is allerhande kwaad in onze samenleving.
Enerzijds is daar het kwaad, dat de enkeling bedrijft, tot schade van hemzelf en de seimenleving, waarvan hij deel uitmaakt. Anderzijds is daar het kwaad, dat als een giftige damp opstijgt uit de samenleving, doordat die samenleving blijkt te zijn aangetast door een verderfelijke gemeenschaps-ideologie, dan wel bezwijkt aan een goddeloze publieke moraal. Men schelde die nimmer: het welzijn van de mens en de eer van God!
Tegen al dit kwaad zal de hoge overheid haar onderdanen hebben te beschermen in stede van er actief dan wel passief aan mee te werken, dat het van kwaad tot erger komt.
Nimmer zal zij zich van deze last mogen ontdoen, want op 't zelfde moment, dat zij dit bewust doet, geeft zij eigenlijk alles prijs, inbegrepen ook haar identiteit.
Het komt haar eenvoudigweg niet toe af te wentelen, wat God op haar schouders heeft gelegd; het is niet aan haar, zich een oordeel aan te matigen aangaande de weg, die de Heer der geschiedenis met ons gaat.
Zij verlieze nimmer haar eigen beperktheid uit het oog: zij is niet in staat de geschiedenis een andere richting uit te buigen dan die, welke de Heere heeft bepaald; evenmin is zij bij machte de rampspoed uit de weg te gaan, die ons is voorzegd. (Matth. 24 e.o.).
Het betaamt ons hoog te houden wat de kerk steeds beleden heeft (N.G.B, art. 36), zij het ook in het bewustzijn, dat wat geoorloofd is daarmede nog niet altijd betamelijk moet heten. (1 Cor. 10 : 23, 24).
Er kunnen zich namelijk omstandigheden voordoen, dat het beter is zijn eigen kruis te blijven dragen instede van dat van de ander te verzwaren.
Zijn wij ons daarvan wel altijd voldoende bewust, als het gaat om de praktijk van dit belijden?
Ik wil dit met een voorbeeld trachten te verduidelijken.
Gegeven deze of gene burgerlijke gemeente van duidelijke orthodox-protestantse signatuur.
Is het dan wel onder alle omstandigheden juist, dat een rechtzinnige meerderheid haar wil oplegt aan de plaatselijke minderheid, als ware haar overwicht een automatisch te bedienen mechaniekje ....?
Ik waag dit te betwijfelen.
Zulks is m.i. niet geoorloofd, en wel om twee redenen:
1. Een dergelijke gang van zaken be lemmert het functioneren van ons democratisch bestel. Geen democratie is bestaanbaar, als het regel zou worden, dat een minderheid zich richt naar wat de meerderheid haar dicteert. Daar staat de kerk niet buiten, naar ons de ervaring wel leert: Bij één enkel bescheiden gebaar, te rechter tijd gemaakt, is de zaak van de meerderheid meer gebaat dan bij een dozijn straffe gebods- en verbodsbepalingen, (vgl. Pred. 7 : 16).
2. Is het wel in overeenstemming met de wil van God, dat onze samenleving onbewoonbaar wordt, doordat christenen in routine menen te moeten voltrekken wat er in de gegeven situatie slechts toe leiden kan, dat de gemeenschap al verder verbrokkelt? De Schrift leert mij veeleer het tegenovergestelde : wereldlijke procedures komen aan de verbreiding van het Koninkrijk Gods zo niet te pas! Hoe vaak is niet onze eigenzinnigheid er de oorzaak van, dat een zendingsterrein afgesloten blijkt . . . . .
De norm - het zij er dadelijk aan toegevoegd - ontheft ons nooit van de noodzaak om handelend op te treden in voorkomend geval, doch dit is in beginsel slechts mogelijk door vóór te leven in stede van vóór te lezen wat God voorschrijft, tenzij de gelegenheid om dat te mogen en te kunnen doen in gevaar raakt. Alsdan heeft een meerderheid niet alleen het recht maar ook de plicht het de minderheid te beletten, dat het zover komt.
Een christen handelt nooit anders dan uit bewogenheid vanwege het geloof, dat ook zijn ongelovige buurman een medereiziger is naar de eeuwigheid. Dat doet hij niet slechts als particulier, dat doet hij ook, staande in het overheidsambt, ongeacht zijn functie!
Terugkomende op die meerderheid: het is naar de maatstaf dier bewogenheid, dat de minderheid haar op het nauwst beoordeelt. En ... zij oordeelt zuiverder dan menigeen denkt! Levensgevaarlijk is de houding van diegenen onder ons, die de bijl plegen te hanteren, zonder zelf ooit kennis gemaakt te hebben met de scherpte van het verwondende ijzer! Beseffen zij wel, dat zij doende zijn zichzelf al verder op te vijzelen, telkenmale wanneer daar zo'n bijlslag plaats vindt? Welk een verantwoordelijkheid rust er op de schouders van onze vertegenwoordigers in het bestuur van stad en land!
De kerk is, naar luidt van Gods Woord, een „planting des Heeren" in onze wereld". (Jes. 61 : 3).
Hieruit concludere men toch vooral niet, dat de staat nu precies het tegenovergestelde zou zijn, zegge, een probeersel van de duivel.
Er kan geen twijfel over bestaan of God nu de staat gewild heeft of niet.
God is een God van orde, d.w.z. van vrede (kenmerk: harmonie van het willen en moeten Zijner schepping) en gerechtigheid (kenmerk: harmonie van het mogen en behoren Zijner schepping). Van de Koning der koningen getuigt ons de Schrift, dat Hij een Priester is in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek (Ps. 110 : 4) : Koning der Gerechtigheid, Koning des Vredes. (Hebr. 7:2).
Het is dit bestel waaraan zich iedere overheid te spiegelen heeft, in een wereld overigens, wier begeerte het niet is te doen wat God van ons vraagt.
Hiermede is ook gegeven de problematiek, waarvoor zich een christelijke overheid geplaatst weet, als dienaren Gods ....
Zo'n overheid evenwel is, zoals hiervoor reeds opgemerkt (bijdrage XVIII) - geenszins de prooi van een duistere macht; zij is mede het voorwerp van Gods Voorzienigheid.
Deswege omgordt Hij, die de oorsprong en de maatstaf is van al hetgeen door die overheid in praktijk behoort te worden gebracht, haar ook met macht, ter schraging van het haar toegemeten gezag.
Dat een overheid anno 1964 over meer macht beschikt dan een overheid, nu 100 of 200 jaar geleden, behoeft niet te verwonderen. Zulks houdt m.i. ten nauwste verband met het feit, dat ook de duivel zich geïnteresseerd weet bij de vooruitgang van wetenschap en techniek ....
Wat blijft is onze gehoorzaamheidsplicht, hoe moeilijk het ons soms ook valt om ja en amen te zeggen op het geweld, dat zo'n overheid in staat is te ontketenen....
Daarom bidden wij des zondags - dé dag, waarop de kerk actief is, in tegenstelling met de staat - voor de hoge overheid (dat woordje „hoog" duidt op de herkomst van het gezag), alsmede voor allen, die in hoogheid zijn gezeten.
Calvijn houdt ons voor, in zijn commentaar op de brief aan de Romeinen, ad hoofdstuk 13, vers 1, (ik citeer de Duitse uitgaaf, waarover ik beschik): „Er - Paulus, v. R. - sagt von der Obrigkeit, dasz sie Gewalt über uns hat. Er schreibt ihr also nicht die denkbar höchste Vollmacht zu, sondern nur eine tatsachliche Gewalt über die andern. Der Apostel scheint damit den vorwitzigen Fragen begegnen zu wollen, die oft aufgeworfen werden, namlich woher die Menschen das Recht haben über andere zu regieren. Es soil uns genug sein, dasz sie eben ihre Gewalt haben. Denn sie sind nicht durch eigene Kraft zu dieser Höhe emporgestiegen, sondern Gottes Hand hat sie dorthin gestellt".
Het overheidsgezag als zodanig mag onder ons derhalve nimmer discutabel worden gesteld, wèl echter de wijze waarop nu zo'n overheid haar gezag meent te kunnen uitoefenen. Dan kan de kerk reden hebben om haar toe te roepen: „Broeders, zo gaat het niet!" (prof. Patijn).
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's