SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING
(21)
§ 5. KERK EN STAAT, (vervolg).
A. THEORIE
Geef dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is. (Matth. 22:21).
In het geding is hier de verhouding van de kerk tot de staat, resp. van de staat tot de kerk.
De omstandigheid, dat wij hier met een complex van betrekkingen te doen hebben (de staat is niet maar een enkelvoudig gegeven, de kerk evenmin) laten wij hier buiten beschouwing.
De staat is, zoals wij hiervoor gezien hebben (bijdrage VIII), een schepping van de mens. Er kan niet genoeg voor worden gewaarschuwd hem te willen vergoddelijken.
Van Goddelijke oorsprong echter zijn de waarden, waar het in elk staatsverband ten diepste om gaat.
Goddelijk is het gezagsinstituut, op grond waarvan er overheden zijn in onze wereld, die wij te gehoorzamen hebben, behoudens uiteraard het geval, dat van ons het tegendeel wordt geëist. (Hand. 5 : 29).
God laat het aan de mens over dit instituut op te vullen en aan te kleden. Het is dus de mens, die er vorm en gestalte aan geeft.
De staat kan, wat dit betreft, worden vergeleken met het gezin, in miniatuur het model zowel van de staat als de kerk. Aan het door de mens te vormen gezin ligt immers eveneens een inzetting van God ten grondslag, t.w. het huwelijk. De kerk ziet erop toe, dat het huwelijk heilig blijft, terwijl het aan de staat is de huwenden te vrijwaren van al wat de gezinsvorming in de weg zou kunnen staan (gemis van woonruimte b.v.).
Staat en gezin verkeerden in een permanente toestand van ontbinding, ware het niet, dat God zich over beide nog ontfermt. Aan ons komt die eer niet toe: wij zijn aldoor bezig de fundamenten te vernielen....
Een volgende vraag: is het nu zo, dat alle staten over één kam zouden mogen worden geschoren, ongeacht de diversiteit van opvattingen en pretenties ... . ?
Ik meen deze vraag in ontkennende zin te moeten beantwoorden.
Jozua getuigde: „Maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen" (Joz. 24 : 15b).
Zo is een christelijke staat denkbaar, evengoed als een christelijk gezin, al zal men met dit woordgebruik steeds bijzonder voorzichtig moeten zijn, opdat niet om onzentwil de naam van Christus gelasterd worde....
Beslissend zijn in elk afzonderlijk geval de intenties, de koers.
Het is ons dan ook niet om het even of wij in een rechtsstaat mogen leven, dan wel gedwongen zijn de machtsstaat te accepteren. Want het is nog altijd waar: „Wie God bemint, bemint het recht" (Duits spreekwoord).
Het bestuur des lands is een zaak, die de kerk nimmer onverschillig mag laten; op haar rust mede de taak te helpen voorkomen, dat het schip van staat in verkeerd vaarwater terecht komt.
Maar het is de kerk niet geoorloofd zich als rechter op te werpen in voorkomend geval; zij mist ook het recht de staat in het nauw te drijven op een wijze, die met vorenbedoelde gebedshouding niet strookt. Z.g. geweldloze acties komen daar m.i. niet aan te pas !
Wij dienen ons in dit verband wel te realiseren, dat er tussen kerk en staat niet slechts verschil in geaardheid en gerichtheid is; er is ook verschil in optreden, vanwege de middelen:
a) de kerk draagt de wapenrusting Gods (Ef. 6 : 13), de staat is drager van het zwaard;
b) de staat kan zijn wil opleggen, de kerk niet en
c) de kerk past enkel de gestalte van een dienstknecht (Fil. 2 : 5-7), de staat bedient zich van overheden.
Kerk en staat zijn, van welke zijde men dit ook beziet, twee ongelijkwaardige grootheden: instellingen dus, die nimmer in eenzelfde verband kunnen worden samengevoegd, ongeacht de wijze van schikking.
De geschiedenis leert dit ook.
Een ondergeschikt zijn van de één aan de ander loopt altijd op wantoestanden uit. Dit betreft zowel een kerkelijke staat (staat ondergeschikt aan de. kerk) als een staatskerk (kerk ondergeschikt aan de staat).
Een nevenschikking is evenmin mogelijk, omdat het domein van de één nu eenmaal niet samenvalt met dat van de ander, ook al hébben zij bemoeienis met elkaar: frictieverschijnselen b. v. zullen er altijd wel blijven, gezien ook het groeiproces waaraan de staat voortdurend onderhevig is (terrein van de armenzorg). Soms ook doet zich 'n heet hangijzer voor: de figuur van de legerpredikant is - voor de kerk althans - de steen des aanstoots van het ogenblik als wij ds. Landsman zouden mogen geloven....
Wat voor de kerk een vraagstuk is, behoeft dit zelfs in het geheel niet te zijn voor de staat (vraagstuk van de vrouw in het ambt b.v.) en omgekeerd (vraagstuk van de verkeersopstoppingen in onze grote steden b.v.).
Directe verantwoordelijkheid van de één sluit de medeverantwoordelijkheid van de anders overigens zelden uit.
Een vraagstuk kan meerdere aanzichten hebben, sommige van belang voor de staat, andere - ethische aspecten veelal voor de kerk-.
Dit is in onze samenleving eer regel dan uitzondering, naar ik meen.
Het vraagstuk van de kernbewapening is daarvan een voorbeeld.
Dit vraagstuk is vóór alles een kruis op de weg van de staat, de broodheer ook van de zwaardmacht. Het is immers bij monde van het wereldlijke oppergezag, dat zich een mogendheid in staat van oorlog verklaart (vgl. artikel 59 van de Grondwet).
Zulk een vraagstuk laat de kerk evenwel niet onberoerd. Integendeel: Dan kan het gebeuren, dat zij - gesteld, dat zij (nog) de vrijheid geniet, zich tot de openbaarheid te wenden alarm slaat! Een zwijgende kerk moet hier verstek laten gaan!
Daarbij vraagt de kerk zich af, tot welk doel er oorlogsvoorbereidingen worden getroffen, met behulp van welke middelen ook. Nogmaals: het zijn de ethische aspecten vooral, die haar aandacht zullen trekken.
Daarbij kan de kerk - gesteld dus, dat zij met de staat van gevoelen verschilt - niet volstaan met het afgeven van een attest, zoals een accountant dat doet, ten bewijze, dat het zijn cliënt goed gaat of niet; dit zou al heel goedkoop wezen.
Een veto baat evenmin: geen kerkelijke uitspraak, die de feitelijke ontwikkelingen torpedeert.
Luistert het optreden van de staat tegenover de kerk zeer nauw, ik ben geneigd te zeggen, dat het omgekeerde nog veel nauwer luistert, en wel om de volgende redenen:
1. Aan een kerkelijke uitspraak hangt het gewicht van de zwaarst denkbare verantwoordelijkheid: zo'n uitspraak toch zal in overeenstemming behoren te wezen met de Wil van God ... Wee de kerk, die hier mistast! De vormgeving moge nog zo gebrekkig zijn, de strekking (meer nog dan de inhoud als zodanig) zij legitiem, hoe dan ook!
2. Als de kerk iets zegt, is dat niet maar een proclamatie, maar een gegetuigenis:
a) het is nooit anders dan uit een medelijdend hart, dat een waarachtig getuigenis opklimt;
b) een christelijk getuigenis wijst altoos van de getuige af en
c) een getuigenis is meer dan een mondbelijdenis; het is een zaak van de totale mens, zijn handen en voeten inbegrepen!
Het is een betreurenswaardige zaak, dat de belangstelling voor onze strijdkrachten onder de toonaangevende figuren van onze Ned. Hervormde Kerk zo gering is. Pas nog constateerde één onzer synodeleden, naar aanleiding van zijn bevindingen aan het S.C.M.L. te Hilversum, dat er onder de officieren ter plaatse van onverschilligheid inzake de gevolgen van een eventuele kernoorlog geen spoor te bekennen viel.
Jammer is het ook, dat onze a.s. theologen vrijstelling van dienstplicht genieten. Daarmede blijft hun de last van menige keuze bespaard....
Kortom: samenvoeging van kerk en staat, als gold het twee aan één koord te rijgen kralen, moet onder alle omstandigheden onbestaanbaar worden geacht.
Het is een levensbelang voor de kerk zowel als de staat, dat niet de één de ander in zich opneemt, verdringt of overheerst.
Samenvoeging is enkel denkbaar in het geval, dat wij met een volslagen gesaecular is eerde kerk te doen zouden hebben.
Dit nu is de praktijk in een communistisch geregeerd land; daar koerst het schip van staat op het kompas van de partij, zijn meesteresse en dienaresse tegelijk.
Ik laat het aan de lezers over nu eens na te gaan tot welk een droeve dingen zulk een samengaan dan wel leidt.
Men late zich niet misleiden door de schoonklinkende theorie!
Het is daar, dat de contouren van het concentratiekamp zich aftekenen en de mens met 'n ene been in het dierenrijk staat (beroofd van zijn Ik) en met z'n andere been in het dodenrijk (het is al staatskroost, wat hij teelt) ....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's