UIT DE PERS
Enige tijd geleden schreef dr. Bolkestein in Woord en Dienst een artikel over de vrouw in het ambt. In ons persoverzicht hebben we re nog even aandacht aan besteed. In hetzelfde blad van 14 maart laat ir. G. Veldhuyzen een nieuw licht schijnen over dit probleem; hij tracht daarin nieuwe gezichtspunten te openen, welke al enigszins tot uiting komen in het opschrift dat hij boven zijn artikel schrijft: De vrouw profetere in de gemeente.
Alvorens zijn visie op één en ander te geven, tekent hij met een enkel woord de moeilijke en pijnlijke situatie die op allerlei plaatsen ontstaan is door de ambten voor de vrouw open te stellen.
Er blijkt een gewetensnood te ontstaan bij de tegenstanders die niet meer de ambtelijke vergaderingen kunnen bezoeken waar een vrouwelijke ambtsdrager aanwezig is.
Wat ons echter geheel nieuw is en ook nog al erg vreemd voorkomt, is, als we in de inleidende opmerkingen van ir. Veldhuyzen lezen dat er ook een gewetensnood schijnt te ontstaan bij voorstanders die vergaderingen zien bestaan waar geen vrouwelijke ambtsdragers aanwezig zijn.
Dat laatste is toch wel heel erg wonderlijk; met een geweten waar zulk een nood in kan ontstaan weet ik toch echt geen weg.
Ik kan me wel de gewetensnood voorstellen van de tegenstander die in een ambtelijke vergadering komt waar ook een vrouwelijke ambtsdrager is. Ook kan ik me voorstellen dat een voorstander om des gewetenswil voor de toelating van de vrouw tot de ambten meent te moeten stemmen.
Maar dat iemand gewetensnood krijgt als hij vergaderingen ziet bestaan waar geen vrouwelijke ambtsdragers aanwezig zijn, kan ik me niet voorstellen. Het wekt de indruk dat het woord „gewetensnood" hier niet veel meer dan een kreet is. Ik kan me voorstellen dat iemand om des gewetenswil geheelonthouder is en in gewetensnood zou komen als hij gedwongen werd sterke drank te drinken.
Ook kan ik me voorstellen dat iemand zich in zijn geweten niet geroepen voelt om geheelonthouder te zijn. Maar het lijkt me dwaas dat iemand, gedreven door gewetensnood, tot de leefregel komt van: „Elke dag een glaasje".
Maar nu ter zake, want dit ware alleen maar enkele inleidende opmerkingen.
Ir. Veldhuyzen heeft ook kritiek op enkele uitlatingen van dr. Bolkestein, en betoogt dan verder dat onze kijk op het „ambt" verbogen is door de spiegel van onze huidige maatschappij- en kerk-orde. Naar zijn gedachte ligt daar dan waarschijnlijk de oorzaak van het feit dat de vrouw in het (predik-)ambt een probleem is geworden. In onze kerkdiensten is iemand die profeteert meteen ook drager van het „predikambt". Maar moet de „voorganger" nu wel op grond van de Schrift persé tot de „oudsten der gemeente" (presbyters, ouderlingen, opzieners) behoren?
Het is het werk van de Reformatie geweest om de bediening der prediking zomaar te koppelen aan het ambt. In die tijd bracht dat geen bezwaren met zich mee, maar nu wel. Ir. Veldhuyzen wil dus de dienst der prediking losmaken van het ambt en tot een bediening in de gemeente maken:
Degenen die men nu ambtsdragers noemt zijn Immers (voorzover men even de diakenen terzijde laat) degenen die het opzicht over de gemeente hebben, die de gemeente moeten weiden van wie de Heer rekenschap zal vragen van hun taakvervulling in dezen, en die dus (door handoplegging!? ) de bevoegdheid moeten hebben de gemeente te besturen, de gemeenteleden te vermanen. Zolang het nu niet ontwijfelbaar duidelijk is dat onder deze opzieners, of ouderlingen, (gehuwde) vrouwen zijn geweest, hetgeen immers zeer te betwijfelen is op grona van het hierboven onder a) gestelde (de „zwijgteksten" hebben slechts betrekking op de gehuwde vrouwen), is het duidelijk dat een vrouwelijke predikant geen presbyter behoort te zijn. Hedentijds gezegd: er dient onderscheid te zijn tussen het predikambt en de predikbediening . . .
De vraagstelling is duidelijk. Welk handelen in en vanuit de gemeente is ambtelijk en dus voorlbehouden aan de presbyters en welk handelen is een „bediening" der gemeente? ...
Zou de vrouwelijke predikant dan soms geen „ouderling" zijn, maar een predikende vrouwelijke diaken, waar Timotheüs over spreekt als men 1 Tim. 3 : 11 in een welwillende vertaling leest? Zou deze vastgelopen kwestie niet eens een nieuw gezamenlijk onderzoek op basis van een schriftuurlijke ambts-opvatting, die nog moet worden opgegraven, waard zijn?
In hetzelfde nummer van Woord en Dienst geeft dr. Bolkestein nog een antwoord op dat wat ir. Veldhuyzen schreef. In bepaalde opzichten is het een duidelijk antwoord; we vernemen dat de vrouw in het ambt toch niet steunt op uitspraken van de Schrift.
Van vrouwelijke presbyters lezen we in het nieuwe testament niet. Moeten wij dan, om gehoorzaam te zijn aan het nieuwe testament, de predikende vrouwen dan maar in een bediening stellen, en niet in het ambt? Neen, stellig niet. De ordening van het gemeentelijke leven ten tijde der apostelen, de ordening ook van de bonte ambtelijke en niet-ambtelijke activiteiten, heeft een concreet en contingent karakter. De apostelen regelen het in hun situatie, in hun omstandigheden. Daarom regelen ze het zo, als ze doen. In andere omstandigheden zouden ze het anders doen. Paulus houdt zeer uitdrukkelijk rekening met het decorum, met datgene, wat naar het oordeel van de toenmalige mens gepast of lelijk was (1 Cor. 14 vs. 35). Wat toen als lelijk werd beoordeeld, wordt het nu niet. Daar kunnen wij rekening mee houden. De reden, waarom destijds een vrouw niet presbyter werd, hoeft ons niet te verhinderen, haar in onze tijd wel tot presbyter te maken. Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift betekent niet, dat ons kerkelijk leven een copie van dat van de eerste eeuw moet zijn.
Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift betekent, dat het Woord van Jezus Christus door ons gepredikt in de gemeente als Zijn lichaam gevormd moet worden. Door ons, die nu, in het heden, in de 20ste eeuw, daarvoor eigen wegen moeten zoeken.
We herinneren ons de vraag van prof. Vondeling, tijdens het debat in de Tweede Kamer over de overgang van prinses Irene naar de roomse kerk, aan de fractievoorzitters van de christelijke partijen hoe hun houding zijn zou tegenover een regerend koning (in) die overging naar de roomse kerk. Daarna heeft men zich nog al druk gemaakt over de vraag of deze vraagstelling van prof. Vondeling al of niet ter zake deed, een politieke stunt was, een beantwoording waard was enz.
Ook dr. Buskes houdt zich met deze vraag bezig in een artikel in In de Waagschaal. Uitvoerig gaat hij in op een artikel van dr. Noordmans dat deze indertijd schreef tijdens het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina voor Eltheto. De eigen visie van dr. Buskes op deze zaak is toch wel de overweging ten volle waard:
Wat Noordmans mij in elk geval geleefd heeft is, dat de band tusen ons volk en ons vorstenhuis historisch van aard is. De Oranjes waren Nederlanders, maar zij waren ook protestanten, leden van de Hervormde Kerk. En men moet ons niet wijsmaken, dat het laatste van geen betekenis is. De strijd, die de Oranjes gestreden hebben, streden ze libertatis causa, maar ook religionis causa. Wat dit voor ons betekent? Onze koningin is lid van de Hervormde Kerk. Zij mag rooms-katholiek worden. Zij mag ook humaniste worden en zo maar voort. Net als u en ik. Maar we moeten ons goed realiseren, dat de verhouding tussen ons en onze koningin niet in de eerste plaats door de grondwet bepaald wordt. In de grondwet gaat het alleen om de ons regerende vorst, om de monarchie. De verhouding tussen ons volk en de koningin is echter veel meer historisch van aard dan grondwettelijk. Er verandert een en ander als de koningin niet meer lid van de Hervormde Kerk is, als ze Rooms-Katholiek wordt of humaniste of atheïste. Zij heeft daartoe de vrijheid. Ook een roomse koningin is koningin. Ook een humanistische koningin is koningin. Maar ze is geen Oranje meer in de historische zin van het woord.
Op grond van het verleden kunnen wij de toekomst niet fixeren. Vondeling heeft gelijk: we mogen niet discrimineren. Maar als wij een koningin krijgen, die rooms is of humaniste of ik weet niet wat, dan is het met Oranje in de historische zin van het woord afgelopen. De monarchie raakt uit de tijd. Dat zij in Nederland nog een werkelijkheid is — hoezeer ook een aanvechtbare werkelijkheid — vindt zijn oorzaak in het feit, dat er een Oranje op de troon zit. Het ging tot op dit ogenblik niet zozeer om de troon als wel om een Oranje op de troon. Ik kan het niet helpen, maar ik heb het gevoel, dat wij met al wat zich om de ovetgang van prinses Irene naar de rooms-katholieke kerk en met onze discussie in de Eerste en Tweede Kamer bezig zijn, de monarchie in Nederland uit te hollen tot op de botten. Straks zitten we — volkomen grondwettelijk — met een geraamte.
Ds. Plomp besteedt in de rubriek Van week Tot Week van het Geref. Weekblad (Kok) uitvoerige aandacht aan de zorgen en problemen die er zijn in de Geref. Kerken. In dat verband schrijft hij ook over dingen die ons zorgen baren in de Herv. Kerk. Het is nuttig en leerzaam het oordeel te mogen vernemen van een belangstellend toeschouwer, en daartoe zijn we nu in de gelegenheid in verband met de oplossing die gevonden moet worden voor de noodvoorzieningen in onze kerk.
Op de laatstgehouden synode heeft men in principe duidelijk gekozen voor de weg van de mentale wijkgemeente, en daarover schrijft nu ds. Plomp:
Doemt hier het spook (trouwens nooit helemaal verdreven!) van de hotelkerk weer op: ieder zijn eigen kamer onder het éne kerkelijke dak? Het is zeer te hopen, dat de voorgenomen opneming van de ambtsdragers Van de bijzondere wijkgemeente in de plaatselijke kerkeraad in dit opzicht verhinderend zal werken. Alleen, zal men die opneming overal kunnen effectueren? Wij blijven de gang van zaken belangstellend volgen. Maar dit is nu al duidelijk: het moet voor veel hervormden een diepe teleurstelling zijn, dat de mislukking van het modaliteitengesprek in vrij wat plaatsen (die natuurlijk bekend was) straks in een officiële regeling zal worden geboekstaafd. Dit was bepaald niet de vorm van samenleven, die Gravemeyer en Kraemer voor ogen heeft gestaan.
In dezelfde rubriek roept prof. H. Ridderbos een hartelijk welkom toe aan dr. G. Th. Rothuizen die tot professor werd benoemd als opvolger van prof. Brillenburg Wurth. Hij verheugt zich over deze benoeming. Niet alzo de vrijgemaakte broeders. Prof. Kamphuis schrijft er van in de Reformatie:
Deze benoeming — die overigens met de kleinst mogelijke meerderheid (27 tegen 26 bij 1 stemonthouding) plaats vond, is een logische afronding van het generaal-synodale werk in deze kerkgemeenschap. De triumf van een humanistische religieusiteit, die zich aankondigde in het debat over de geboorte-regeling, zich doorzette in de beslissingen m.b.t. de Wereldraad van Kerken en de positie van ambtsdragers die lid zijn van de P.v.d.A., die triumf heeft zich door deze benoeming een blijvende plaats verzekerd in de opleiding tot de dienst des Woords. Er is hier consequentie. Maar we kunnen ons er moeilijk over verblijden! Naar de pretentie van deze kerkgemeenschap bezet straks dr. Rothuizen een katheder (ethiek) die vóór het optreden van prof. Brillenburg Wurth aan prof. dr. K. Schilder was toegewezen. Van diens ethiek weet dr. Rothuizen in zijn dissertatie niet anders te zeggen dan: het kan Schilder nooit christelijk genoeg zijn. — Ziet nu, gij mannen van „Waarheid en Eenheid", wat van uw Kampen geworden is in de tweede generatie na de vrijmaking!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's