DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK V, ARTIKEL 4
En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden, zo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden en die volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoeking geleid worden. En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet alleen door het vlees, de wereld, de satan tot zware en ook gruwelijke zonden vervoerd worden, maar worden zij ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, daartoe somswijlen vervoerd; gelijk het droeve vallen van David, Petrus en andere heiligen, dat ons de H. Schrift bewijst.
Door hun eigen schuld.
Wij zijn nu met de uitleg van hoofdstuk V wel zover, dat het duidelijk is, dat de volharding der heiligen samen kan gaan met een vallen in de zonde. God bewaart de gelovigen niet zó, dat zij nooit struikelen. Dus de volharding is geen blijvend leven in volmaakte gehoorzaamheid. Daar is het vèr vandaan. De allerheiligsten hebben nog maar een klein beginsel van gehoorzaamheid. De verzoeking zou geen vat op ons hebben als de zonde niet nog zo krachtig in ons woonde.
De vraag, waar ik een ogenblik de aandacht der lezers voor zou willen hebben is deze, of dat struikelen en vallen een lot is of een daad? Het is waar, dat Gods kinderen uit zwakheid in zonden vallen. Mag men echter daarom zeggen, dat zij het niet helpen kunnen? Dat zij verre. Wij dragen voor al onze daden de verantwoordelijkheid. Men kan ook niet zeggen, dat de Tien Geboden voor de gelovige hebben afgedaan.
Het is Gods liefste en diepste wil, dat Zijn kinderen de Wet houden. Wanneer zij de geboden niet houden, moet de Heilige hen straffen, zoals een vader z'n kind straft. God eist ook van de gelovigen, dat zij gehoorzaam zijn aan Zijn geboden. Van Israël eiste de Heere niet, dat zij de Tien Geboden zouden houden, om uit Egypte verlost te worden, doch wél, dat zij in Gods wegen zouden wandelen, omdat zij uit het diensthuis uitgeleid waren. Zo is het met de Kerk ook. God eist dat Zijn kinderen zich zullen houden aan Zijn Wet, omdat Hij hen in Christus uit het verderf heeft verlost.
De wet van het genadeverbond heeft een bevelend, een imperatief karakter. Maar Gods gebod is niet het bevel van een vreemde dwingeland, maar het gebod, de wil, het verlangen van de God en Vader. Reeds in het stuk der overtuiging, nog voordat de mens tot het geloof gekomen is, aanvaardt de zondaar Gods Wet als heilig, rechtvaardig en goed. Dat gaat niet altijd gemakkelijk. Het gaat ook niet vanzelf. Het is de Heilige Geest die de mens ontdekt aan zijn verdoemelijke staat voor God. Daartoe is nodig, dat de zondaar met de heiligheid en rechtvaardigheid van de Rechter van hemel en aarde wordt bekend gemaakt en met zijn overtreding van Gods geboden. Maar de natuur van de mens komt in verzet tegen de eis der Wet, die hij niet houden kan. Hij vraagt waarom God zulk een Wet gemaakt heeft of waarom Hij de mens tot zulk een bedorven natuur heeft laten vervallen. De mens moet ook in het eerste stuk, waarin hij zijn zonde en ellende leert kennen, tot een erkenning van Gods heilig recht gebracht worden. Het gaat niet vanzelf. Maar door genade leert de mens toestemmen, dat de Wet goed is, maar dat hij niet deugt. Zo is het ook voor de gelovige. Hij is het nog veel meer met God en Zijn Wet eens. Het is geen vreemde Wet, doch wel een Wet, die ook de gelovige schuldig stelt voor 's. Heeren aangezicht, zo dikwijls hij haar overtreedt.
Men zou hier een onderscheid kunnen zien tussen twee wijzen van geloven, die men heden ten dage aantreft. De ene wijze begint direct met het tweede stuk, het stuk der verlossing en komt zo aan het eerste stuk bevindelijk en practisch niet recht toe. In het persoonlijk geloof zoals het zich uitdrukt in het gesprek en in de prediking, blijft het mishagen aan zichzelf en de verbrokenheid over de blijvende zonde en schuld bijna geheel achterwege. Het is blijdschap, zekerheid, vertrouwen en gerustheid van de morgen tot de avond, waar men van spreekt. De andere geloofswijze is veel meer onder de indruk van de verlorenheid en inblijvende verdorvenheid van ons hart. Daar is werkelijk een diep mishagen en een smartelijke verootmoediging voor God. Hoewel het gevaar hier telkens dreigt, dat men niet voluit leeft bij de telkens opnieuw gezochte en verkregen bevrijding en, vergeving door Christus, is het gevaar van de eerste geloofswijze veel groter, want daar neemt men te spoedig aan te bezitten dingen, waar geen plaats voor is. Dit is het gevaar van de dwaze bouwer, die niet groef en verdiepte, het gevaar van de dwaze meisjes, die slechts ten dele toegerust waren, het gevaar van een naderen met de lippen, waar het hart niet verbroken is en niet voortdurend verder en dieper verbroken wordt.
Doch ook onder hen, die het eerste stuk op zijn plaats willen laten, komt het gevaar voor, dat men niet genoeg de nadruk legt op het feit dat de zonde van Gods volk schuld is, en een des te zwaarder schuld, naarmate de gelovige meer licht en genade heeft ontvangen. Er schijnen mensen te zijn, die over de „oude Adam" en over de „oude mens" spreken alsof zij zelf feitelijk met hun zonden weinig hebben te maken. Dat maakt, dat ook zij even weinig onder hun zonden zuchten, als diegene, die over het eerste stuk blijvend heenstappen. Men stelt dan teveel op rekening van de oude mens en van de duivel. Dat is verkeerd. Dan zijn we ook weer te makkelijk van de zonde af.
Menig schrijver en prediker roept maar: blijdschap, blijdschap, zonder dat men aan hun geschrift of preek merken kan, dat zij de diepten van 's mensen of van hun eigen verdorvenheid kennen. Ook rekenen zij veel te weinig met de heiligheid Gods. Er komt geen gebrokenheid en verslagenheid des harten openbaar. Men spot meer met bekommerde zondaren, dan dat men de snerpende lijdenskreet van Paulus doet horen: Wie zal mij verlossen?
Maar andere schrijvers of predikers of woordvoerders roepen soms even gemakkelijk: zonde; zonde, verdorvenheid, verdorvenheid, verloren, verloren, zonder dat zij blijk geven daaronder gebukt te gaan en in Christus hun toevlucht zoeken. Ook daar kan men soms een zelfde hardheid en onverbrokenheid opmerken. Daarom wil ik nog graag eens zeggen, dat schuld, schuld moet blijven.
Alle zondige neigingen, in bond met de verzoekingen optredend, nemen het feit niet weg, dat de natuurlijke mens en de wedergeboren mens al hun verkeerdheid moedwillig en vrijwillig bedrijven. Wij zijn voor elke daad, woord, gedachte, zelf verantwoordelijk.
Wanneer David het volk zal tellen, dan lezen we, dat de Heere hem aanport, om het volk te tellen. Ook dat de duivel hem aanport, om het volk te tellen.
Maar wie kan nu met recht zeggen, dat David er niets aan kan doen, omdat hij van de Heere en van de duivel een por heeft ontvangen en daarna zondigde? Zo heeft tenminste David het niet gevoeld. Naar de Schrift behield hij zijn eigen verantwoordelijkheid en zijn geweten getuigde daarvan. Er staat nadrukkelijk: „En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had". Ook beleed hij: „Zie, ik, ik heb gezondigd en ik, ik heb onrecht gehandeld; maar wat hebben deze schapen gedaan? " (2 Sam. 24).
Omdat de ware gelovigen weten, dat zij hun schuld elke dag meerder maken en omdat zij een tere consciëntie hebben, spreken zij veel over droefheid vanwege hun zonde en dan ook niet over blijdschap zonder meer, doch over blijdschap in de Heere. God heeft geen ander volk op aarde dan een ellendig en arm volk. (Zef. 3 vs. 12). Dat kan ook niet anders, en dat begrijpt ieder, die rekening houdt met het ontzaglijk en alles beheersende feit, dat onze wedergeboorte wel een nieuwe mens in ons tot ontwikkeling brengt, maar het voortwoelen in ons hart van de inwonende zonde niet afsnijdt. Weliswaar is er in het diepst van het hart een begeerte om naar al Gods geboden te leven, maar de werkelijke gehoorzaamheid beperkt zich tot een klein beginsel. Nochtans hebben de kinderen Gods, die Gods geboden overtreden, altijd weer hun eigen schuld te belijden. Zondaren zijn geen zieken, maar schuldigen. De gelovigen wijken door eigen schuld van de leiding der genade af.
Waken en bidden.
Wij belijden de volharding der heiligen. Maar dat volharden is niet vanzelfsprekend, zodat de gelovige er niet naar om hoeft te kijken. En bij God blijven is niet alleen volharden in het geloof, maar ook een blijven bij de liefde tot Gods Wet. „Wat vree heeft elk, die Uwe Wet bemint". Daarom bidt de gelovige om niet in verzoeking te komen en hij waakt ook. De volharding der heiligen is ook een volharden in waken en bidden, zodat er een levend verband blijft tussen God en mens. En God neigt Zijn oor tot allen, die Hem aanroepen, gelijk Hij luistert naar het geroep der jonge raven. Israël heeft dit van God ervaren: „Gij hoort het gebed". (Ps. 65 : 3). Het is ook voor Gods kind soms heel moeilijk om z'n gedachten en werken helemaal van zijn liefste zonden ver te houden. Toch is het waken en bidden nooit zonder vrucht. Wie waakt en bidt zal wel meer zonde zien, doch minder zonde doen. God hoort het gebed. Hij doorbreekt ook de menselijke onmogelijkheden op het gebed. Van Izak's gebed bij zijn onvruchtbare vrouw lezen we: „En de Heere liet Zich van hem verbidden".
Daar is een diepe innerlijke verdorvenheid ook nog in de gelovige. Daarom moet er ook een gedurig roepen tot de Heere zijn. De Schrift zegt: „Bidt zonder ophouden". (1 Thess. 5 : 17). „Volhardt in het gebed" (Rom. 12 : 12). Het gaat om meer dan zo nu en dan eens een gebed. Het gaat om een ten allen tijde bidden en smeken. (Ef. 6 vs. 18). God volhardt in het bewaren van de gelovige, doch weer niet zonder het voortdurend gebed van Zijn kind. Dit gebed is bijzonder nodig rondom hoogtepunten van het geloofsleven. Daar is het gevaar het grootst. Wanneer Christus gedoopt is en de hemelen geopend zijn, wordt Hij door de Geest weggeleid om verzocht te worden van de duivel. Rondom het H. Avondmaal zijn voor Gods kind de verzoekingen vaak het felst. In die tijd, het lijkt wel zo, moet er steeds wat gebeuren. Juist dan moeten wij waken en bidden in een voortdurend innerlijk roepen om niet van God weggetrokken te worden.
Volharding en gebed horen bijeen, maar dit gebed is niet alleen ons persoonlijk gebed. Van de stoet uit Markus 2 staat: „En Jezus hun geloof ziende". Wat zullen ze onderweg gebeden hebben, die vijf mannen, of Isrels God uitkomst wilde geven. De kinderen Gods zijn geen geïsoleerde monaden, of heel alleen zwervende blinde kogels. Gods biddend volk heeft een Zaligmaker en Koning, van Wie staat geschreven: „Die ook voor ons bidt". (Rom. 8 : 34). Zijn gebed hangt niet van ons bidden af, maar toch mag 's Heeren volk Hem niet alleen laten bidden. Aaron en Hur ondersteunden de handen van Mozes. En dan staat er: „En het geschiedde terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste, maar wanneer hij zijn hand nederliet, zo was Amelek de sterkste". (Ex. 17 : 11).
In welke weg doet God volharden in het geloof en in het schuilen bij de Heere? In de weg van het gedurig gebed, dat ook zegt: „Verblijdt u niet over mij, o mijn vijandin: wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn". (Micha 7:8).
Het is dus in de weg der afhankelijkheid, dat de heiligen volharden. Elke belijdenis van de volharding, die niet tegelijkertijd is een psalm uit de diepte, is waardeloos en zal machteloos blijken tegenover de komende verzoeking. Waakt en bidt van de morgen tot de avond.
Een onderwijzer vroeg eens op school aan de kinderen, hoe het toch mogelijk was, dat David, die een man naar Gods hart was, tot zo grote zonde gekomen was. Eén van de kinderen meende: „Ik denk, dat de koning zijn morgengebed vergeten heeft". In welk groot gevaar leeft Gods volk!
Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoeking geleid worden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's