De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het nieuwe Testament

OPENBARINGEN 20

9 minuten leestijd

HET DUIZENDJARIG RIJK

(56)

Het Duizendjarig Rijk.

Enige tijd geleden schreven wij verschillende artikelen over bovengenoemd hoofdstuk. Door bijzondere omstandigheden moesten wij deze artikelenreeks onderbreken. Thans willen wij ze in twee artikelen afsluiten.

Wij hebben gezien, dat er in de loop der jaren twee verschillende uitleggingen van Openbaring 20 zijn geweest. De éne zoekt de realisering van wat de apostel Johannes in dit hoofdstuk aanschouwd heeft, in de geschiedenis, zoals die zich in het verleden en in het heden bezig is te ontwikkelen. Wat Johannes gezien heeft, is aanduiding van de koninklijke heerschappij van Christus over alle dingen. Hem bij Zijn verhoging aan de rechterhand des Vaders in handen gelegd. Zijn gezaligde gemeente mag vanuit de hemel mede met Hem regeren. De binding van Satan, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, moet worden gezien onder een bepaald aspect. Ze betekent niet, dat de Boze gedurende deze heerschappij van Christus niet kan inwerken individueel, op allerlei personen. Doch ze betekent wèl, dat hij de volkeren niet massaal kan opzetten om de voortgang van het Evangelie en het Koninkrijk Gods in deze wereld tegen te houden. Deze maken hun triumpherende gang door de volkeren. De opstanding, waarvan verder sprake is, moet niet in letterlijke, maar in overdrachtelijke zin worden opgevat. Zij doelt op een geestelijke opstanding.

Daartegenover staat de andere uitleg, die van het Chiliasme. Zij zoekt de realisering van wat de apostel aanschouwde, in de toekomst. In het begin van Openbaring 20 gaat het om een aanduiding van een bijzondere periode, welke nog in de geschiedenis moet aanbreken, n.l. de periode, waarin Christus met Zijn gemeente op een bijzondere wijze op aarde zal regeren. In die gemeente zal het bekeerde en herstelde Israël ingesloten zijn.

De binding van Satan moet als een volstrekte binding worden opgevat. De Boze zal gedurende die periode sterk in zijn macht op aarde beknot zijn. Wel zal het aan het einde van die periode nog éénmaal tot een felle uitbarsting van zijn woede komen. En hij zal nog éénmaal oprukken tegen Christus en Diens gemeente. Maar daarop zal de definitieve afrekening met hem plaats vinden.

De opstanding, in vers 5, moet letterlijk worden genomen. Aan het begin van die bijzondere periode, het vrederijk, zullen de martelaren uit vorige eeuwen en andere gelovigen opstaan en weer op aarde leven. De heerlijkheid van dit vrederijk zal groot zijn. Echter, ze zal nog niet de glorie van het eeuwige Rijk zijn. Wel zal dan iets van de heerlijkheid van dat eeuwige Rijk penetreren in déze bedeling.

Hier moeten wij nog wel onderscheiden. Het oude chiliasme stelt het n.l. meestal zó voor: in de toekomst zal Christus wederkomen, dan vindt de opstanding plaats en breekt het vrederijk aan. Satan is gebonden, wordt aan het eind weer ontbonden. De gemeente wordt met Christus opgenomen in de lucht. Daarna komt Christus nog eens weder. Dat zal Zijn eigenlijke wederkomst zijn voor het aanbreken van het eeuwige Rijk. Het vrederijk is dus een tussentijds rijk.

Het nieuwere Chiliasme, zoals wij dat b.v. aantreffen bij Bietenhard en anderen in deze tijd, stelt het echter enigszins anders voor. In de toekomst zal Christus wederkomen, — dat is Zijn éne wederkomst. Doch dan zal éérst de éérste opstanding plaats vinden, het vrederijk aanbreken, en Satan gebonden zijn. Daarna zal deze, ontbonden, nog éénmaal op vreselijke wijze woeden, doch dan zal ook het eindgericht plaats vinden en het eeuwige Rijk aanvangen. Hier wordt het duizendjarig rijk dus nog veel meer gezien als een slotacte van Christus' heerschappij op deze aarde. Zover als dat mogelijk is, zal nog in de gedaante van déze wereld de glorie van Christus geopenbaard worden voor aller oog. In de gedaante van deze wereld heeft Zijn lijden haar representaties in een verdrukte en vervolgde gemeente b.v. Doch ook Zijn opstanding moet daarin nog haar bijzondere representatie vinden, — in dit duizendjarig Rijk! 

De gemeente zal delen in die glorie van Christus. De verdrukte Kerk zal blijken te zijn een triumpherende Kerk. Er zal hier een analogie zijn van de veertig dagen in Jezus' leven, tussen Zijn opstanding en hemelvaart. Eigenlijk was Hij toen al verheerlijkt, toch ging Hij nog niet direct in in die heerlijkheid. Daar was reden voor. Alzo zal Zijn gemeente in het duizendjarig Rijk reeds deel hebben aan de glorie van het eeuwige Rijk, maar ze zal nog niet direct in de volle glorie ingaan! Haar Gethsemané als het ware, ligt dan achter haar, de Olijfberg wacht nog! Maar de nieuwe staat der dingen zal dan, voor zover mogelijk, reeds op een machtige wijze haar invloed doen gelden binnen de gedaante van deze wereld!

Het valt niet te ontkennen, dat in de oude Christelijke Kerk het Chiliasme bij meerderen gevonden wordt; later werd het onder invloed van Augustinus afgewezen. Toch heeft het zich de eeuwen door gehandhaafd en vindt het juist in de laatste tijd weer meer waardering. Men wil het waarheidselement ervan honoreren. En daaronder verstaat men dan, het feit, dat het Evangelie van Christus niet alleen betekenis heeft voor een toekomstige werkelijkheid, na deze bedeling, doch ook voor déze bedeling, voor ónze geschiedenis en déze aarde. Houdt volgens Paulus de godsvrucht een belofte in voor dit en voor het toekomende leven, het Chiliasme wil op de realisering van dié belofte in déze bedeling de aandacht richten.

Prof. Berkouwer schrijft in Zijn Dogmatische Studiën, De Wederkomst van Christus II, dat dit element bijzondere aandacht verdient. Omdat men vaak de critiek van de zijde der Kerk op het Chiliasme in verband bracht met iets , anders, n.l. dat daar een gebrek zou heersen aan besef van de betekenis der geschiedenis in het licht van de Openbaring Gods. De verwachting daar zou te éénzijdig gericht zijn alleen op het geestelijke, op de zaligheid van de zielen en te weinig toekomst meer zien voor deze aarde.

Daartegenover zou het Chiliasme opkomen voor méér besef van de betekenis der geschiedenis en voor méér toekomst voor deze aarde. In onze tijd speelt dit zeker een grote rol in de gedachtengangen b.v. van Bietenhard en Prof. Berkhof, in diens boek: „Christus, de zin der geschiedenis".

Het Chiliasme zou zich telkens weer keren tegen een bepaalde geestesgesteldheid in de Kerk, n.l. het Spiritualisme, waarbij het geestelijke zo zwaar geladen wordt, dat men overgeestelijk wordt. Een hartstochtelijk verlangen naar een openbaar en duidelijk worden van het heil des Heeren nog op op déze aarde, in het zichtbare, zou het Chiliasme drijven.

Echter prof. Berkouwer stelt in zijn studiën in dit verband de vraag, of dit dilemma wel juist gesteld is. Gaat het hier wel om Spiritualsme of Chiliasme? Hij wijst hierbij op het feit, dat in de oude Kerk b.v. Origenes het Chiliasme bestreed vanuit spiritualistische motieven. Origenes bestreed uit dezelfde motieven ook de wederopstanding des vleses Echter de Kerk heeft deze laatste met hem niét bestreden.

Afwijzing van het Chiliasme behoeft nog niet samen te gaan met een opgeven van alle verwachting voor deze aarde- en de zichtbare dingen en met een defaitistisch pessimisme in dit opzicht. Men kan het Chiliasme afwijzen, maar toch de verwachting koesteren, dat het heil des Heeren éénmaal in alle heerlijkheid openbaar en zichtbaar zal zijn op aarde, n.l. na de wederkomst des Heeren, in het eeuwige Rijk op de nieuwe aarde, onder de nieuwe hemel!

Van doorslaggevend belang bij de opvattingen omtrent het Duizendjarig Rijk is: hoé lezen wij Openbaring 20 en heel de Openbaring van Johannes? Daarin komen allerlei apocalyptische visioenen voor. Dé vraag is: hoé willen deze visioenen gelezen en verstaan? Steeds stuitten wij op die twee opvattingen: Openbaring 20 toont iets, dat in de geschiedenis nu werd gerealiseerd en het heeft vooral geestelijke betekenis; de kerkhistorische opvatting. Of Openbaring 20 toont iets, dat nog in de toekomst, wel binnen het raam van onze geschiedenis nog, zal worden gerealiseerd en het heeft niet alleen een geestelijke betekenis; de eind-historische en chiliastische opvatting.

Zowel bij de eerste als bij de tweede opvatting meent men bewijzen te kunnen aanvoeren. Bij de eerste voert men aan, dat wij in de Openbaring niet moeten zoeken naar een vaste chronologische volgorde. Wat daarin in een bepaald hoofdstuk beschreven wordt, wordt niet altijd in de tijd gerealiseerd, volgend op wat in het vorige hoofdstuk werd beschreven. Vaak wordt in een bepaald hoofdstuk weer ander licht geworpen op iets, dat ook al in een vorig hoofdstuk beschreven werd.

De uitdrukking en „zij werden levend" (vs. 4) heeft in de Schrift wel meer een overdrachtelijke, geestelijke betekenis.

In het eerste gedeelte van het visioen zou onze aandacht steeds gericht worden op wat in de hemel gebeurt. Daar staan de tronen (vs. 4). Dit zou zijn in de lijn van andere visioenen uit de Openbaring. Bovendien voert men hier aan, dat het oude Chiliasme eigenlijk twee wederkomsten aanneemt en het nieuwe de éne wederkomst in langdurige phasen uiteen laat vallen. Waar vindt men dit elders in de Schrift? En waar spreekt de Schrift elders van twee opstandingen, de eerste van de gelovigen, de tweede van de ongelovigen, met daartussen een grote tijdsruimte? Wel spreekt de Schrift van tweeërlei opstan­ ding, doch haalt ze die twee opstandingen zover uit elkaar?

Tenslotte voert men hier aan, of de Schrift overigens wel reden biedt om aan te nemen, dat er in deze bedeling, hoe dan ook, voor het grote einde nog een vrederijk zal aanbreken. Is het niet veelmeer de doorlopende gedachte van de Schrift, dat de gemeente in deze bedeling een gemeente onder het kruis zal blijven? In deze bedeling hebben wij geen periode van bijzondere rust en van een ongestoorde heerschappij van Christus te verwachten. Die heerschappij zal ook tot op het grote einde een verborgene blijven. En tot zolang zal de gemeente in het strijdperk staan, zonder zichtbare glorie. Christus zelf wijst ook in Zijn toekomstredenen de zijnen nooit op een soort gouden eeuw, die in deze bedeling nog zou moeten aanbreken. Wél bereidt Hij hen voor op zware tijden, waarin de ongerechtigheid en de dwaalleer groot zullen zijn. De Schrift troost wel met een toekomstige heerlijkheid, ook in het zichtbare. Doch buiten de grenzen van deze bedeling. Naar dié heerlijkheid mag de christen verlangen!

Een volgend maal memoreren wij eerst nog de bewijzen, welke men voor de tweede opvatting, de eind-historische, de chiliastische, meent te kunnen aanvoeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's