Nu jaagt de dood geen vrees meer aan!
Meditatie
Vreest gijlieden niet! Matth. 28 : 5-7.
Het graf van Jezus was goed verzegeld. Zijn vijanden wisten op alles voorbereid te zijn. Deze verleider had immers voorspeld dat Hij zou opstaan. Dat kon natuurlijk niet. Maar Zijn volgelingen zouden wel van allerlei bedenken kunnen om te doen alsof. En dan zou de lichtgelovige massa daardoor weer geimponeerd zijn! Dat moest worden voorkomen.
Maar nu blijkt dat deze geslepen vijanden inderdaad toch niet op alles voorbereid waren. Ze hebben geen rekening gehouden met God. Dat is toch wel droevig bij theologen, mensen die zich dagelijks bezig houden met de logos, het woord, van Theos, God. Blijkbaar bestaat die mogelijkheid dus ook. Er komt een engel uit de hemel. De steen wordt weggewenteld. Wat de vijanden bedoeld hebben als een belemmering voor Christus' opstanding, de grote steen voor de grafopening, wordt door de hemelbede tot preekstoel verheven. Vandaar verkondigt hij de paasboodschap. Ja, dat is meer voorgekomen in de kerkgeschiedenis. God is machtig om van duivelse listen nog gebruik te maken tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk.
De dodelijk verschrikte wachters worden geen woord waardig gekeurd. Na Zijn opstanding vertoont de Heiland zich niet meer aan Zijn vijanden. Wat zou een mens zonder geloof met het paaswonder moeten aanvangen? Hij bant die gedachte maar liever uit zijn gezichtsveld. Een dode Jezus verstoort zijn rust niet. Maar een levende? Liever veel geld geven dan dit aanvaarden.
In tegenstelling tot de wachters heeft de Heiland echter wel een woord voor de vrouwen: vreest gijlieden niet. Blijkbaar zag de engel de schrik op het gezicht der vrouwen bij de aanblik van het geopende graf. En dat is enerzijds best te begrijpen. Wat hebben ze de laatste dagen niet mee moeten maken. Ze hadden van hun vereerde en beminde Zaligmaker niets overgehouden als het ontzielde lichaam in Jozefs hof. Aan die resten houden ze nog krampachtig vast, zoals wij de stoffelijke resten onzer dierbare nog met grote eerbied naderen al weten we: ze zijn niet meer. Daarom dragen ze op de paasmorgen kostbare zalven aan om het lijk van hun Heiland te conserveren.. Te begrijpen, er spreekt liefde uit. Overigens een droeve Zaligmaker, die wij tegen de dood beschermen moeten. Dat is toch wel een hele schrale paasboodschap. Te begrijpen ook dat na alle doorstane emoties het deze vrouwen volkomen uit hun evenwicht brengt als ze de steen zien afgewenteld. Nu ook dat nog! Grafschennis. Ja, te begrijpen en toch ... Het had zo niet behoeven te zijn. Hij is opgestaan gelijk Hij gezegd heeft. Daar klinkt een zacht verwijt in door. Als deze vrouwen beter geluisterd hadden, als ze meer geleefd hadden uit het geloof, wat zouden ze zich een verdriet bespaard hebben. Hoe anders zouden ze bij het kruis hebben gestaan. Ze zouden daarachter reeds gezien hebben het dagend licht van de morgen der verrijzenis. Hoe anders zouden ze de stille zaterdag hebben doorgebracht, in stille verwachting: en nu Heere wat verwacht ik? mijn hoop is op U! Hoe zouden ze anders op de paasmorgen op weg zijn gegaan. Ze zouden hem gegroet hebben als de eersteling der dagen, de morgen der verrijzenis. Ja zo had het kunnen, eigenlijk sterker: zo had het moeten zijn. Ongeloof is zonde. Maar wie gaat hier vrij uit? Geloven wij ook niet vaak meer wat we zien en tasten kunnen dan Gods Woord en beloften? Als ik hier voorbeelden van zou gaan geven weet ik niet waar te beginnen en waar te eindigen. Het leven is er vol van. Alleen dit. Ons hart is boos en schuldig. We bemerken het elke dag. Hopenlijk met droefheid. De duivel haast zich ons in te blazen dat ons geval hopeloos is. Iemand zei kort geleden nog tegen me: ik ben onbekeerd en zal zo wel sterven ook. Sprak zij niet uit wat velen denken en dienovereenkomstig doen? In Gods Woord lees ik heel andere zaken: al waren uw zonden ... Ik schrijf de woorden niet verder uit.
We kennen ze wel. Mooie woorden. Ja, maar geloven we ze ook? Of zijn ze een post pro memorie, dat wil dus zeggen voor de praktijk van ons leven van nul en gener waarde. Dan zitten we wellicht in de donkerheid, terwijl de paasboodschap van vreugde en leven over de wereld klinkt. En toch: God had het ons gezegd. We moeten geen bloemlezing maken uit de bijbel naar ons inzicht. Dat deden de vrouwen uit de woorden van Jezus en gevolg: donkerheid en terecht een verwijt.
Toch zou het kunnen zijn dat we van deze vrouwen nog heel wat kunnen leren. En niet alleen hoe het niet moet. Ze kregen een verwijt te horen. Maar een zacht verwijt: Ik weet dat gij zoekt Jezus. Ondanks hun gebrek aan geloof zochten ze Jezus en werden ze vertroost door de paasboodschap! Hij is hier niet. Hij is opgestaan! Kunnen de engelen dat ook van ons zeggen? We zoeken en onderzoeken zoveel. We hebben onze problemen en vaak onze felle kritiek. We strijden en bestrijden. En zeker, vaak terecht. Maar als we oprecht door dit alles heenzien, zoeken we dan Jezus? Hieraan kunnen we toch weten of we door de Heilige Geest of door onze eigen geest worden geleid. Dit is de beslissende vraag in ons aller leven. En ondanks alles konden de vrouwen die vraag bevestigend beantwoorden, ook door de praktijk van hun leven. Wij ook?
Het moet opvallen dat de Heiland niet Zelf het paasevangelie aan de vrouwen verkondigt. Misschien zijn we jaloers op hen. Zij konden het zien, wij moeten geloven. Dat is maar ten dele waar. Ze moesten het woord der prediking geloven, precies als wij. Eerst nadat ze geloofd hadden en gehoorzaamd verscheen Jezus haar. En dan krijgen ze de opdracht om hetgeen ze zelf ontvangen hadden aan anderen door te geven. Ze moesten snel naar de bedroefde discipelen om hen deelgenoot te maken van de paasvreugde. God geeft altijd om door te geven. In vroeger eeuwen was het ergens de gewoonte om ter middernacht voor Pasen samen te komen. Met twee grote vuurstenen werd een kaars aangestoken. Dan kwamen de mensen hun kaars aansteken en daarmede gingen ze de donkere nacht in om het Licht der wereld te prediken. Heeft dit ons ook niet iets te zeggen? We hebben bezwaren tegen vrouwelijke ambtsdragers. We menen oprecht dat de Schrift ons dit verbiedt. Maar Gods Woord verbiedt de vrouwen niet om in woord en daad getuigen te zijn van Zijn opstanding. Daartoe worden mannen en vrouwen opgeroepen. Daaraan heeft onze wereld behoefte. Ze zijn de getuigen van een nieuwe wereld die nu reeds gekomen is en eenmaal met kracht zal doorbreken.
Buiten deze opgestane Christus is er reden te over om te vrezen. Zowel voor de dreigingen rondom ons als voor de eeuwigheid. Alleen hij of zij die met zijn ontredderd leven vastheid vond in Gods genade door kruis en opstanding geopenbaard, die behoeft niet te vrezen. Zijn huis is op de rotsbodem gegrond. Geen storm kan dit huis wegvagen. Zelfs niet de laatste storm, die van de dood. Want voor allen die gelovig steunen op de genade van de Verrezene geldt: dood waar is uw overwinning, graf waar is uw zegepraal? Waar de Geest van de Levensvorst werkt daar worden getuigen geboren van het onvergankelijke leven.
(Dirksland)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's