De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

7 minuten leestijd

of Wel-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald. 

Tot de voorbereiding op de dood behoort ook de regeling van zijn persoonlijke zaken. Hier schrijft Hoornbeek over een christelijk testament.

Maar hij aan wie God de middelen geeft doet onbetamelijk, indien hij niet ook daarvan de armen bedenkt of de Heere om Hem daarvan te dienen in zijn armen. Ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven. (Matth. 25 : 35). Ik spreek nu niet van aalmoezen in het algemeen, die men altijd geven moet, maar van godvruchtige testamenten, waarbij men stervende aan de armen of de kerk van zijn bezit uitdeelt, des te milder naardat men zelf niets meer te doen heeft. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige, zegt David (Ps. 112 : 9), zijn hoorn zal verhoogd worden in ere. Deze raad gaf Daniël aan koning Nebukadnezer: Daarom, o koning, laat mijn raad U behagen en breek uw zonden af door gerechtigheid en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan ellendigen of er ver­lenging van uw vrede zijn mocht. (Dan. 4 : 27). En Christus zegt: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardige Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. Dit woord, indien het door een stervende goed wordt overdacht, is zeer krachtig om hem te bewegen tot datgene, waar wij nu van spreken als zijn plicht en ten zeerste zijn troost. Hierover hebben twee van de Ouden bijzondere boeken geschreven, n.l. Cyprianus, bisschop van Carthago in Afrika ongeveer in het jaar des Heeren 250 en Salvianus, bisschop van Marseille, in het jaar 460. Cyprianus volgt gelijk elders, in een boek over de Aalmoezen ook hier zijn leermeester Tertullianus, die ergens zegt: Wat zoekt een christen erfgenamen; hij is onterfd van de ganse wereld; hij heeft broeders, hij heeft de Kerk tot moeder. Zo doet ook Cyprianus; hij bestraft eerst scherp die rijken, die menen, dat zij door milddadigheid tegenover de armen hun goed zullen verminderen. „Maar", zegt hij, „zijt hierin gerust en onbevreesd. Dat kan niet ophouden, wat ten nutte van Christus besteed wordt, waardoor een hemels werk gedaan wordt. Dat beloof ik niet op eigen gezag, maar krachtens het geloof in de H. Schrift en op grond van de Goddelijke belofte, . zoals de H. Geest door Salomo spreekt: wie de armen geeft, zal geen gebrek hebben. U bent bevreesd, dat uw bezit voor u niet toereikend zal zijn, als gij daar ruim van weggeeft en gij weet intussen niet, dat uw leven zelf en uw zaligheid intussen zal tekort schieten. En terwijl gij zorgt, dat niets van uw goed minder wordt, ziet gij niet, dat gij zelf minder wordt? En gij zijt meer een beminnaar van de Mammon dan Uw ziel; zodat, terwijl gij zorgt, dat gij uw bezit niet verdoet, gijzelf vergaat vanwege uw bezit. Of gij moet menen, dat wie Christus, voedt, niet ook van Chrisus gevoed wordt. Gij bewaart uw geld, maar dat bewaarde geld kan u niet bewaren. Daarna geeft hij hierop antwoord, dat men zegt zijn kinderen te moeten verzorgen en die erfgenamen te laten. Daar antwoord hij (Cyprianus) op, dat men met zijn kinderen en de armen delen zal en dat wie veel kinderen heeft te meer reden heeft om God te bidden. Het bezit, dat men aan God toevertrouwt wordt door de Staat niet weggenomen, noch door de Fiscus, noch door enige rechtbank weggenomen. Dat erfgoed is veilig gedeponeerd, dat onder de hoede Gods bewaard wordt.

Salvianus gaat nog verder in vier boeken, die hij geschreven heeft onder de naam van Timotheüs „Aan de Kerk", waar hij vooral ingaat tegen hen, die allerlei erfgenamen van hun goed benoemen, dikwijls ook vreemden en de armen en de kerk voorbijgingen. Hij brengt hiertegen verscheidene krachtige redenen in en toont, hoe verkeerd die mensen deden, die terwijl zij van God hebben ontvangen het genot van hun goederen, als zij van deze wereld gaan scheiden, niet willen, dat het (bezit) terugkeert tot de eigenaar, dat is aan God, tegen alle recht en billijkheid in. Daarbij komt, dat men de armen moet aanzien als (even)beelden van Christus en zijn leden, die men daarom moet eren en helpen. Hij wijst daarna de reden aan, waarom de mensen hier zo nalatig in hun plicht zijn, n.L omdat men God geen crediet geeft, wat de ene mens wel geeft aan de ander. O, ellende en verkeerdheid; de eerste plicht van een christen is zijn goed, zolang hij leeft te besteden tot Gods eer; het tweede is zulks altijd te doen in zijn dood. Hij antwoordt ook op hetgeen gewoonlijk hiertegen ingebracht wordt: maar ik heb kinderen! Daarover spreekt hij langdurig en laat zien, hoe onbillijk het is daarom de Kerk er buiten te sluiten. Vooral als men tot erfgenamen benoemt, niet zijn kinderen of kindskinderen, maar wie uit een zijlinie komen of verre familie, zulke mensen, die alleen maar uitzien naar de dood van wie sterft om zijn bezit in handen te krijgen; het zou een wonder zijn als u bleef leven, terwijl zovelen uw dood begeerden! Als Christus zegt: verkoop wat gij hebt en geef het de armen, heeft Hij niet gezegd, geef het uw neven, uw bloedverwanten, maar de armen, de behoeftigen. Blijft uw gerechtigheid in eeuwigheid, omdat gij uw rijke neven uw goed zult hebben gegeven? Als gij hun goed met het uwe verrijkt, zult gij dan een schat in de hemel hebben? , zoals Christus spreekt van hen, die de armen geven. En dat temeer, daar dikwijls onze kinderen of erfgenamen door onze spaarzaamheid in staat zijn om het er vrolijk van te nemen en ruw en wild te leven. Hoeveel beter is het daartegenover Christus zijn erfgenaam te noemen; gij maakt wel Christus tot erfgenaam, maar gij geniet toch zelf de vruchten (de emolumenten) daarvan; want hetgeen men Christus nalaat, dat alles zult gij door Christus bezitten. — Dit is de inhoud van het schrijven van deze twee mannen en voortreffelijke leraren der Oude Kerk. En als wij daarbij de praktijk van de christenen in hun religieuze testamenten zouden voegen, wat zou er een groot werk voorhanden liggen; daarvan kunnen genoeg getuigen, godshuizen, kerken, scholen, in oude tijden en in het pausdom, die met zulk een bedoeling en uit zulke motieven als tevoren gezegd, nagelaten en gesticht zijn. En dan moet de milddadigheid van onze vaderen ons niet doen vertragen (in het geven), dat wij zouden denken: er is al genoeg gegeven. Werd alles overal wel bewaard en wel besteed tot zulk een doel en heilig gebruik als de religieuze wil van de gevers en erflaters is geweest!

Nooit moet het voorbeeld en het exempel van anderen ons afhouden van goede en naarstige navolging; en deze voorbeelden moeten temeer door ons worden nagevolgd, omdat hun goedheid ons zelf ten nutte komt. Zo zien wij, dat altijd waar is en blijft, wat Christus gezegd heeft: de armen hebt gij altijd bij u. Tegenover deze zo krachtige geboden, redenen en voorbeelden, komt onze nalatigheid en verachting op onomstotelijke wijze uit, als wij in de grote overvloed, waarmede de Heere ons in deze gezegende tijden zegent, er niet aan denken om het beste te doen ook aan armen en kerken.

Welke arme wordt tot erfgenaam benoemd? (Juvenalis). Ik heb het niet ondienstig geacht dit bij deze gelegenheid te zeggen en in goede herinnering te brengen, zowel om de nood als om de zaak van de christelijke beschikking over de goederen en de religieuze testamenten, wat bij de mensen niet zonder grote schade en schande voor onze naam zeer in het vergeetboek geraakt, omdat wij nu spreken, hoe de mens zich tot de dood schikt en dan alle deugden ten zeerste beoefent en toch over zijn goederen orde bestellen moet en beschikkingen over zijn huis moet treffen.

No. 7. (Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's