SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING
(23)
Geef dan de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. (Matth. 22:21).
§ 5. KERK EN STAAT, (vervolg).
A. THEORIE
Wij gaan verder.
Zeer bedenkelijk wordt het, als zo'n woordvoerder uit hoofde van zijn ambt denkt zijn „aanhang" te kunnen dresseren, onder het motto „voorlichting" of „vorming", ter bestrijding van de hem zo prikkelende „achterlijkheid"
Iemand, die meent dit uit hoofde van zijn ambt te mogen doen, geeft daarmede blijk niet te weten, wat het zeggen wil: een ambt te mogen vervullen. Ik acht dit een groot kwaad in kerkelijk Nederland.
Welk een onheil is daar in het verleden op deze wijze niet gesticht! Wie herinnert zich in dit verband de boezemkwaal van wijlen dr. Kuyper niet .... ?
Wij signaleren dit euvel overigens niet alleen op het erf van-de kerk; hetzelfde kwaad doet zich voor in de vakbeweging, in de boezem van de politieke partijen, enz. Bestuurders en bestuurden staan verder van elkaar af dan ooit, de pruikentijd wellicht inbegrepen zelfs!
Tekent dit ook niet de crisissituatie, die wij hier thans beleven?
Het ligt op de weg van de kerk zelf, te voorkomen dat haar woordvoerders het kwade pad inslaan.
Hen ware in te scherpen de grondbetekenis van het woord „ambt" (officium). Het mag niet voorkomen, dat een woordvoerder zichzelf onmisbaar acht doch het is een zaak van de kerk, hem voor de verleiding mede te helpen bewaren!
Het geloof is hier de beste medicijn: de vruchten daarvan immers zijn trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Gal. 5 : 22). Het is door en vanwege dat geloof alleen, dat een mens „ja" zegt op het troostwoord van God: „Mijn genade is u genoeg" (2 Cor. 12 : 9)
Het is voorts aan de kerk — de gemeenschap der gelovigen — om erop toe te zien, dat er geen cumulatie van functies plaats vindt (macht is een narcoticum!) en dat niet een „afgaande" ambtsdrager telkens weer opnieuw opkomt en een „chair-born"-figuur wordt . . .
Ik griezel, als ik denk aan dat monument op de begraafplaats te Barneveld, opgericht ter herinnering aan het gouden ambtsjubileum van een ouderling der Gereformeerde Gemeente; ik kan er weinig gereformeerds aan ontdekken ... Aan dat monument wel te verstaan!
Tenslotte zal de kerk ervoor hebben te waken, dat er geen discriminatie plaats vindt, hoe dan ook; zij handele steeds zonder aanziens des persoons.
De kerk strale ook in dit opzicht iets af van het Rijk, dat komt, als God zal zijn alles in allen (1 Cor. 15 : 28). Hoe dikwijls komt het in onze gemeenten — ik denk in dit verband speciaal aan plattelandsgemeenten van 't type Driebergen (forensische gemeenten onder de rook van een grote stad dan wel innig verbonden met de Randstad-Holland) — niet voor, dat er verdringing plaats vindt in de vergaderingen van de kerk met als effect uiteraard, dat er een sprekend deel is (de elite van geletterde mannen, „import" meestal), en een zwijgend deel (autochthone ambtsdragers). Staat die élite — uitgelezenen! — er wel altijd voldoende bij stil, wat er in de harten van dat zwijgende deel omgaat... ?
Het moet in de kerk uitgesloten worden geacht, dat er door wie-dan-ook machtsposities zouden mogen worden opgebouwd.
Aan laatstgenoemde kwaal (gildevorming onder de woordvoerders) nu lijdt sedert jaren m.i. ook de Nederlandse Hervormde Kerk.
Ik leid dit niet zozeer af uit de stof, die het rapport bevat, als wel uit de deining, die er op de verschijning van het rapport is gevolgd, „het" stof dus.
Wat moet de kerk aanvangen met een rapport, dat het voorwerp is geworden van een uitzichtloze discussie tussen die woordvoerders onderling met betrekking tot de vraag: Wat beoogt onze Synode hier eigenlijk te zeggen?
Let wel: het is niet uit leedvermaak, dat ik dit constateer; zulk een houding past zelfs een man uit de achterste rij niet!
Verontrusting geeft ook het rumoer rondom ds. B. A. Bos (onze hoofdlegerpredikant).
Ik krijg wel eens het gevoel, dat dit rumoer een afleidingsmanoeuvre is, in scène gezet ter compensering van het niet te loochenen feit, dat kerk en volk op de verschijning van het rapport anders hebben gereageerd dan door ds. Landsman c.s. gehoopt... Een bewijs overigens, dat wij met elkander diep in de modder zijn geraakt!
Dit verwijt treft ook ons; hervormdgereformeerden. Te lang hielden wij ons op met „beuzelarijtjes" (ds. van Druten) zonder te letten op de adembenemende ontwikkelingen in onze wereld ... Alsof wij met die „wereld" niets te maken zouden hebben! Tot een constructieve bijdrage kwam het veelal (net) niet, waardoor het er schijn van kreeg, dat wij slechts „neen" zouden kunnen zeggen ...
Al deze ellende — inbegrepen ook het negativisme in eigen kring — schrijf ik voor een niet onaanzienlijk deel toe aan de pretenties van die woordvoerders: uit niets blijkt, dat hun optreden het fiat draagt van ons kerkvolk, zeker niet in het onderhavige geval.
Algra (geref.) schreef indertijd, nu ruim een jaar geleden: „Bovendien blijkt telkens weer, dat dit incidenteel of regelmatig publiek maken van het oordeel der Kerk of van kerkelijke vergaderingen en instanties over actuele politieke vraagstukken zeer bedenkelijke aspecten heeft. Vooreerst al door de keus der onderwerpen, waarover gesproken wordt, terwijl andere worden verzwegen. Daardoor ontstaat de indruk „dat de Kerk een mening heeft" en vaak een geprononceerde mening speciaal over die punten en vraagstukken, die sommige kerkelijke topfiguren na aan het hart liggen".
Mr. Beerink heeft erop gewezen, dat zelfs verzuimd is tevoren de classicale vergaderingen te consulteren.
Nu ben ik mij ervan bewust, dat zulks niet altijd nodig is.
Het moet in onze tijd alleszins juist worden geacht, dat onze Synode een zekere bewegingsvrijheid geniet, opdat van de zijde van de kerk in voorkomend geval adaequaat gereageerd kan worden, zoals dat in het begin van dit jaar tweemaal achtereen op voortreffelijke wijze is geschied.
Maar terzake van een zo ingewikkeld en diepgaand vraagstuk als dat van de kernbewapening, was het m.i. niet voldoende, dat slechts het „planetarium" aan de top ingeschakeld werd, geheel daargelaten nog de vraag of de stem van de krijgsman in dat geheel (raad voor de herderlijke zorg, raad voor de zaken van Kerk en overheid, raad voor de zaken van Kerk en samenleving, enz.) wel altijd genoegzaam doordringt
Om kort te gaan: een kerkgenootschap op presbyteriale grondslag veronderstelt onder alle omstandigheden:
a) een florissant beeld, wat de communicatie betreft (in- en extern);
b) medeverantwoordelijkheid der lidmaten over de gehele linie en
c) zelfdiscipline onder alle ambtsdragers onder de officiële woordvoerders van de kerk in het bijzonder.
Wij zullen het er allen over eens zijn, dat de praktijk hiermede niet in overeenstemming is.
Dat dit kwaad van invloed is op de betrekkingen tussen de kerk en de staat, behoeft geen betoog.
Zulks komt noch de onafhankelijkheid van de kerk noch die van de staat ten goede.
Blijve de kerk de kerk en de staat de staat en laten wij er toch voor oppassen, dat zich in de kerk niet een élite afscheidt met het oogmerk zich een „advocatuur" aan te meten of i.d.
De schakel in alle betrekkingen over en weer is en blijft het geweten van de medelevende enkeling, te vertolken door hem zelf, c.q. zijn vertrouwensman.
Het ware te hopen, dat de lessen van het gebeurde ter harte werden genomen, deze les bovenal: „Doch gij zult niet rabbi genaamd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders" Matth. 23 : 8).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's