Zelfmoord
In ons land pleegden in de naoorlogse jaren 1946—1954 per jaar meer dan 700 mensen zelfmoord. Er is een tijd geweest — voor de tweede wereldoorlog, dat het aantal verkeersslachtoffers ongeveer gelijk was aan de mensen, die zich van 't leven beroofden. In de jaren 1901—1954 zouden volgens de statistiek ongeveer dertig duizend zelfmoorden zijn gepleegd. De verhouding met het aantal verkeersslachtoffers is thans wel geheel anders, als gevolg van het toegenomen snelverkeer met alle gevolgen van die. Nederland mag dan van de meeste andere West-Europese landen zich onderscheiden door een betrekkelijk laag aantal zelfmoorden, dé cijfers spreken van een benauwend vraagstuk. Trouwens, als het er op aan komt, gaat het niet om de vraag of het er velen zijn of niet, bij God telt één mens mee en daarom moet dat ook bij ons zijn.
In onze kranten lezen wij over zelfmoorden slechts weinig, gelukkig maar; de dikwijls sensationeel gekleurde berichten in allerlei buitenlandse bladen, grif gepubliceerd en al te gretig gelezen, roepen maar weinige malen het beste bij de mens boven. Ik denk aan het Profumo-proces, waar de aangeklaagde zich aan het vonnis onttrok door zelfmoord te plegen. Het is in deze bedeling niet moeilijk de dood te vinden, een sprong in het water, een schot en het onherroepelijke is geschied. Het leven is een strijd om de dood buiten de deur te houden wie niet strijdt verliest het, maar er zal een tijd komen, dat men de dood zal zoeken en niet vinden, heeft alsvanzelf een waarschuwend karakter, al is dat niet het enige.
Maar wij kunnen het toch niet voorkomen! Het zit soms in de familie, zegt men en dan is er niets aan te doen. Geloof dat niet en laat u een dergelijke noodlotsleer nooit wijsmaken. Statistisch blijkt deze redenering niet juist te zijn en ook schriftuurlijk is zij onaanvaardbaar. Wij kunnen niet voorkomen, dat onze kinderen een ongeluk krijgen maar wij waarschuwen ze wel, ernstig en herhaalde malen en wij houverre van gevaarlijke plaatsen. Wij mogen nooit zeggen: Ben ik mijns broeders hoeder; dat is de geest van Kaïn. Als wij in aanraking komen met mensen, die zeggen of dreigen, dat zij een eind aan hun leven zullen maken, dan moeten wij dat nooit lichtvaardig opnemen. Hoe dikwijls horen wij later van zelfverwijt: hadden we maar bijtijds ingegrepen! Menigmaal onderschat men tevoren het gevaar, meent zelfs als het een godsdienstig mens geldt, dat de Heere het niet zal toelaten om later als de daad niet te herstellen is, onbarmhartig te oordelen en zelfs op de rechterstoel zich te plaatsen.
Och, zegt men, die man heeft dikwijls neerslachtige buien; dat zal wel weer overgaan. En, wie het zeggen, doen het niet, over die heb je je geen aparte zorg te maken. Maar u moogt dit risico niet nemen; er zijn er velen, die het zeggen en het ook doen. Ik denk aan die vrouw, die zestien jaar gedreigd had er een eind aan te maken en zij had ook wel een enkele maal een kinderlijke poging daartoe gedaan, tenslotte nam niemand haar woorden meer ernstig, totdat zij van de bovenste etage naar beneden sprong en omkwam. — Ja, maar deze man is zo met de godsdienstige dingen bezig, dat ik nauwelijks kan voorstellen, dat dat verkeerd kan aflopen. Men spreekt nogal eens van godsdienstwaanzin, maar dat woord komt uit een vijandig kamp; „hij heeft de godsdienst te ernstig genomen en mogelijk zou zijn! Ik geloof niet, dat een mens teveel met de eeuwige dingen bezig kan zijn en zich de geestelijke dingen te sterk kan aantrekken, maar het is wel waar, dat iemand zich op een verkeerde wijze daarmede bezig kan zijn en ook dat als iemand psychisch in de war raakt, dit invloed heeft op zijn godsdienstige uitingen en denkbeelden.
Er zijn heel wat gevallen, waarbij men meent, dat met de predikant gesproken moet worden; men zegt dan: hij is zielsziek en ik zou niet graag willen beweren, dat de predikant hier geen taak heeft, maar hoe vele malen verzuimt men bijtijds een psychiater in te schakelen. Soms vindt men bij een patiënt een angstige, gedrukte stemming, die met zware schuldgevoelens gepaard gaat, waarbij zeer beslist naar de arts verwezen moet worden, vooral als deze man nauwelijks meer zijn gewone werk kan of wil doen. En dat is altijd nodig, als op enigerlei wijze over zelfmoord gesproken wordt, al zegt u voor uzelf: ik geloof niet, dat hij dat doen zal. Wij moeten leren achter de woorden van de ander te kijken, niet achterdochtig, maar in het bewustzijn, dat zelden of nooit iemand zo maar zijn binnenste buitenkeert. Bewust of onbewust worden andere dingen genoemd waarmede men zit. Soms ook wendt men voor, dat het goed gaat en dat men echt geen verkeerde plannen (meer) heeft, terwijl deze voornemens tot zelfmoord zorgvuldig worden verborgen en gecamoufleerd. Het hart des mensen is bedriegelijk, ja dodelijk, wie zal het kennen! De ene mens, zelf zondaar moet de andere voor zonde bewaren, ja, de mens moet voor zichzelf bewaard worden. Denk maar aan de geschiedenis van de stokbewaarder in Filippi; hij was op punt een eind te maken aan zijn leven, maar Paulus riep: Doe uzelf geen kwaad. Deze man zag op dat ogenblik geen andere uitweg dan de vrijwillige dood, maar Paulus' ingrijpen redde hem. Met het noemen van dit voorbeeld blijkt onmiddellijk, dat het niet opgaat te stellen, dat ieder, die zelfmoord doet of een poging daartoe, geestesziek zou zijn. Deze neiging is er tegenwoordig maar al te veel; er is een zeker medelijden met het slachtoffer en men wil op deze wijze hem van verantwoordelijkheid voor zijn daad vrijpleiten. In een medische statistiek las ik, dat iemand verdedigde, dat niet meer dan 20% van de zelfmoordenaars zijn oorzaak zou vinden in geestesziekte.
Maar wat zit toch achter dit vreselijke? Welke motieven drijven deze mensen? Zelden is er één motief, dat tot zelfmoord leidt. Wat dreef Achitofel, toen hij de hand aan zichzelf sloeg? Teleurstelling, het gevoel, dat zijn rol uitgespeeld is, ook vrees: hij wil een wreede dood door de hand van de vijand ontgaan, zoals ook van Saul gezegd wordt. Mijn leven is toch waardeloos. Waarvoor moet ik nog verder leven? Iemand, die weet, dat hij ongeneeslijk ziek is en die dagelijks zware pijn heeft te verduren, vindt, dat het leven voor hem niet meer de moeite waard om te leven is. En helaas vinden dergelijke gedachten die in nood en angst geopperd worden wel weerklank bij gezonde. Ik zou, geloof ik, zegt men er ook een einde aan maken als ik in zo'n hopeloze situatie verkeerde. In de eerste plaats is het volkomen fout, dat een gezond mens meent te weten, wat hij in een dergelijke toestand zou doen. Uit de concentratie-kampen, waar de mensen bij honderden stierven vocht men vertwijfeld om zijn leven en kwamen de zelfmoorden maar weinig voor. Bovendien, wie maakt uit of het leven enige waarde heeft? Leven betekent naar de Bijbel, verantwoordelijkheid; ik ben het leven mijn almachtige Schepper schuldig, ik mag er niet „vrij" over beschikken. Als ik Gods Raad heb uitgediend, neemt Hij mij weg. De gelijkenis spreekt van de landman, die als het graan rijp is er terstond de sikkel in slaat, niet eerder en niet later. En dat wil de eigenmachtige mens niet, hij wil niet van God afhangen, hij neemt lot en leven in eigen hand. Hier spreken wij niet van pathologische gevallen, maar van een mens als Achitofel uit de Bijbel, die wel bewust en opzettelijk uit het leven wegvluchtte; dit is een vlucht uit de verantwoordelijkheid voor God en de mensen. Maar de strijd kan zo zwaar worden, dat een mens er niet meer tegen op kan! Alsof de Heere de mens teveel op zou leggen! Zoude het niet de Heere zijn, die sterkte vermenigvuldigt dien, die geen krachten heeft? Is de Bijbel niet vol van deze beloften? Als de mens radeloos is, is er dan geen raad bij God? In deze tijd zijn deze vragen zeer aan de orde, nu de mens zich koning waant en meent vrij te zijn in al zijn doen en laten. Ik mag van Gods strijdperk niet deserteren. Het leven is een voorrecht en een wondere gave Gods, en daarom een heilige plicht en roeping.
Denk eens aan het geduld van Job, waarvan Oud en Nieuw Testament spreekt. Zijn leven was duisternis geworden. Hoor hem klagen in zijn hem overstelpende smart en vertwijfeling: Waarom geeft Hij de ellendige het licht en het leven de bitterlijk beproefden van gemoed?, die verlangen naar de dood, maar hij is er niet en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten, die blijde zijn tot opspringens toe en zich verheugen als zij het graf vinden? In de dood zou er rust zijn (Job 3 : 21 v.v.). Maar Job weet in alles, dat God toch achter zijn leven en levensweg staat, al gevoelt hij zich als in gevangenis opgesloten waarvan de poorten niet te forceren zijn. Verdwaald als in een oerwoud, is er voor Job maar Eén, op wie hij hopen mag. Is Job met God bedrogen uitgekomen? De Heere heeft zijn knecht in een menselijk gezien volkomen hopeloze situatie niet in de steek gelaten. En de Heere blijft eeuwig dezelfde. Aan Job herinnert ook Augustinus, als hij over het geduld schrijft. „Hij verdroeg met een ongeschonden vroomheid en een onbedorven geduld de vreselijke kwellingen van zijn wegkwijnende vlees". In dit verband wijst hij op de zonde van de Donatisten, die liever dan in de handen van de vijand te vallen zichzelf het leven benamen. Maar, zegt Augustinus „de ware martelaren worden gedwongen alles te verdragen. Een vadermoordenaar is misdadiger, dan een andere moordenaar, omdat hij niet slechts een mens, maar een bloedverwant heeft gedood; zonder twijfel is het dan erger, als een mens zichzelf doodt, want niemand staat de mens nader dan hij zelf". Aan een presbyter, die de hand aan zichzelf had willen slaan, schreef Augustinus: „Gij zijt in het water gesprongen om te sterven en tegen uw wil hebben anderen u uit het water getrokken, opdat gij niet zoudt sterven. Lees in de Schrift of een van de rechtvaardigen dit ooit heeft gedaan, wanneer zij zo vele rampen moesten verdragen". En elders zegt Augustinus (in De Stad Gods, boek 1 hoofdstuk 25, 26). „Het is een plicht om te leven en tot het einde toe dit leven te verdragen. Wat wij bevestigen, dat is het beginsel, dat niemand zichzelf de dood mag aandoen, hetzij om tijdelijke moeiten want hij riskeert in eeuwige droefheid te vallen — hetzij uit oorzaak van zonde van anderen, want zo bezwaart men zich met zeer zware persoonlijke zonde, terwijl de zonde van een ander geen bezoedeling met zich brengt — hetzij vanwege zonde in het verleden, want berouw heeft er behoefte aan te leven om zijn zonde te kunnen bewenen en genezen. Hij mag ook zichzelf niet doden uit verlangen naar een beter leven, waarop men na de dool hoopt, want zij die schuldig zijn aan hun eigen dood zullen dat betere leven na de dood niet genieten".
Met het oog ook op de zelfmoord moeten wij het woord leren beleven: Welgelukzalig, de mens, die gedurig vreest, maar wie zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen. (Spr. 28 : 14). Dan worden wij bewaard voor hoogmoedige zelfoverschatting, die zegt: dat zal mij nooit overkomen en ook voor farizeese veroordeling, die onbarmhartig een oordeel velt, dat alleen de rechtvaardige God toekomt. Het zal altijd zijn: waakt en bidt, opdat hij niet in verzoeking komt. Onmisbaar is het schild des geloofs, waarmede de vurige (d.i. brandene) pijlen van de boze zullen kunnen geblust worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's