De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

HOOFDSTUK V. ARTIKEL 4

10 minuten leestijd

En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat zij van het vlees zou kunnen overwonnen worden, zo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden en die volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoeking geleid worden. En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet alleen door het vlees, de wereld, de satan tot zware en ook gruwelijke zonden vervoerd worden, maar worden zij ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, daartoe somwijlen vervoerd; gelijk de droevige vallen van David, Petrus en andere heiligen, die ons in de H. Schrift, beschreven zijn, bewijzen.

Het gevaar.

Wanneer men de belijdenis leest en dan hoort van de volharding der heiligen, zou men kunnen denken, dat de gelovigen, de christenen, maar een makkelijk leven hebben. Zij kunnen, zou men denken, zich met een rustig hart in gevaar begeven. Immers, de Heere bewaart ze wel. Inderdaad gebeurt dat menigmaal. Denk eens aan Abraham, die zijn vrouw uitleverde in de handen van de Farao, zodat de belofte Gods bijna niet vervuld had kunnen worden. De Heere bracht echter Sara weer bij Abraham terug. Hier is de Aartsvader bewaard in de zonde. Daar zijn geen verdere ongelukken gebeurd. Maar hoe menigmaal wordt Gods kind hoewel het niet (voldoende) waakt en bidt, toch bewaard vóór de zonde. Nochtans ligt er voor Gods volk altijd de dreiging van de doodvijanden: vijand, wereld en eigen vlees.

De mens in Christus is een tweemens. Ieder kind Gods ervaart, dat de omhelzing van Christus vrede betekent voor het gemoed en dat Hij onze vrede is. Maar dit neemt niet weg, dat Hij ook onze strijd is. Vroeger, toen het leven des geloofs in vele mannen en vrouwen een zoveel diepere en hogere en bredere gestalte aannam en innam, zei men tot de gerechtvaardigden: welkom in de strijd. Tegenwoordig vraagt menigeen: wat is dat toch, een gerechtvaardigde? Het antwoord op die vraag ligt in Psalm 32: „Welzalig is de mens, die 't mag gebeuren. Dat God naar recht Hem niet wil schuldig keuren". Op duidelijke manier is deze rechtvaardigmaking in de consciëntie afgebeeld in enkele personen uit de Christenreis van Bunyan. Daar wordt beschreven hoe Christen de vergeving van zonden toegesproken krijgt en ervaart. In het evangelie is de geraakte uit Marcus 2 daar een voorbeeld van en de stokbewaarder uit Hand. 16. Het is een ervaring. Als Christen bij het kruis komt draagt hij al een hele tijd het ongenoegen Gods met zich mee en het besef van een zware schuld. Dat is een belangrijke zaak. Uit de stad Verderf vertrokken twee mensen: Christen en Plooibaar. De een droeg het pak, de ander niet: wie het pak draagt moet verder en kan niet rusten, voordat hij genade gevonden heeft. Dat vinden is een ervaring. Het betekent, dat de last der schuld wordt weggedaan. Geen woorden kunnen beschrijven, wat dit betekent. Maar zonder woorden kan het ook niet. Dus lezen we: „Toen Christen bij het kruis kwam en er vol bewondering naar opzag, gleed het pak plotseling van zijn schouders af. Het viel op de grond. Het rolde al lager en lager de heuvel af en verdween eindelijk geheel in de duisternis van het geopende graf". De lezers kunnen het verder nalezen in hun eigen boek. Maar hier is de rechtvaardigmaking in de consciëntie uitgebeeld, waar God de Vader spreekt: Uw zonden zijn u vergeven en God de Zoon bekleed met de klederen des heils en God de Heilige Geest het werk der genade goedkeurt en er een bewijs van meegeeft, dat aan de hemelpoort overhandigd moet worden. Uit dit gedeelte van de Christenreis blijkt ook welk een door en door reformatorisch prediker Bunyan was, daar hij de rechtvaardigmaking tot het allesbeslissende verklaart. Dezelfde gang van zaken vinden we ook in de geschiedenis van Hoop, waar de openbaring van Christus, die gestorven is voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking in het middelpunt staat. Ook hier gaat het om de gerechtigheid. Hoop zegt: „Uit al deze woorden werd het mij duidelijk, dat ik de ware gerechtigheid in Zijn persoon en de vergeving in Zijn bloed moest zoeken.

Hoe gaat het nu verder met zulke gerechtvaardigde mensen? Die komen in een gedurige strijd. Calvijn heeft al gezegd: „Het leven van een christen is een voortdurende krijgsdienst". Hoe wordt de heiligmaking ervaren en het christenleven geleid? Als een christelijke strijd; zei Augustinus. De gereformeerde leer legt er de nadruk op, dat het leven in de heiligmaking een strijd is. In een onbekeerd mens is geen strijd. Hij volgt zijn begeerten. Zeg nu niet, dat er in een fatsoenlijk mens een strijd is tussen netjes en niet netjes. Dat is een oppervlakkig verschil van mening. De strijd van een christen daarentegen raakt z'n hele wezen. Het is de strijd tussen Geest en vlees, een strijd op leven en dood. De bekering is, dat de Geest het levenshuis van de mens binnendringt. Dat gebeurt als de door en door zondige mens, door het geloof, in Christus ingelijfd wordt en nu de gave der rechtvaardigmaking ontvangt en zo de Heilige Geest in hem de heiligmaking begint. Dan is er de nieuwe mens, d.w.z. de mens, waar Gods Geest regeert. Maar dan is er ook nog een gebied in de mens, dat de Heilige Geest nog niet onder Zijn heerschappij heeft gebracht.

Dat is gevaarlijk gebied. De duivel vindt daar zijn handlangers, heeft daar zijn contacten. Mag men dan niet zeggen, dat een wedergeborene wel zwakheden bezit, maar dat deze toch niet zo gevaarlijk zijn? Dat zou een gevaarlijk zelfbedrog wezen. In de gelovige zijn vele krachtige boze begeerten en neigingen, die hem aanvuren tot verzet en tot ongehoorzaamheid tegen God. Het vlees in de christen heeft een boze wil, die tegen de Almachtige gericht is. Die wil is reeds zonde en niet ongeveer neutraal, zoals Rome pleegt te leren, en Augustinus reeds stelde. Het is een hele boze wil, zodat er dagelijks een harde strijd nodig is, want anders is het gevaar niet gering, dat de gelovige tot gruwelijke zonden gebracht wordt. Hij is niet beter dan een ander. Hij ligt bloot voor opvliegendheid, hoogmoed, trots, jaloersheid, afgunst, traagheid, lichtgeraaktheid, vloeken, hebzucht, eerzucht, hoererij, zweigerij, overspel, haat, wrevel, oneerlijkheid, diefstal, onkuisheid, ondankbaarheid, ijdele zorg. Lang en gedurig kunnen dergelijke zonden in de christen opkomen. Hij kan er van buitenaf toe verlokt worden. Er kunnen bronnen van hebzucht, dieverij, hoererij, onkuise gedachten hoog in hem opspuiten. Is het niet verschrikkelijk? Is het niet ontmoedigend en beschamend voor de gelovige, dat hij altijd en altijd weer, door de begeerten van zijn vlees geprikkeld wordt en menigmaal door de begeerten tot toegeven en een beginnen te zondigen gebracht wordt? Het is heel erg, maar geen reden om te wanhopen. Altijd maar waken, dat is beter. Bij de geringste opwelling op zijn hoede zijn.

Heeft men twee stappen op een ver­keerd pad gedaan onmiddellijk omkeren, dat is beter. Kan men de eerste linie niet houden dan de tweede bezetten. Maar niet licht over deze strijd denken. De catechismus, de zesde bede uitleggende, zegt ervan: „Dewijl wij van ons zelf zo zwak zijn, dat wij niet één ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten, zo wil ons toch staande houden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen".

Dat is een andere gedachte, deze gedachte van de gedurige strijd, dan de Wederdopers hun mensen voorhielden. Zij leerden dat de kinderen Gods in de staat der onschuld hersteld zijn en nu niet bekommerd moeten zijn om de lusten van het vlees te bedwingen, maar dat men de leiding van de Geest moet volgen, want onder Zijn geleide dwaalt men nimmer van de rechte weg af. Dit liep hierop uit, dat men de zonden van het vlees niet telde. Zo leert Gods Woord ons niet. Een gelovige loopt ontzettend veel gevaar in de strikken der zonde verward te raken. Maar hij behoeft het niet erg te vinden, dat er zo'n strijd in hem heerst. Dat is juist goed. Het mag wel oorzaak van vreugde zijn, dat hij het zo moeilijk heeft met zichzelf. De natuurlijke mens wordt door de zonde met rust gelaten. Daarom mag ieder mens wel onrustig zijn, die de zware strijd met duivel, wereld en eigen vlees niet kent en nog zo gemakkelijk kan doen, wat hij wil.

Menigeen echter denkt, dat hij of zij geen genade heeft, omdat de zonde nog zo machtig is. Men denkt, dat echte kinderen Gods dat niet hebben. Calvijn echter merkte al op, dat wij door de heiligmaking des Geestes alzo gereinigd worden, „dat wij nochtans met veel gebreken en zwarigheid bezet blijven, zolang wij in deze kerker van ons lichaam ingesloten zijn. Waardoor het geschiedt, dat wij zeer ver af zijn van de volmaaktheid, altijd enigen voortgang doen, en in de zonden verstrikt zijnde, dagelijks met dezelve strijden moeten, waaruit ook volgt, dat wij de traagheid en zorgeloosheid moeten uitwerpen en met ingespannen gemoed waken, opdat wij door de listen en lagen van ons vlees niet onverhoeds bedrogen worden".

Het is voorts ook niet zo, dat wij alleen maar gevaar lopen slechts een paar treden buiten de wegen Gods af te dwalen, maar het kunnen gruwelijke zonden worden, waardoor Gods Naam ontheiligd wordt en onze naam verbrijzeld. Maar deze gruwelijke dingen komen meestal niet ineens. Eerst komen allerlei gedachten en begeerten. Nu is de vraag wat wij hiermee doen. Gaan wij er op in, dan komen de kleinere zonden. Ons leven wordt dan met een spinneweb van ongerechtigheden overdekt. Nu zijn we rijp voor de gruwe­lijker zonden. Zo gaat het. Zo gaat het ook wel eens met een christen. God laat het soms zo ver komen, dat hij de aanlokking tot het boze vrij spel laat. Wij moeten niet op z'n wederdopers denken, dat God wel waakt. Wij moeten zelf waken en bidden. Ik weet wel, dat Isrels Wachter niet slaapt noch sluimert, maar dat sluit niet uit, dat de Heere ons kan laten openbaar komen. We lezen in 2 Kron. 32 : 31, dat God Hizkia verliet, om hem te verzoeken om te weten, wat er in zijn hart was. Dat kan ons ook overkomen. Een mens zou anders veel te groot van zichzelf blijven denken. Maar er zijn andere wegen om vernederd te worden en laat ieder er bang voor zijn om in het openbaar ten toon gesteld te worden, zoals David en Petrus en andere heiligen. Zij zijn het droeve voorbeeld hoe ver het met een gelovige komen kan, die te veel op zichzelf vertrouwt. Daar gebeuren immers in de natuur en in de genade heel wat rampen, doordat de mensen niet bang genoeg zijn. De Schrift zegt: „Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest". Wij moeten maar bang zijn, dat het met ons mis zal gaan. Ik bedoel niet in de eerste plaats wat Gods wil betreft om ons zalig te maken, doch wel wat onze wil betreft en ons leven betreft. Wat wordt er makkelijk geleefd door vele kerkgangers, en wat wordt er makkelijk geleefd door veel ernstige mensen en wat wordt er makkelijk geleefd door veel kinderen Gods. Dat kunnen we in Gethsemané zien. Wat slapen de discipelen lekker als Jezus in doodsstrijd is. Vandaag nog, of niet? Daarom geldt nog altijd het woord:

„Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. De geest (des mensen) is wel gewillig, maar het vlees is zwak". Bidt zonder ophouden, zegt de Apostel. Waken en bidden, moeten de kinderen Gods.

„En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet alleen door het vlees, de wereld, de satan tot zware en ook gruwelijke zonden vervoerd worden, maar worden zij ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, daartoe somwijlen ververvoerd; gelijk het droeve vallen van David, Petrus en andere heilige, dat ons in de Schrift beschreven is, bewijst".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's