EUTHANASIA DOOR JOHANNES HOORNBEEK
of Wel-Sterven, waarin vele voorbeelden der stervenden en hun laatste doodspreuken worden verhaald.
In het vorige hoofdstuk schreef Hoornbeek over de noodzakelijkheid van een christelijk testament.
Als hij dit gezien heeft, nadert hij tot de dood, waarbij ik gezegd heb, dat het bij de stervende op drie dingen aankomt: zijn lijdzaamheid in doodsnood tegen alle kwellingen, ziekten en moeilijkheden, die de dood met zich brengt; zijn verwachting van de verlossing en zijn gewillige overgave tot de dood, in Gods hand. Het eerste ziet op dit leven, het tweede op wat volgt, en het derde op zijn dood; want zo zie ik hem nu aan, als Aaron eens stond tussen de doden en de levenden.
Wat nu de lijdzaamheid betreft: Lijdzaamheid hebt gij van node, zegt de Apostel (Hebr. 10 : 36), opdat gij de wil Gods gedaan hebbende, de beloften moogt wegdragen. En Christus zegt: Bezit uwe zielen in lijdzaamheid. Al zou de gehele wereld vergaan, als ik daaruit maar lijdzaamheid gewin, zegt TertuUianus. Gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord en gij hebt het einde des Heren gezien. Het ene gehoord en het andere gezien, beide zeer opmerkelijk. Hoe ongeduldig zijn vlees ook menigmaal was, zijn lijdzaamheid wordt toch geprezen en gekroond met zulk een heerlijke uitkomst. Allergelukkigste mens, die alle vormen van geduld tegen alle geweld van de duivel in het veld bracht, zegt Tertullianus. En Hieronymus schrijft: De Here verheugt zich in de overwinning van zijn knecht en achtte deze lijdzaamheid zijn triomf; daarom zegt Hij tot de duivel: Hebt gij wel acht geslagen op mijn knecht Job? De apostel Jakobus zegt: De lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk (Jak. 1:4). Wat is dat, dat de lijdzaamheid haar volmaakt werk heeft? Het is een deugd, die verscheidene trappen heeft en door verscheidene volmaakt wordt. Ten eerste vereist zij, dat hij, die lijdt, stil zal zijn en niet murmureert; gelijk Aaron zwijgt, als zijn zonen voor zijn aangezicht door vuur uit de hemel worden verteerd; doch Aaron zweeg stil (Lev. 10 : 3). Ik was verslagen en sprak niet, zei David. (Ps. 77: 5). Laat ons ingaan in de vaste steden en aldaar stilzwijgen; immers heeft de Here onze God ons doen stilzwijgen en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den Here hebben gezondigd. (Jer. 8 : 14). En in de Klaagliederen lezen wij: Het is goed, dat men hope en stil zij op het heil des Heren. Hij zitte eenzaam en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. (Klaagl. 3 : 26, 28). En David zeide: ik ben verstomd; ik zal mijn mond niet opendoen, want gij hebt het gedaan. (Ps. 39 : 10). Deze spreuk heeft Calvijn ook dikwijls op zijn sterfbed aangehaald. De mond gesierd met het sieraad der zwijgzaamheid, zegt Tertullianus.
Ten tweede. De ziel, die zo zwijgt, vernedert zich in haar lijdzaamheid onder de krachtige hand Gods, zodat niet alleen de mond, maar ook het hart zwijgt en zwicht, zeggende zoals er staat geschreven: Waarmede zal ik de Here tegenkomen en mij bukken voor de hoge God (Micha 6:6). en in vers 8, ootmoedig wandelen met uw God. — Ten derde is zij (de lijdzaamheid) vergenoegd, gerust en tevreden, gelijk Paulus zegt: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. Ik weet vernederd te worden; ik weet ook overvloed te hebben (Fil. 4 : 11, 12). En de Kerk zegt bij de profeet Micha: Ik zal des Heren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd. (Micha 7 : 6). Hij is de Here, Hij doet wat goed is in zijn ogen) zegt Eli tot Samuel (1 Sam. 2 : 18). — Ten vierde, dankt God ook hiervoor. „Als ik gezond ben, dank ik de Schepper; ben ik ziek, dan loof ik daarin de wil des Heren", zegt Hieronymus, zoals Job spreekt: De Here heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd. (Job 1 : 21). Toen Keizer Julianus aan Nares, een bisschop, die blind was, zijn blindheid verweet, antwoordde deze: Ik dank voor die blindheid, want nu behoef ik uw goddeloosheid niet te zien. Een zelfde woord sprak Antonius over de blindheid van Didymus. Als Dorotheus leert hoe men met dankbaarheid de verzoekingen moet verdragen, vertelt hij van iemand, die bedroefd was omdat God de verzoekingen van hem wegnam en zeide: Wel, Here, ben ik zulk een moeite niet waard? Dat is de moeite met dankzegging dragen, ja, met vreugde. Zo waren de apostelen verblijd, dat zij om Christus' naam waardig waren smaadheid te dragen. (Hand. 5 : 41). Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, als gij in velerlei verzoekingen valt. „Wanneer wij nu geloven, dat het een en het ander door de Here gezonden wordt, aan wie moeten wij meer geduld betonen, dan aan God ? Ja, veelmeer leert hij ons ons te verheugen en verblijd te zijn".
En dit zijn allemaal trappen, langs welke de lijdzaamheid tot haar volmaking klimt en als het ware steigert. Ten vijfde voert de lijdzaamheid tot roemen in en als over het lijden. En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen (Rom. 5:3). Dit is het, wat de apostel Jacobus zegt, dat de lijdzaamheid in U zal hebben haar volkomen werk. En deze lijdzaamheid hebben wij altijd wel van node, maar inzonderheid als wij met het laatste, beide van ons leven en ons lijden, bezig zijn: tussen de breuken van de vallende, ineenstortende eeuw, zegt Cyprianus. Op een andere plaats, waar hij zijn leermeester Tertullianus volgt en van de lijdzaamheid schrijft, zegt hij, dat dit het onderscheid is tussen vromen en onvromen, dat gene door lijdzaamheid beproefd wordt, maar deze in zijn lijden bij gebrek aan lijdzaamheid (uit onlijdzaamheid) klaagt en lastert.
Daarbij komt nu de verwachting van de stervende mens, ziende op zijn ontbinding en op de zaligheid. Maar opdat de wereld wete, dat ik de Vader liefheb en alzo doe gelijkerwijs mij de Vader geboden heeft, staat op, laat ons van hier gaan (Joh. 14 : 31), zo zegt Christus, als Hij zich schikt tot de dood. En Job zegt: Zo ik wacht, het graf zal mijn huis zijn; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. Tot de groeve roep ik: gij zijt mijn vader, tot het gewormte: gij zijt mijn moeder en mijn zuster. (Job 17 : 13, 14). Dit wacht ons na de dood, maar het geloof ziet verder en vliegt naar de hemel, die plaats, die ons wacht en wij haar: de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden (1 Petr. 1 : 5). Wanneer dit aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, hebben wij een gebouw van God (2 Cor. 5 : 1) en daarnaar strekt zich ons verlangen uit, meer behagen hebbende om uit dit lichaam uit te wonen en bij de Here in te wonen. Here, ik wacht op Uw zaligheid, zegt de stervende Jakob (Gen. 49 : 18). Het is met hen als met wie lang op zee zijn geweest, als zij het vaderland naderen: hoe meer zij de haven in het zicht krijgen, des te vuriger verlangen zij; zo ook de stervende, hoe meer hij de hemel nadert, hoe sterker is zijn verlangen; hij is vol van de hemel. Daarom bracht God Mozes eerst op een berg, vanwaar Hij hem het land Kanaan liet zien, vóór hij stierf.
No. 8 (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's