De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

In z'n tijd heeft dr. Hasselaar geschreven over de reis van paus Paulus VI naar het Heilige Land. In verband met de „oecumene" was dr. Hasselaar nog al verblijd en dankbaar met deze reis en met dat wat er in het Heilige Land zich afspeelde. De paus handelde in de geest van de apostel wiens naam hij draagt; het eeuwenlange stilzwijgen tussen twee bisschoppen werd „om Christus' wil" verbroken. Mej. H. Kohlbrugge citeert echter in In de Waagschaal stukken uit een artikel van mevr. M. W. Eberlé-Gotlieb in Hervormd Nederland, waarin zij een tegenoverge­steld geluid laat horen. Volgens mevr. Eberlé-Gotlieb. pres. van de Ned. Vereniging van Joodse Christenen, heeft de paus alleen maar allerlei kansen gemist en heeft zijn reis slechts politiekeen geen religieuze betekenis gehad. Mej. Kohlbrugge stelt nu aan dr. Hasselaar de volgende vragen:

Mag ik in het licht van deze uiteenzettingen aan Dr. Hasselaar vragen: „Hoe kan hij juist met het oog op Israël van Paulus VI zeggen dat hij een daad deed „in de geest van die apostel wiens naam hij draagt"? Dat is echter de apostel van Rom. 9-11.

Dan heb ik nog een tweede vraag. Als wij ons in deze reis verdiepen, moeten wij dan niet ook luisteren naar de begeleidende omstandigheden van deze reis: „Paulus VI vertrok in een gloednieuwe DC 8, versierd met de wit-gele kleuren en het wapen van de huidige paus, geëscorteerd door jachtvliegtuigen van de Italiaanse luchtmacht. Een aparte kleine salon is in dit nieuwe vliegtuig ingericht en een stoel met lichtgroen velours extra overtrokken, twee plastieken zijn aangebracht: een crucifix en de madonna van Loretto. Het gevolg van de paus bestaat uit 30 personen, de beide piloten zijn hoog gedecoreerde officieren van de voormalige Italiaanse luchtmacht.

Over deze reis schrijft Katholiek Archief: „Toen paus Paulus de sedia gestatoria om zo te zeggen verwisselde voor een DC 8, hief hij heel de kerk op uit het veld van de abstracte leer en plaatse hij haar in de weidsere gebieden van de wereld, juist zoals Christus opgeheven werd op het kruis voor de verlossing van de wereld". Mag ik Dr. Hasselaar vragen, hoe hij met een, zo absolute stelligheid kan weten, dat „een eeuwenlang zwijgen om Christus wil verbroken werd"?

Ik dacht dat de reis van paus Paulus ons, in tegenstelling tot veel verheugende dingen, die op het concilie gebeuren, met schrik vervulde, met schrik, omdat hier de religie een grotere plaats blijkt te hebben gehad dan het Woord van het Oude en Nieuwe Testament.

Dr. Hasselaar geeft in hetzelfde nummer ook een antwoord op deze vragen.

Hij begint toe te geven, dat hij zijn slotzin wat te critiekloos gesproken heeft. Maar toch blijft hij de ontmoeting tussen de twee patriarchen van oecumenisch belang achten.

De vergelijking tussen het opstijgen van het vliegtuig en Christus Die aan het kruis verhoogd werd, noemt hij een domheid die aan godslastering grenst.

Op de vraag hoe hij zo precies weet dat het stilzwijgen om Christus' wil verbroken werd, antwoordt hij, dat de twee patriarchen persoonlijk dit perspectief nauwelijks of helemaal niet hebben laten gelden; het is dus hunsondanks geschied. Hoewel dr. Hasselaar het niet met zoveel woorden zegt, zal ook dit dus wel weer op rekening geschoven moeten worden van de Heilige Geest. Die is namelijk in deze tijd wel de grootste Martelaar in de kerk. Allerlei bedenksels waar men geen grond voor vinden kan in de Schrift, worden dan maar toegeschreven aan de leiding van de Heilige Geest. Toegegeven moet worden dat deze handelwijze inderdaad een oecumenische daad bij uitnemendheid is, wat betreft de toenadering tot , Rome. Immers in het losmaken van de Heilige Geest van het Woord Gods, om dan maar door de leiding des Geestes alle mogelijke menselijke uitvindingen „door de leiding des Geestes" in de kerk in te voeren, heeft de roomse kerk al een routine en ervaring van eeuwen.

Het blad Waarheid en Eenheid zal zich, blijkens een mededeling van de penningmeester bij zijn verantwoording van giften, vooral blijven inzetten tegen valse oecumenische strevingen. Als medewerker in deze materie heeft het blad ook de bekende prof. Zuidema. Dit is echter een dermate explosieve figuur, dat de toornontladingen van zijn gekwelde geest soms zelfs de vrijgemaakten wel eens te bar wordt. En die zijn op dit punt toch wel iets gewend. Dr. Trimp schrijft namelijk over prof. Zuidema in de Reformatie:

Toch moet ons bij deze gelegenheid eens een opmerking van het hart. Wij vrezen n.l., dat dr. Zuidema, die tot waarlijk profetisch spreken meermalen in staat bleek, thans zijn oorspronkelijk; spreekvermogen dreigt te gaan verliezen, ondanks zijn vaak grondige en treffende analyses.

Want wat baat ons nu eigenlijk dergelijke grappenmakerij? Het maakt het volume van Zuidema's woord niet sterker, werkt eerder een zekere vervlakking van zijn taal in de hand en brengt hem aldus sneller in de buurt van het bitter en ietwat gewild sarcasme dan dat het hem in staat stelt tot waarlijk profetische spot.

De „aardigheid" is er blijkbaar wat af voor dr. Zuidema; hij draagt de neergang van het gereformeerde leven in Nederland als een stuk levensleed met zich.

Maar als de „aardigheid" er af gaat, moet de profeet juist te meer profeet blijken te zijn. Geen nurks-met-grapjes worden. Dat beschadigt de zaak en ontneemt aan het appèl zijn klem, juist bij hen, voor wie het allereerst bedoeld was.

In dit verband willen we u een „proeve" geven van het schrijven van prof. Zuidema. In Waarheid en Eenheid richt hij zich tot zijn collega, prof. J. v. d. Berg, die in de komende maand

(vervolg op pag. 150)

spreken zal op een grootse vergadering in Leeuwarden, belegd door de „Achttien". Boven zijn artikel, waarin ook nog opgenomen is een open brief aan prof. J. V. d. Berg. — van welk artikel we een gedeelte overnemen —, schrijft prof. Zuidema: In een oecumenische kronkel.

In het getuigenis, uitgegeven door de vergadering van de Wereldraad te New-Delhi, geheten „New-Delhi spreekt", wordt ons ondermeer geleerd, dat wij ons terwille van het oecumenisch gesprek en als enige manier, waarop dit gesprek echt oecumenisch kan zijn, hebhen te identificeren met „de ander". Een geheim immers van dit gesprek is immers de bereidheid tot luisteren. En al luisterende moet men de ander niet interrumperen. Het probleem is dan enkel nog, wie er aan het woord mag komen en wie dit beslissen mag. Want de anderen staan dan onder het oecumenisch gebod, te moeten Iuisteren, en zich met de spreker te moeten identificeren. Nu heb ik het geschrift „Van kerken tot kerk" van „de Achttien" met aandacht gelezen. Zelfs geprobeerd het volgens de oecumenische spelregels te lezen. Dus heb ik vooral naar „de ander" die ik immers moet „aanvaarden" geluisterd. En zo drong „existentieel" tot mij door, wat dr. Berkhof schreef van de Gereformeerde Kerken in dit oecumenisch hervormd-gereformeerde geschriftje en ook van eigen Nederlandse Hervormde Kerk.

En ik identificeerde mij alweer met dr. Berkhof. Ook, wanneer hij de zo oecumenische, en tevens oerecht hervormde woorden neerschreef, volgens welke onze gereformeerde kerken een stoere secte, en de Ned. Hervormde Kerk een weke volkskerk zouden zijn. Vooral het eerste maakte ik mij eigen. Zo kreeg ik al meer het oecumenisch gevoel, dat ik en alle leden van de gereformeerde kerken sectariërs zijn. En dat in elk geval de gereformeerden onder „de Achttien" hier hartelijk mee instemmen: zij „aanvaarden" dr. Berkhof immers!

Langzamerhand werkte deze oecumenische zelfbeschouwing in mij door: ik mag immers ook niet onoecumenisch zijn. Als ik nu in de kerk zit, zie ik al maar sectariërs om mij heen. Daar zag ik ook in het sectegebouw als medelid van mijn plaatselijke secte zitten: prof. dr. v. d. Berg.

Even meewarig als ik over mijzelf denk, dacht ik toen over hem: die arme sectariër! Maar later werd ik, althans over hem, getroost: Hij is immers bezig, zich te ontsectariseren. Want ook dr. Berkhof vindt, dat, als hij maar meedoet met „de Achttien" en met „Van kerken tot kerk", hij bezig is een kerkmens te worden. Ik werd in deze blijdschap versterkt, toen ik in de krant las, dat hij eerstdaags voor „de Achttien" op een massabijeenkomst in Leeuwarden gaat spreken. Oecumenisch-kerkelijk gezien, zal dus zelfs Berkhof oordelen, dat hij op weg is, echt kerk-lid te worden van „een" (of „de"? ) echte (volks-)kerk. Maar ja, eenmaal door die oecumenische kronkel gegrepen, zag ik mijzelf als sectariër achterblijven. En velen met mij. Hoe meer hij „kerk-lid" wordt, hoe verder hij van de gereformeerde secte, waar hij nu nog bij behoort, af komt te staan. Als mede-sectariër is hij nog mijn naaste, maar, op weg naar het kerk-mens-zijn, raakt hij ver uit mijn buurt. En zijn wij zo al niet druk bezig, elkaars „verre naasten" te zijn! Ik hoef dan heus niet meer aan de ontwakende kerken in Afrika te denken, om aan „verre naasten" te kunnen denken. Maar ik heb maar rondom mij heen te zien in een samenkomst van mijn secte, en zowaar, het vraagstuk van de verre naaste staat levensgroot voor mij.

In het Hervormd Weekblad maakt prof. van Itterzon bij enkele uitlatingen van de (r.k.) Volkskrant in verband met het huwelijk van prinses Irene enkele opmerkingen. Ook de publikatie in de Volkskrant, waar prof. v. I. enkele pasages uit citeert, laat aan duidelijkheid niets te wensen over, maar prof. v. I. merkt daar nog bij op:

Allereerst is de houding van paus Paulus VI mij niet helemaal duidelijk. Het is klaar, dat hij een van zijn voorgangers, Pius XII, heeft willen zuiveren van de blaam, die op hem als „Stellvertreter" was geworpen. Het komt mij voor, dat paus Paulus wel voorzichtig mag zijn, zal het nageslacht ook over hem als „Stellvertreter" geen minder gunstig oordeel vormen. Natuurlijk begrijpt iedereen, dat de paus zijn kerkleden vaderlijk moet kunnen ontvangen. Wanneer deze ontvangst echter gepaard gaat met het maken van een officiële foto, die voor fascistische doeleinden kan worden misibruikt, gaat er naar ons gevoelen iets scheef. Bovendien zal het de paus niet onbekend zijn (wat iedere gewone Nederlander nu langzamerhand wel weet), dat er tussen het Franse, prinselijke èn het Nederlandse, koninklijke ouderpaar oneffenheden zijn. Bij een huwelijksinzegening in de Ned, Herv. Kerk wordt in de eerste Orde van dienst tot het bruidspaar gezegd, dat zij „naar het bevel van God verbonden en schuldig zijn, zich tot de huwelijke staat, met weten en wil van hun ouders.... te begeven". Als de koninklijke ouders met een simpel telefoontje, op een zondagmiddag, half vijf, en passant, de huwelijksdatum vernemend worden uitgenodigd de plechtigheid bij te wonen en zulk een Invitatie vanzelfsprekend afwijzen, ligt de zaak wel enigermate abnormaal. In de Ned. Herv. Kerk zouden wij zulk een huwelijk niet klakkeloos inzegenen. Kan dat wel in de Rooms-Klatholieke? Gelden daar andere regels? Kan de paus daar, zonder kritiek, de afwezigheid van de ouders van de bruid als een bagatel bij zijn besluit negeren? De afwezigheid op een dag, waarop de Koningin natuurlijk niet komen kan? De dag vóór haar verjaardag? De paus zal het weten, wat hij doet, maar dient er rekening mee te houden, dat hij nu al „Stellvertreter" boter op het hoofd krijgt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1964

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's