Openingswoord
uitgesproken op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond, gehouden op 29 april 1964 in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht, door de Voorzitter Prof. Dr. J. Severijn.
Geachte Vergadering.
Een van de voornaamste wijzigingen van kerkrechtelijke en overgangsbepalingen, die wij dit jaar mogen verwachten betreft de regeling 238.
Zoals u weet, is men er reeds mede bezig, al, kunnen wij nog niet weten, wat er van worden zal. Uiterlijk tot 1 januari 1965, staat onder 238a, zodat de verandering in dit jaar moet geschieden.
Van deze ongelukkige bepaling, een heel vreemde figuur in de kerkorde van 1951, die als zodanig van modaliteiten in prediking en catechese niet afweet, en (behoudens onze bedenkingen) kerkrechtelijk beoordeeld geen modaliteitenkerken in de bedoelde zin kent.
Het artikel is alszodanig een vreemde figuur in de kerkorde, maar de kerkorde is (alweer behoudens onze bedenkingen) een vreemde figuur in de kerk van vandaag. Tijdens de voorbereiding van de kerkorde heeft de wetenschappelijke theologie aan beduidende invloed gewonnen op de niet-orthodoxe groepen in de Hervormde Kerk en — met name ook op de minder gefundeerde „gereformeerde" groepen, zij het in het algemeen niet onder de oudere leden dan toch onder de jongeren in de Gereformeerde Kerken.
Deze beweging is de orthodoxe leer van de belijdenis geschriften vèr vooruit, naar zij meent, spreekt over een nieuwe theologie, zoekt een boven de kerken uitgaande eenheid, welker fundatie niet in de reformatorische belijdenis wordt gevonden, niet in het geloof, maar in oecumenische idealen van eigen structuur en makelij.
Tot die voorwerpen van eigen makelij behoort ook de modaliteiten-kerk. Deze kerk is niet zo nieuw als de voorafgaande opmerkingen kunnen doen verwachten. Ik behoef slechts aan de modus-vivendi-handelingen te herinneren uit het eerste kwart dezer eeuw — en aan de practische toestand in de kerk gedurende de negentiende eeuw. Voorheen heeft men dergelijke voorstellen afgewezen en de onkerkelijke toestanden laten bestaan, ondanks de Afscheiding en de Doleantie, en in de twintigste eeuw promoveert men een verscheidenheid, die de reformatorische belijdenis ver achter zich laat tot Kerk, en geeft haar vrijheid van prediking en catechese. (Deze naam catechese doet wonderlijk aan, want men bedoelt daarmede geenszins onderwijs in de catechismus).
De gevolgen kunnen de gewone, laat ik mogen zeggen, de ouderwetse kerkganger niet onbekend gebleven zijn. De z.g. nieuwe theologie maakt het kenmerkend eigene van het Evangelie in zijn toepassing en geestelijke beleving overbodig en onbekend.
In Christus alles volbracht. Dat betekent in de baanbrekende beschouwing: Alles wat ons moeilijkheden en bezwaar zou kunnen brengen in de geestelijke dingen, voorbij. Geen bekommernis over de zonde, geen vrees voor het oordeel, geen afschrik voor de dood. Alles volbracht. Christus heeft de zonde op zich genomen, het oordeel gedragen, het is voorbij.
De nieuwerwetse preek heeft over de dood niet veel meer te beweren, maar weet ook van het leven niet veel mede te delen. Ze zijn er immers allen. Ja, ze weten het nog niet allen, maar dat komt wel en men probeert dit iets te bevorderen door het voort te zeggen.
Ziedaar de armoede van de nieuwmodische preek, die door velen dan liturgisch wat wordt tegemoet gekomen. Er zijn ook nog geestdriftige dominees, die wat al te dicht in de omgeving van de nieuwlichters leven, en menen, dat zij daaraan toch wel een beetje mede moeten doen, al wordt het zwaarte punt van de reformatorische belijdenis daarmede verzaakt.
Dezulken wijzen wij op 't Woord van de Heere Jezus Christus. Wij behoeven daar geen woord van ons zelf bij te doen, omdat het zo buitengewoon duidelijk is: Matth. 7 : 13-23.
„Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;
Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden.
Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.
Aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?
Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.
Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.
Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Zo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen.
Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere! Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?
En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, , gij, die de ongerechtigheid werkt".
Na dit duidelijk getuigenis uit de mond van de Heere Jezus Christus, is het niet nodig nadere bewijzen te leveren over het goddelijk gezag van Zijn Woord. Hoe vaak klinkt het van Hem: „Er is geschreven", zowel toen Hij verzocht werd in de woestijn als bij Zijn onderwijs onder het volk. „Er staat geschreven" is een woord van onze hoogste Profeet en Leraar, die notabene Zijn Woord zelf heeft gegeven en geopenbaard, en die daarmede niet alleen het goddelijk gezag der Schrift bepaalt, maar in Zijn onderwijs en in Zijn lijden op aarde dat gezag persoonlijk heeft bevestigd.
Dit is een zaak, die wij ernstig hebben te nemen: de Dienaar des Woords in de eerste plaats, opdat zij beoefenen Hem te dienen. Zijn Woord te leren verstaan, op Zijn gezag het Woord te verkondigen. Niet als bet-weters, die Hem in hun hoogmoedige onnozelheid naar de kroon steken, maar als gehoorzame dienaren naar het voorbeeld der apostelen.
De geschiedenis der laatste eeuwen is weinig bevorderlijk geweest tot zulk een gehoorzaamheid en heeft duidelijk getoond, dat de natuurlijke mens niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zijn. In zoverre de critische theologen zich in de laatste eeuwen hebben beziggehouden met de Heilige Schrift, is er heel weinig van haar gezag overgebleven, althans volgens de beweringen in de kringen van die mannen. Uit de aard der zaak zijn hun beoordelingen niet gelijk, omdat de gaven, ook de geestelijke gaven zeer verschillend zijn en de één in zeker opzicht met iets meer respect voor het geheimenis van Gods Woord staat dan de ander.
In het algemeen kan men echter zeggen, dat de critische theologen het gewone openbare leven, laat mij zeggen het cultuurleven, hebben onttrokken aan de openbaring, zodat deze werd terug gedrongen tot het bijzondere terrein van zedelijk en geestelijk leven en tot particulier gebied werd verklaard. We kunnen daarop in dit verband thans niet nader ingaan, maar de ouderen in ons midden, die nog hebben medegemaakt dat — om slechts één voorbeeld te noemen — art. 36 van onze geloofsbelijdenis in het hart van de politieke belangstelling stond bij de partijen ter rechter zijde, zijn er levende getuigen van, dat een dergelijke geestelijke belangstelling uit het openbare leven is verdwenen.
Men kan dat betreuren en dat doen wij ongetwijfeld, maar het is een feit. De geestelijke belangstelling is op de achtergrond gedrongen, en ook het gereformeerde leven, met name betreffende de openbare belangstelling, wordt afgebrokkeld en verschrompelt.
Waar heerst nog een huiselijk geestelijk leven van het gezin? Het is een voorrecht als er nog sprake van mag zijn, maar wij vrezen, dat de drukte en verwarring van deze tijd in menig gezin het godsdienstig leven van weleer hebben verdreven. Was het in verband met de uiteenlopende belangen van de moderne maatschappij een bijzonder voorrecht, dat het Christelijk onderwijs een voorname plaats in ons volksleven ging innemen, de getekende verandering ook in de godsdienstige belangstelling van ons volk, heeft op het Christelijk onderwijs, niet minder dan in het kerkelijk leven, een verslappende invloed uitgeoefend.
Zwijgen we dan nog van de verwarring, welke door de kerken zelf wordt gesticht. Niet alleen hebben velen een zodanige afkeer van de Gereformeerde belijdenis, dat zij die zelfs niet meer noemen, laat staan als grondslag van het kerkelijk leven zouden willen erkennen. Deze houding kan alleen bevorderen, dat de belijdenis binnenkort niet meer gekend wordt.
Wij achten het een voorrecht, dat ons Gereformeerde volk nog altijd prijs stelt op de belijdenis. Wij zijn er van overtuigd, dat onze predikanten goed doen en het er vooral op zullen moeten toeleggen, om het jonge geslacht bij de voornaamste en kenmerkende stukken onzer Gereformeerde confessie te bepalen. Indien zij dat niet doen, zal het niet zo lang duren, of de reformatorische geloofsovertuiging wordt een vergeten zaak.
In onze dagen is een proces van verslapping reeds zover voortgeschreden, dat z.g. Hervormden dromen van een hereniging van Hervormd en Rooms, omdat ze geestelijk arm zijn en geen kennis hebben van Schrift en belijdenis, m.a.w. omdat zij de kracht des geloofs, waaruit de Reformatorische belijdenis is voortgekomen, nooit hebben gekend.
De Roomse Kerk draagt altijd nog de kenmerken van haar geschiedenis. In de dagen van Constantijn de Grote werd zij van een strijdende kerk, die de geestelijke vrucht des Evangelies zocht, een overwinnende Kerk in het Romeinse Rijk onder de keizer, die als Pontifex Maximus het heidendom met het Christendom verwisselde.
Indertijd, toen wij de kerkelijke geschiedenis leerden, kwamen wij het reeds tegen. Voor deze periode, in de strijd om het Evangelie te verbreiden, zo tekende men dat, waren de kerken van hout, maar de harten van goud.
Na de staatkundige overgang vond men aanleiding om deze waardering om te keren: de harten van hout en de kerken van goud. Hoe dit ook zij, feit is, dat de kerkelijke leiding in deze politieke ommekeer een heidense massa in de kerk had te ontvangen als een lekenelement, dat zij voor dien op eigen terrein niet gekend had en dat zo groot in getal was, dat de kerk er mee in verlegenheid zat.
Deze situatie is aanleiding geworden tot de kenmerkende onderscheiding in de Roomse Kerk van de geestelijkheid en het lekendom. Wij gaan daarop niet nader in, maar wilden daarmede slechts illustreren, dat de tegenwoordige oecumenische geluiden, die van een saamgaan van Protestanten en Roomsen spreken, regelrecht op een betreurenswaardige inzinking van het oorspronkelijk reformatorisch geloof wijzen.
Hoe zou dat ook anders kunnen na de doorwerking van de moderne evolutie, die in opzet het ganse levensproces voor zich opeiste in de veronderstelling, dat de menselijke Rede het peil van volwassenheid had bereikt, waarop zij de profetische voorlichting kan missen.
Toch is deze houding niet zozeer aan een tijd gebonden als sommigen zouden denken. Symptomen, die op een zelfde houding in de diepte wijzen, zijn ook in de oude filosofie te ontdekken en de Godsopenbaring tekent de zonde en de afval van God in hun oorsprong als vijandschap tegen God. Dit is een zo algemene en verleidelijke kwaal, dat wij allen in de beweging van de tijd worden medegetrokken en daarin het oordeel tegemoet gaan, als God het niet genadiglijk verhoedt.
Want in feite heeft de geest van Hegel daarin de mens ten voeten uit getekend. Hij wil als God zijn. Ja, hij wil eigenlijk God nog een gang voor zijn, zoals het eigenlijk bij Hegel is.
Onder de invloed van de wijsgerige grootmeesters en bij de beleving van de moderne ontdekkingen van de natuurwetenschap en haar toepassingen is dit tot een macht geworden, welke niet alleen de cultuurvolken in Europa en Amerika in beslag neemt en merendeels vervult, maar ook de voorheen gekoloniseerde gebieden der natuurvolkeren in het cultuurproces betrekt, ondanks de merkwaardigste tegenstellingen.
Terwijl in dat verschijnsel de grootste tegenstellingen worden betrokken als het primitieve wapen met de pijlspits en de algemeen gevreesde vinding van de kernwapenen om maar een voorbeeld te noemen, kan het ons geslacht van de moderne „vooruitgang" mogelijk bepalen bij het feit, dat we in het gewone dagelijkse leven, zoals dat geworden is onder de laatste generaties, allengs zijn meegeleefd tot moderne „cultuurmensen". Ongetwijfeld met profijt van veel gemak en in velerlei opzicht met winst en vermaak, maar voor wie prijs heeft leren stellen op de hogere levenswaarden en de geestelijke goederen der genade Gods, is er desondanks aanleiding tot vrezen en beven.
De moderne mens heeft het cultuurleven aan zich getrokken en als het ware onder Gods hand wegggetrokken, en onder de buitengewone ontdekkingen, die hem te beurt vielen, kan hij zich verbeelden, dat het hem is gelukt.
Intussen is de kerk meegegleden en maakt zich drukker over het inderdaad gevaarlijke atoomwapen dan over de nood van een wereld en het deelgenootschap aan een eeuwig heil in Christus, de Koning der koningen.
Dat is zeer typerend. Want Zijn macht gaat over alle dingen, ook over het atoomwapen. Hij komt om de aarde te richten, en Zijn oordeel zal rechtvaardig zijn.
De moderne mens vaart op zijn eigen bestek. Daarom zit hij in de war met de vinding van verschijnselen, die raken aan de diepste verborgenheden in een wereld, die hij klaarblijkelijk zelf niet gebouwd heeft en die hij, naar hem allengs duidelijk moet gaan worden, niet in de hand heeft.
Het blijkt maar heel duidelijk, dat de grote mogendheden onder de indruk verkeren van de geweldige gevaren van de moderne vindingen en constructies en dat zij zoeken het gevreesd en noodlottig, misschien wilt gij, misdadig, in ieder geval onverantwoordelijk gebruik onder de volkeren te voorkomen.
Wij willen niet beweren, dat de kerk er niets mede te maken heeft, maar wij geloven wel, dat zij voor alles getrouw moet zijn aan de opdracht van de Koning der koningen om het Evangelie, d.i. Zijn Evangelie te preken en dat aan alle creaturen. Dat is haar voornaamste taak.
Deze zaak is trouwens veel ernstiger dan zij zo lijkt. Het is n.l. niet zonder betekenis, dat het Evangelie — en nu blijf ik alleen maar bij de Christelijke tijd — dat het Evangelie reeds gedurende ±2000 jaar in de heersende wereld, laat mij zeggen onder hen, die Europa en Amerika bevolken, gepredikt is en een literatuur heeft opgeroepen, die wellicht de grootste omvang van welke litteratuur ook heeft verworven, en in alle richtingen heeft ingegrepen.
Dit betekent, dat in vele landen op velerlei litterair gebied en wat daarmede saamhangt, 't Evangelie spreekt, bedekt en onbedekt. Dat betekent, dat de kennis van het Evangelie over een belangrijk deel der wereld meer of minder diep of oppervlakkig is verbreid.
Aangezien de mens van nature niet zonder enige kennis van God is (zie Rom. 2), betekent het zo juist opgemerkte, dat er in een groot gedeelte van de wereld enige meer of minder gevorderde — zeg historische — kennis van God en de goddelijke dingen is.
Voeg daarbij, dat de Heere God door de eeuwen heen gaven van verschillende aard, ook van ontdekking en wetenschap aan de mensen gegeven heeft.
Wij kunnen dat alles door de geslachten heen niet afschrijven, als ware dat zonder betekenis. Daarbij moeten wij even stilstaan, want wij kunnen vaak zo onbedachtzaam zeggen, dat een mens er niet van weet. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Dat is wel zo en dat geldt zeker van de geestelijke kennis, welke ons zonder de onderwijzing des Heilige Geestes niet eigen wordt.
Er is echter ook een natuurlijke, of zo men wil historische, kennis van de geestelijke dingen en men mene niet, dat het om het even is, of we die hebben of niet hebben. Een ieder, die enige kennis van de Schrift heeft, weet beter. Bovendien zijn er gaven en bekwaamheden, welke God in deze zondige wereld de mensenkinderen geeft, die enig begrip geven van geestelijke dingen, al betreft dit nog niet de geestelijke kennis, welke de Heere God in de wedergeboorte toebedeelt.
Men moet dat alles niet onschuldig houden, want het komt in het gericht. Niemand mene, dat we Gods Woord ongestraft kunnen verachten en ik meen, dat wij dat in een tijd van afval na zoveel openbaring en litteraire behandeling bewust moeten zijn.
Voor de troon van God zal blijken, dat God van den beginne bemoeienis met ons geslacht heeft gehad, en deze bemoeienis gaat niet nutteloos voorbij.
Wat verder de wederbarende kennis van God en Zijn Woord betreft, ook deze laat in kerk en huis, laat mij zeggen op aarde een lichtend spoor na, dat blijvend getuigt van een geestelijke werkelijkheid en een deelgenootschap aan de eeuwige vrede, die alle aardse verwachtingen te boven gaat.
Daarom, laat ons de tijd der genade waarnemen, ja uitkopen. Laten wij gereformeerden eendrachtig op elkander aansluiten gedachtig aan onze Bijbelse roeping: Bewaar het pand u toebetrouwd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1964
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's